Arjwan al Fayle
BY Mazen Maarouf
Backstage van de tijd
05-11-2019

Ik was enorm gevoelig toen ik klein was. Om de onbenulligste redenen moest ik huilen. Het zien van de koeien in kaasreclames deed me al huilen. En soms doordat ik een man met zijn vrouw zag zitten op het balkon, zonder iets tegen elkaar te zeggen. Of wanneer de bejaarde bezemverkoper die stil door onze straat loopt en op zijn schouders meer dan twintig bezems draagt, met houten stelen, om zo bij de rijke buurten te komen. En ook wanneer er jongens uit het gebouw met elkaar vechten of iemand die ik ken of zelfs iemand die ik niet ken iets verliest dat hem dierbaar is.

De mensen uit onze straat waren geschokt door een raketaanval van het leger, dat het leven had gekost van negen jongeren en kinderen uit de buurt. Nu praten ze niet meer wanneer ze naar buiten gaan. Een paar keer heeft mijn moeder mijn tante bezocht, die op de begane grond van ons gebouw woont. Die tante zei dat haar kinderen last hebben van pijn in hun maag, omdat ze niets dan droog brood en thee voor ontbijt aten. Ik kon toen niet stoppen met huilen, ik stikte nagenoeg door het huilen om het verhaal van mijn tante. Maar die avond stal ik de helft van het geld dat ik vond in de portemonnee van mijn moeder en ging naar mijn tante beneden, ik zei dat het van mama was. Mijn beschaamde moeder kon hier niet over liegen, maar ik werd gestraft door mijn handen voor vijf dagen lang niet uit mijn broekzakken te mogen halen. Het punt is dat mijn moeders hele leven al verzopen was in moeilijkheden nadat mijn vader ons verlaten had, en ze niet wist wat mij was overkomen.

Aanvankelijk dacht ze dat ik ongetwijfeld een soort pijn had. Telkens wanneer ik huilde, onderzocht ze mijn lichaam grondig, beetje bij beetje, van het puntje van mijn hoofd tot de onderkant van mijn voet en vroeg de hele tijd door ‘Doet het hier pijn? En hier dan?’. Ik antwoordde, ‘Ik voel helemaal geen pijn’, waardoor zij panikeerde. Toch bracht ze mij niet naar een psycholoog, zodat niemand in de wijk zou zeggen dat haar oudste zoon gek geworden was. In plaats daarvan bracht ze mij naar een fleboloog, omdat hij de enige was die mij voor nop kon onderzoeken. Nadat zijn zoon was overleden, had hij namelijk besloten om per dag tien patiënten kosteloos te onderzoeken.

We moesten acht dagen wachten tot we aan de beurt waren. Ze had me voorbereid door te zeggen, ‘Waag het niet om te gaan huilen wanneer ik vertel over jouw huilbuien.’ Toen we binnen waren, zei ze, ‘Ik weet niet wat zijn probleem is, dokter, maar hij huilt zonder enige reden. Hij heeft waarschijnlijk pijn, maar hij weet niet waar.’ Hij vertelde me dat ik langzaam moest ademen en hij onderzocht mijn borst, mijn ogen, mijn voeten en nam mijn bloeddruk en hartslag op. Achterin was een foto met zijn vrouw en zijn twee dochters. Vanaf het moment dat mijn ogen erop vielen, begonnen mijn tranen te stromen. Hij zei tegen mijn moeder, ‘Met uw toestemming’ en trok mijn broek naar beneden om te kijken of ik een mannelijk of vrouwelijk geslachtsdeel had. Nadat het onderzoek klaar was, zei hij tegen haar, ‘Ik denk niet dat het een lichamelijke kwestie is.’ Hij vroeg mij daarna, ‘Waarom moest je huilen?’ Ik vertelde hem dat ik door de foto moest huilen. Hij zei dat de foto genomen was na het overlijden van zijn zoon en dat iedereen erg ongelukkig was, maar dat het niet te zien was aan de foto en dat mijn verbondenheid met het leed van anderen onomstotelijk bewijs was dat het goed ging met de mensheid. Hij legde daarna uit hoe zijn zoontje zich had vergist tussen zijn plastic pistool, die hij zelf had gekocht en precies leek op zijn echte pistool. Hij had in zijn eigen dij geschoten, terwijl hij een keer ’s avonds ermee aan het spelen was, en was doodgebloed. Ze hadden thuis alle foto’s en spullen van de zoon weggedaan, zodat hij nog maar een gedachte zou zijn die uitgewist zou worden door de tijd. We moesten zien te leven met het verdriet tot er een bril uitgevonden zou worden die de wereld filtert, waardoor we nog alleen maar vrolijke dingen konden zien en die automatisch het zien van alle leed, armoede, bedelaars, onderdrukten en zelfs ook de somberen uit kon zetten.

