‘Ga je naar de afterparty’, vroeg iemand me.
Als het gaat om die party met DJ Die-en-die, nee, dan ga ik niet, maar in een zekere, diepere zin kan ik wel zeggen dat ik ga. Ik ben niet naar het dansfeest van het festival geweest, maar het zitten achter mijn laptop in de relatieve rust van een hotelkamer is eigenlijk niets anders dan een langverwachte afterparty. ‘Ik kan niet, ik moet een feuilleton schrijven’, die woorden zijn de afgelopen dagen mijn refrein geworden en dat ik het vandaag voor het laatst heb herhaald vind ik eigenlijk ook wel ergens jammer, misschien zelfs meer dan dat het festival bijna afgelopen is (onder het wakend oog van DJ Die-en-die) en dat ik morgenvroeg uit Den Haag moet vertrekken.
Aan het einde van de tweede festivaldag (en de derde dag van mijn verblijf in Nederland) lopen mijn cognitieve verwerkingscapaciteiten op hun eind. Ik ben niet meer in staat om nog een naam, nog een gezicht, nog een schrijver, nog een musicus, plaats, straat, schilderij, gebouw te onthouden.
‘Ik heb je gisteren op het concert gezien van… (hier volgt een raar woord, ik weet niet, een achternaam, de naam van een band),’ zegt iemand. ‘Het was geweldig, hè?’
‘Fantastisch,’ antwoord ik, hoewel ik er vrijwel zeker van ben dat ik net niet naar dat concert ben geweest, maar misschien ben ik er uiteindelijk wel geweest, wie zal het weten?
Het interessantste is dat hoewel ik helemaal niets meer registreer en niets meer kan onthouden, het schrijven hierover me nog altijd niet slecht af gaat. Het komt erop neer dat ik voor een laptopbeeldscherm, ondanks de columnmarathon van de laatste dagen, niet alleen niet moe word, maar juist uitrust. Ik herstel, ik roep mezelf tot de orde. Ik ben weer thuis. Schrijvers horen zich toch alleen met schrijven bezig te houden: dat is de moraal van dit verhaal.
Een van de grootste voordelen van dit fantastische festival is overigens dat wij – jonge schrijvers – onder andere hierheen zijn gehaald om te schrijven. Dat komt maar zelden voor. Gewoonlijk worden schrijvers naar literaire festivals gehaald om het publiek te charmeren, om aardig te zijn, om er mooi uit te zien (of niet mooi; er zijn twee scholen), om grappig te zijn (dat altijd!), zich te laten zien, zich te laten fotograferen, deel te nemen aan een panel. Van schrijvers vraagt men hoofdzakelijk circusacts waarin ze niet altijd meesters zijn. In Den Haag werd ook (en wellicht vooral) verwacht dat er geschreven werd en dat was een fantastisch idee. Ten eerste zodat schrijvers toch konden doen wat ze schijnen te kunnen. Ten tweede omdat dat het publiek het meeste zou moeten interesseren. Wat maakt het uit dat hij mooi is, dat hij een goed passend colbert draagt (of een T-shirt met een fiets: er zijn twee scholen), dat hij grappig is. Maar kan hij drie alinea’s schrijven? Dat is toch wat telt, en dat kon men tijdens Crossing Border in drie talen controleren.
De algemene wereldwijde trend is namelijk juist het tegengestelde: schrijvers besteden steeds meer tijd aan al het andere dan schrijven. Daar moet je voor oppassen, vind ik. Je mag geen conferentieschrijver, festivalepicus, geen vertegenwoordiger van Polen op het gebied van de literatuur worden. Je mag vooral niet ‘van de pen leven’, want in de praktijk betekent dat altijd leven van zaken rondom de pen. Dan kun je nog beter leven van het slijpen van lenzen; ik voel me zo vrij dit lokale, erudiete accent te gebruiken.
Maar af en toe kan je ergens heen gaan. Misschien is het het waard om zoiets mee te maken zoals vanavond. Jawel: voorspelbare antwoorden op voorspelbare vragen. Jawel: het surrealisme van de situatie waarin je iets in het Pools leest en het publiek de Engelse ondertiteling volgt en op bepaalde momenten ten prooi valt aan desynchronisatie. Maar aan de andere kant maakt het een geweldige indruk, is het een verbluffend gevoel dat jouw fantasieën, jouw bedenksels (sommige nog van het klimrek in Łódź) je helemaal hier hebben gebracht, een schrijver van je hebben gemaakt, je in dit jasje hebben gestoken, dat het toch allemaal op de een of andere manier is gelukt, dat het vlees woord is geworden, dat die idioot van een Kale niet op de pagina’s van je verhaal vast is blijven zitten, maar eraf is gevlogen en een ticket naar Nederland voor je heeft geregeld zodat je hem hier in drie talen kon bezingen.