Op mijn laatste avond in Iowa maakte ik een wandeling door het park bij de rivier. Het schemerde en een troep rotganzen vloog op van het water, over me heen. Met slaperige slagen van hun brede vleugels vormden ze een onvolmaakte V tegen de schemering.
Op mijn laatste volledige dag in Den Haag waag ik me op klaarlichte dag naar buiten voor een wandelingetje en kom ik opnieuw ganzen tegen, in de vijver tegenover het station. Een paar zijn gewoon wit, maar de meeste zijn van een soort die ik niet ken. De veren een lappendeken van roodbruin en diep smaragdgroen, met kastanjebruine ringen om de ogen. Zulke ganzen heb ik nog nooit gezien. Zodra ik terug ben in mijn hotelkamer zoek ik ze op. Wikipedia vertelt me dat het nijlganzen zijn, een van oorsprong Egyptische soort. Maar, aldus Wikipedia, in sommige West-Europese landen komen populaties voor die voornamelijk afstammen van ontsnapte siervogels. Wat een prachtig poëtisch idee! Dat deze vogels de ketenen van het mooi-zijn hebben afgeworpen en helemaal uit het exotische oosten zijn afgereisd om hier, naast de stad, onder een grijze lucht, op dit slijmerige oppervlak rond te dobberen.
Op de laatste middag duik ik een cafeetje in en doe ik alsof ik Nederlands spreek. Ik bestudeer het menu voor ik iets bestel, oefen de woorden in mijn hoofd. Ik krijg niet precies wat ik wilde, maar heel even voel ik me iets minder eentalig.
Op de laatste avond stop ik spullen in mijn dikker geworden koffer. Ik haal ze er weer uit. Ik verdeel en herverdeel mijn bezittingen over de verschillende vakken. Passen en meten, wikken en wrikken. Het is eigenlijk net schrijven, stel ik vast.
Op de laatste festivalavond realiseer ik me dat ik de grootste kans maak om niet hopeloos te verdwalen in de Koninklijke Schouwburg en het gebouw van het Nationale Toneel als ik het backstagegedeelte volledig vermijd. De ruimtes waar de optredens plaatsvinden kan ik zonder veel moeite vinden, maar de wirwar van kleedkamers, smalle gangetjes, geheime doorgangen en trappenhuizen brengt me totaal van mijn stuk en staat op geen enkele plattegrond. De wereld backstage is een ondoordringbaar doolhof. Waar de lift naar etages gaat die niet bestaan. Waar elke tafel bezaaid is met bakjes piepkleine, ronde koekjes en blikjes bier.
Op deze laatste avond besluit ik dat ik gewoon een keer ga zitten en luisteren. Ik besef hoe zelden ik dat eigenlijk doe. Ik ben altijd aan het haasten, altijd in gedachten verzonken. All these days, they went away… galmt Jonathan Jeremiah nog na. In het publiek, in het donker, breng ik mijn lichaam en geest tot stilstand. Door de roze rook bestudeer ik de vaag verlichte gezichten om me heen.
Ik vraag me af hoeveel van deze gezichten de poëzie van de nijlgans kennen.
Als ik eenmaal klaar ben om uit Nederland weg te gaan heb ik al negenenzeventig nachten niet in mijn eigen bed geslapen. Do you know the way from here… zingt Alela Diane… to where you’re going to?
Nee, dat weet ik niet. Zeer zelden, eigenlijk. Ik maak er maar wat van. Ik kom er wel. En ik ben dankbaar dat er überhaupt een ‘er’ is waar ik heen kan gaan, dankbaar dat ik er kan terugkeren én dat ik af en toe de kans krijg om er weer weg te gaan.