‘Wat de dokter zegt is onzin,’ zei mijn moeder erna, ‘Ik vertel je één ding! Als je zo gevoelig blijft, zullen mensen op je afknappen en eindig je alleen. Maar wellicht dat jouw gevoeligheid je vader wel naar huis kan lokken.’ Dat was het eerste teken van mijn moeder naar mij toe dat ik iets moest doen om mijn aandoening te begrijpen. Ik kwam erachter dat ik leed aan een soort helderziendheid dat de normale wetenschap te boven gaat. Ik kan het verborgen verdriet zien in de zielen van mensen en dieren, al proberen ze het nog zo goed te verschuilen. Ik kan dat zelfs voelen door te kijken naar een echtpaar zittend op een balkon, dat zijn relaties die op een droevige manier zullen eindigen. Het beste is om mijn gehuil over te brengen naar anderen toe. Het is immers niet rechtvaardig om te huilen om hun gevoelens van verdriet. Zo ging ik, in plaats van huilen, luidkeels aan mensen overbrengen wat er diep van binnen in hen omging.

Ik begon met Bot. Hij was niet zomaar een bot, maar als een dinosaurusbot. Hij was een van de gemeenste kinderen en kwam niet uit onze wijk, maar niemand wist dat hij het meest verdrietig was van iedereen. Toen hij een keer in een heftig gevecht was en een andere jongen, genaamd Hand, in een wurggreep nam omdat die hem een klap had verkocht, voelde ik dat het verdriet in Bot groter werd, telkens wanneer zijn boosheid verergerde. De kinderen uit de straat kwamen erop af en keken, ze gingen met hun ogen van het gevecht naar mij toe, in afwachting van mijn jank uitbarsting.

De kinderen irriteerden mij. Om niet in huilen uit te barsten, liep ik op Bot af, die met al zijn kracht de nek van Hand dichtkneep en hem door zijn knarsende tanden aan uitschelden was, en zei tegen hem, ‘Je bent verdrietig’. Bot leek me niet te horen, maar ik bleef het zinnetje herhalen, voor mijn gevoel onophoudelijk, waardoor mijn wil om te huilen veel minder werd dan de eerste keer dat ik het zinnetje zei. Ik stopte niet met het opdreunen, totdat Bot de nek van Hand los liet. Hand was op zijn beurt uitgeput en zat als een voetballer huilend op het gras.

Ik heb hetzelfde gedaan bij meerdere personen. Totdat het bij mijn moeder gebeurde. Ik was al een tijd gestopt met haar in haar gezicht aankijken. Op een dag vroeg ze aan me, ‘Waarom kijk je niet naar me? Ben je soms boos op mij?’ ‘Nee’, zeg ik. ‘Kijk dan naar mijn gezicht. Voor één seconde maar’, terwijl ze mijn hoofd vasthield en naar haar probeerde te draaien. Ik probeerde weg te komen en zei, ‘Ik wil niet…’. Ze liet me los, omdat mijn woorden haar pijn deden. Ik voegde toe, ‘omdat jouw gezicht het meest verdrietige is. Wanneer je slaapt en ik naar je kijk, moet ik ervan huilen.’

‘Doe er dan wat aan om je vader terug te krijgen’, zei ze.

Dit is een stukje achter de schermen van mijn eerste blog. Toen ik er zaterdag op het podium naar gevraagd werd kon ik er niet op komen. Daarom schrijf ik het hier op.

Arjwan al Fayle
18-11-19

Toen ik teruggekeerd was uit DH, was ik gefascineerd door de jonge vertalers die ik had ontmoet. Ik besloot me in te schrijven voor IJslandse taalles, wat ik een keer eerder had geprobeerd in 2012. Een paar maanden daarvoor was ik aangekomen in IJsland, bereid om Beiroet en alles wat daarin was gebeurd te vergeten. Totdat mijn taaldocent in de eerste les tegen mij zei, ‘Van nu af aan zal je naam Máni zijn.’ Ik was verbijsterd. Door die benaming ben ik nooit meer teruggegaan naar de IJslandse taalles. De docent had me die dag verteld dat Máni maan betekent, maar zag mijn verwarring. Hij zei grappend, ‘Je ziet eruit als je net een misdrijf hebt gepleegd.’ Het was niet de eerste keer dat ik de naam Máni had gehoord. Ik kende het woord al voordat in IJsland was aangekomen. In het Libanese dialect betekent het natuurlijk niet maan, maar komt het van mauna. Als je tegen iemand ta-mun, dan betekent het dat je hem geen verzoek kunt weigeren.

