Vaak vermijd ik het om autobiografisch te schrijven. Ik ben daar gewoon niet zo goed in. Het zoeken naar mijn verleden vind ik lijken op het zoeken naar een vormeloze schaduw die de vorm van elk ander persoon in wat voor moment dan ook kan aannemen. Daarom praat ik uiteindelijk over de mensen die ik het liefst zou willen zijn. Mijn vader is absoluut niet zo iemand, maar toch schrijf ik graag over hem. Niet omdat we het zo vaak oneens zijn, maar omdat hij heeft besloten nooit iets van mij te zullen lezen. Telkens wanneer hij zei: ‘ik lees niet wat jij schrijft’, antwoordde ik, ‘dat is maar goed ook, dan kan ik over je schrijven wat ik wil.’
Tijdens de Libanese burgeroorlog was mijn vader alleen bang als wij bij hem waren. Wanneer hij alleen was, kon het hem niet schelen. Zijn angst was dat wij voor zijn ogen zouden sterven, waardoor hij steeds aan ons zou moeten denken. Dat wilde hij niet. Ik heb hem dat weleens horen zeggen tegen mijn moeder. En dat hij het gevoel had zo iemand te zijn die geboren is om in leven te blijven, terwijl iedereen om hem heen sterft. Telkens wanneer de gevechten op straat oplaaiden, kon hij alleen maar de radio op z’n hardst zetten, zodat het geraas van de bombardementen buiten werd overstemd. We twijfelden er geen moment aan dat hij bang was.
Het lukt hem altijd een liedje te vinden dat wij nog niet eerder hadden gehoord. Pop, rock, folklore, jazz, klassiek… altijd maar muziek. Telkens wanneer we hem vroegen om de betekenis van het liedje uit te leggen, legde hij uit dat het om een persoon ging die nooit wat meemaakte. En dat dit hetzelfde liedje was dat we de vorige keer hadden gehoord. Als kinderen begrepen we er helemaal niets van dat het mijn vader keer op keer lukte om hetzelfde liedje te vinden, maar dan anders gecomponeerd. We dachten ook dat hij er bij ons op aandrong om naar de schuilplaats te gaan, zodat hij met de schutters zou kunnen gaan strijden. Tijdens de jaren 80 in Beiroet, waren er zoveel gewapende milities en groeperingen dat wij maar moeilijk konden onderscheiden wie de helden en wie de schurken waren. Maar we twijfelden er geen moment aan dat mijn vader aan de kant van de helden vocht.
Pas wanneer wij naar de schuilplaats waren vertrokken, ging mijn vader languit op de grond onder alle vijf dikke, brandbestendige dekens liggen die wij als oorlogsrantsoen hebben gekregen. Naast hem lag zijn schetsblok. Mijn vader wilde altijd striptekenaar worden, maar zijn verbeelding liet hem in de steek als het om verhalen schrijven ging. Toch ging hij door met het tekenen van figuren, die nooit iets zeiden – het leken wel kindertekeningen. Het waren tekeningen van schutters en kinderen, maar dan zonder tekst. Hij zei altijd dat hij niet kon schrijven, omdat in zijn leven met ons niets gebeurde.
Op een dag was ik aan het vertellen dat mijn vader ging vechten wanneer wij naar de schuilkelder gingen. Een jongen op school vroeg of ik zijn uniform kon beschrijven. Ik beschreef het uniform dat ik in een van mijn vaders tekeningen had gezien. De dag erop vertelden de buren dat mijn vader meegenomen was door gewapende mannen. Ze waren op zoek naar een uniform. Hetzelfde uniform dat ik beschreven had aan het jongetje. En dat mijn vader glimlachend zei ‘eindelijk, er gaat ’s wat gebeuren.’ Op school vertelde ik dat mijn vader door gewapende mannen was meegenomen, maar dat de helden hem gingen redden.
Maar er gingen weken voorbij. Toen maanden en jaren. De oorlog was voorbij maar er was geen spoor van mijn vader. We moesten daarna noodgedwongen met de rest van de bewoners van onze flat weg, omdat wij ontheemde Palestijnen waren en geen recht hadden daar te blijven na de oorlog. Mama had een briefje op de deur geplakt met ons nieuwe adres, zodat mijn vader het zou zien wanneer hij terugkwam.
Het briefje bleef maanden hangen. Vervolgens haalde de eigenaar van het pand het briefje weg, toen de grondige verbouwing begon van het hele pand. Toen mama dat hoorde, vroeg ze aan mee of ik een stukje voor de krant kon schrijven, dat mijn vader zou aansporen om terug te komen. Ik vertelde haar dat hij vermist was. Ze zei: ‘het is zeker dat hij nog leeft, maar die denkt misschien dat we dood zijn. Daarom doet hij geen moeite ons te zoeken. Schrijf hem maar iets waardoor hij weet dat ons leven niet is zoals hij altijd zei, dat er nooit wat gebeurde. Maar zorg ervoor dat je het steeds op een andere manier schrijft. Je vader is tenslotte een kunstenaar. Hij zou niet willen dat we geen moeite doen om hem te vinden. Als hij ziet dat we de aankondiging telkens op dezelfde manier schrijven, dan denkt hij vast dat we er met de pet naar gooien, dat we hem nooit echt begrepen hebben. Logisch dat hij ons verlaten heeft.’
Dus deed ik dat. Het was mijn eerste poging om iets te schrijven. Mijn moeder heeft geen een keer gevraagd om er iets van te lezen. Zij werkte en gaf me geld om het stukje in de krant te zetten. Toen ik moe werd en haar vroeg of ze het wilde lezen, weigerde ze. Ze zei dat het haar te veel pijn zou doen om het te lezen. Maar ze vertrouwde erop dat wat ik had geschreven overtuigend genoeg was.
Zo zette ik elke maand een paar zinnetjes in de krant, die steeds over hetzelfde gingen, maar dan anders verwoord. Precies zoals mijn vader de liedjes op de radio beschreef, tijdens de bombardementen. Tot mijn vader op een dag terugkwam. Hij was er ellendig aan toe, gevoelens van wanhoop en verdriet tekenden zijn gezicht. Het duurde maar een paar minuten of hij zocht ruzie met me. Dat als ik zou besluiten om een schrijver te worden, hij nooit iets van me zou lezen omdat ik er behoorlijk slecht in was.
Jullie vragen je misschien af wat ik voor de krant schreef, dat maar een paar zinnetjes lang en niet te duur is, maar dat wel zijn aandacht zou trekken. Nou, dat was een overlijdensbericht. Jarenlang plaatste ik ongeveer elke maand een overlijdensbericht over een van mijn drie broers. In het begin hadden ze er een hekel aan, maar op den duur maakten we er grapjes over. Ze vroegen plagend, ‘Wanneer plaats je over jezelf een overlijdensbericht?’ Ze noemden me een fantast. Het was volgens hen een eigenschap die van pas zou komen als ik een schrijven wilde worden.
Mijn vader heeft nooit meer strips getekend. Hij luistert nauwelijks meer naar muziek. Hij denkt dat ik alleen maar schrijf, om hem aan de tijd dat hij ons in de steek gelaten had te herinneren. Maar telkens wanneer hij ruzie met me zoekt open ik een afspeellijst op mijn telefoon en zet het geluid harder. Dan komt hij op me af en zegt, ‘Je bent bang, he? Bang! Zeg het dan! Zeg het!’