De eerste keer dat ik over Den Haag had gehoord, was tijdens een les scheikunde. Esseily vertelde mij erover. We kregen les over een cel die zich splitst in tweeën en vlak daarna met de ander vecht en hem probeert op te eten, tot er één uitgeputte cel overblijft. Die cel is wel iets groter dan de oorspronkelijke cel waar die van gesplitst is. Ik begreep helemaal niets van die les. Esseily ook niet. Hij haalde een papiertje uit zijn zak en streek het glad op zijn boek, zonder dat de lerares het doorhad. Het was een krantenknipsel: een stukje uit een artikel over de negen Nederlandse soldaten die waren overleden tijdens hun dienst voor UNIFIL in het zuiden van Libanon, van 1979 tot 1985 met een foto van het Internationaal Gerechtshof.
Hij wees naar de foto en fluisterde: ‘Ik heb jouw naam genoemd, toen ze mij hadden ondervraagd in de post van het Nederlandse bataljon. Ze gaan alle nodige informatie over je naam opzoeken en ze zullen je veroordelen.’
Dat was alles wat hij die dag tegen mij had gezegd. De rest van die dag zei hij niets meer tegen mij. Hij was boos op me. Ik was tenslotte verantwoordelijk voor de wond in zijn gezicht, die een litteken zou worden. Er waren in die tijd veel veldklinieken van Europese en lokale bataljons opgezet, uit humanitaire overwegingen, maar er was geen Nederlandse te bekennen. Er was een Italiaans bataljon. Maar omdat ik de kleuren van de verschillende landen niet ken en omdat onze moeders altijd waarschuwden om niet in de buurt van vreemden te komen, geloofde ik hem op zijn woord.
Dat was de laatste dag dat ik Essaily heb gezien. Hij was niet op school verschenen de dagen erna. Ik vermoedde dat hij afwezig was vanwege de wond op zijn wang, de twee strepen die op een schaar leken, en die hem pijn deed telkens wanneer hij wilde glimlachen.
Na een paar dagen ging ik naar zijn huis om te kijken hoe het met hem ging, maar geen van zijn boeken, schriften of kleren lagen daar. Ook van zijn vader lag er niets. Zijn vader was taxichauffeur, gescheiden en verhard. Hij praatte nauwelijks met Essaily – de karaktereigenschappen in zijn gezicht waren als een kopie van zijn moeder. De vader ging wel eens met zijn Mercedes bij het hek van school staan, om door de spijlen van het hek tassen vol groenten aan te geven aan Essaily. Hij was niet ouder dan dertien, maar het was zijn taak om het eten klaar te maken wanneer hij thuiskwam van school. Ik kan me herinneren dat er snijbiet, aardappelen, wortels en erwtjes in die tassen zaten en dat de geur ervan soms door de hele klas ging.
Zelf had ik niet zoveel vrienden op school. Niemand vertrouwde mij. Het kwam doordat er leerlingen pronkten met hun goedkope speeltjes die ze meenamen naar school, maar dat speelgoed kon je op geen enkele markt vinden. Bijvoorbeeld een elastische octopus die over je arm kruipt of een bal die van kleur veranderd wanneer je hem laat stuiteren. Ze verdwenen allemaal stuk voor stuk uit de tassen van de leerlingen en verschenen steeds in mijn tas. Ik werd beschuldigd van stelen, maar ik zwoer dat ik me niet kon herinneren dat ik er ook maar iets van heb gestolen. Essaily bevestigde dan haastig dat wanneer ik steel, ik dat dan onderbewust zou doen, net als iemand die slaapwandelt.
Goed. Mijn vriendschap met Essaily begon toen Aal een rekenmachine die werkte op een zonnepaneeltje bij mij vond. Het zat in het examenjaar, twee klassen boven ons. Hij was een van de slimste leerlingen, maar ook de meest gemene. We noemden hem Aal, omdat je het gevoel had getroffen te zijn door een bliksemschicht wanneer hij je beet. Zijn tanden leken wel elektriciteit te geleiden. En het leek wel alsof zijn beet je impotent kon maken, voor de rest van je leven.
Na school stond hij voor me, met alle leerlingen starend om ons heen. Ik stond helemaal paraat, met mijn arm naar hem uitgestoken, zodat hij me kon bijten, terwijl ik ook aan het smeken was. Essaily liep op hem af en fluisterde in zijn oor: ‘Zijn vader zit bij de geheime dienst, hè?’, waardoor Aal achteruit stapte. Mijn vader heeft niets met de geheime dienst te maken, niet eens een beetje. ‘Weet ik’, zei Essaily, ‘maar misschien is hij wel een infiltrant voor de geheime dienst. Wie weet?’
Mijn vader was sinds een paar dagen weer thuis, nadat wij voor een tijd waren verjaagd. Maar nu hij heeft gehoord dat ik het gerucht heb verspreid dat hij misschien bij de geheime dienst zit, heeft hij zijn spullen gepakt en is opnieuw weggegaan. Mijn moeder was woedend en vroeg aan me of ik niet dit gerucht de wereld uit kon helpen, op wat voor manier dan ook. Dus ging ik weer naar Aal, om te bekennen dat mijn vader niet echt bij de geheime dienst zat en dat hij me voor straf na school heus mocht bijten. ‘Ik kan je echt niet vertrouwen’, zei Aal, ‘maar je kunt Essaily wel een lesje leren, als hij echt de leugenaar is zoals jij zegt.’ Ik stemde in met Aal.
Essaily is de enige van wie ik nog nooit had gestolen. Tijdens het tweede uur sloop ik de klas binnen, viste de tas met groenten uit de rugtas van Essaily en lanceerde hem door het raam van het lokaal ernaast en over de muur van de school. Essaily was de hele school afgegaan, op zoek naar de tas, maar zonder succes. Hij was doodsbang en moest erg huilen, want zijn vader zou zeker boos op hem worden en hem straffen. ‘Ik weet dat jij mijn tas hebt gestolen! Probeer alsjeblieft gewoon even te herinneren waar je hem hebt gelaten’, smeekte hij. Ik loog door m’n tanden en zwoer dat ik helemaal niets wist van de tas. De volgende dag kwam hij op school, met die wond op zijn gezicht. Zijn vader had een stoel op hem gegooid, waarvan sommige poten waren gebroken en zijn gezicht hadden gereten.
Sindsdien heb ik hem niet meer gezien en weet ik niet hoe het nu met hem gaat. Maar als iemand in Den Haag een persoon ziet met een litteken in de vorm van een schaar, laat het me alsjeblieft weten.