Denise Meijer
Alice and the Fly
24-08-2015

13/11

Vanavond kwam de bus te laat. Het regende, van die ijskoude winterregen, het soort dat prikt. Zelfs onder het bushokje op Green Avenue werd ik doorweekt omdat de wind de regen tegen me deed aanwaaien. Toen de bus eindelijk aankwam, drupte ik helemaal en was ik zo gevoelloos dat ik mezelf niet eens aan boord kon voelen stappen.

Het was die oudere chauffeur weer, die ene met die snor. Hij gaf me die typische glimlach van hem. Met een lichte frons erin. Een ik-weet-alles-van-jou knikje. Ik liet het geld voor het kaartje in de schaal vallen en hij zei dat ik beter een weekkaart kon kopen, dat was goedkoper. Ik scheurde gewoon mijn kaartje af en hield mijn hoofd omlaag.

De bus zat vol met de gewoonlijke werklui. Gele reflecterende jassen, naambadges van Waitrose. Een schoonmaakster zat te slapen met haar gele rubberen handschoenen nog aan. Niemand die in Skipdale werkt, woont daar ook daadwerkelijk, ze nemen allemaal de bus terug naar de Pitt. Ik liep snel door het middenpad naar mijn gewoonlijke zitplaats, een paar rijen van achteren. We stonden een paar minuten te wachten, luisterend naar het tikkende geluid van de richtingaanwijzer. Ik keek naar de natte waas van regen op de ruit – de weerspiegeling van de lichten, flikkerend in de plassen op de stoep. Toen kwam de motor schuddend tot leven en begon de rit door Skipdale.

Ik voelde me een beetje rillerig vandaag, tussen de eerste paar haltes. Als ik denk aan al die passagiers in de bus, vraag ik me af hoe zij dat elke avond doen. Mensen zitten me niet zozeer dwars. Zij wel. Ik heb een keer gehoord dat Ze nooit meer dan drie meter van een mens vandaan zijn, en ik kan er niets aan doen, maar ik heb het gevoel dat hoe meer mensen er in de buurt zijn, hoe groter de kans is dat Ze dan ook in de buurt zijn. Ik weet dat het stom is.

We kwamen al snel aan bij de Prancing Horse. Zelfs met al die regen kon ik de kleine groep mensen zien die bijeengekropen stond onder het afdak van het bushokje. De deuren gingen sissend open en Man Met Oorhaar strompelde naar binnen, schudde met zijn paraplu en gaf zijn kleingeld. Hij nam plaats op de invalidenplaats voorin en benutte de beenruimte ten volste. De Vrouw Die Niest was de volgende die instapte, ze wurmde zichzelf naast een medewerker van Waitrose, haar lijf puilde uit over het gangpad. Een paar oude dametjes liet hun pasjes zien, op de terugreis van hun dagje uit in de misdaadvrije hoofdstad van Engeland. ‘Het is toch zo’n leuke stad,’ zeiden ze tegen de chauffeur. ‘Het is toch zo’n leuk café, het was toch zulke lekkere vis.’ Hun uitgezakte gezichten waren zo uitdrukkingsloos dat ik ze had kunnen vastpakken en door elkaar had kunnen schudden.

En toen was jij daar met je bos rode krullen en je glimlach, je stapte in om je kaartje te kopen en de warmte kroop door me heen als helium naar mijn hersenen.

Je was nat vandaag. Rillend. Je rook naar ontsmettingsmiddel, sterker dan elke andere werkgeur in de bus. Is het wel legaal dat je daar werkt? De baas heeft waarschijnlijk niet eens door hoe jong je bent. Je ziet er ouder uit. Je bent niet het mooiste meisje van de school, traditioneel gezien dan. Je hebt een spleetje tussen je tanden en je haar zit altijd behoorlijk door de war en je hebt uitgroei, en je draagt altijd een zwarte zonnebril met dikke glazen, wat best gek is. Je hebt een geweldige glimlach, dat wel. Ik liep een keer vlak langs je en toen glimlachte je naar me, alsof we elkaar kenden. Het was maar een kleine glimlach, je wangen gingen bij je mondhoeken precies genoeg omhoog, maar ik kreeg de neiging om mijn hand uit te strekken en ze te strelen, erlangs te strijken met de achterkant van mijn knokkels, zoals Nan altijd bij me deed. Ik weet dat het triest is, maar het is nou eenmaal de waarheid.