Zo heette de portier van ons gebouw, of zo noemde iedereen hem in ieder geval, Máni, voordat hij zonder enkel spoor was verdwenen. Ik kon me zijn echte naam niet herinneren. Hij kwam uit Libië en hij vocht met de PLO in Beiroet. Hij mocht niet met de PLO mee, toen ze vertrokken uit Beiroet in 1982, aangezien hij geen Palestijn was. Dus bleef hij in Beiroet.

De samenstelling van ons gezin bestond in die tijd uit drie zoons, een vader en een moeder. Ik was de oudste. Maar ik kon veel dingen maar moeilijk begrijpen. Waarom werkte mijn moeder bijvoorbeeld niet? En waarom ruzieden mijn vader en mijn moeder in het weekend? En waarom deed Máni alles voor iedereen in het gebouw met veel hart en in stilte, zonder er iets voor terug te krijgen? In het gebouw werd gezegd dat hij deed, omdat hij bang was dat hij iemand zou klagen en hij teruggestuurd zou worden naar zijn land. Hij was nu eenmaal naar Beiroet gekomen, omdat hij politieke problemen had in Libië en niet omdat hij zo sterk voelde over de Palestijnse kwestie. Hij had een vrouw en kinderen, waarop hij wachtte mee herenigd te worden. Mijn vader werkte in een ziekenhuis. Alleen de nachtdienst. Mijn moeder zei dat hij opzettelijk de nachtdienst koos, zodat hij niet met ons hoefde om te gaan. Hij sliep de hele dag en wanneer we terugkwamen van school, was het tijd voor hem om naar het ziekenhuis te gaan en zijn dienst te beginnen, die duurde van 5 uur ’s middags tot 5 uur ’s ochtends. Wij hadden op school aanvullende lesuren, zodat de uren die we misten tijdens de oorlog gecompenseerd werden. Wanneer mijn vader thuiskwam van het ziekenhuis in de ochtend, waren mijn broers en ik ons aan het klaarmaken voor school.

Naast zijn taken om vuilnis weg te gooien en het schoonvegen van alle zeven verdiepingen van het gebouw, maakte Máni ook elk huis elke week schoon, voor een kleine vergoeding die eerder leek op fooi. Iedereen vertrouwde hem zijn huis toe, omdat hij meestal stil en uiterst beleefd is. Ik kan me niet herinneren dat we hem ooit hebben horen klagen.

De vrije dagen van mijn vader waren hetzelfde als die van ons, zaterdag en zondag. Maar die twee dagen bracht hij vaak ruziënd door met mijn moeder. Door de nachtdiensten had mijn vader geen vrienden, behalve zijn collega’s op werk van de nachtdienst, die net als hem slapen gedurende de dag en elkaar nooit buiten het ziekenhuis zagen. Ondanks hun constante ruzies, wilde mijn vader en moeder hun relatie wel beter maken. Mijn moeder had voorgesteld dat hij met ons zou wandelen op zaterdag. Hij sliep een paar uurtjes maar in de ochtend, nadat hij terug was uit het ziekenhuis, waarna zij hem wakker maakte en zei, ‘De kinderen hebben hun kleren al aan en staan op je te wachten.’ Ze had dat met ons afgesproken, als een drukmiddel op hem. Mijn vader opende dan langzaam zijn ogen en stond enorm traag op. We gingen altijd naar dezelfde plek. De promenade die vol zat met putten door de raketaanslagen.

Naast de vele bewoners van Beiroet, die voor het eerst in vijftien jaar de kans hadden om naar de zee te kijken met een gerust hart, was de promenade druk met verkopers. Speelgoed, boontjes, suikerspin en pinda’s lieten ons de hele tijd watertanden. Mijn vader gaf al die dingen nauwelijks aandacht, hij deed niets anders dan alle voorbijgangers inspecteren, groot of klein. Hij staarde ze aan en probeerde erachter te komen aan wat voor ziektes ze leden, door naar hun oogwit te kijken of hun huid, handen of hoe gezond hun haar eruit zag, hun vingers of hoe ze liepen. Dat kwam allemaal doordat mijn vader dokter wilde worden. Soms ging hij zelfs tegen een diagnose in of een bepaalde mening van een dokter in het ziekenhuis. Hij ging weleens zo ver, dat hij de diagnose of rapport van de dokter had aangepast, waarna hij een waarschuwing kreeg en vervolgens weggestuurd werd van het ziekenhuis. Maar de buren noemden heb alsnog ‘de dokter’. We schaamden ons als we met hem liepen. Mijn vader merkte ook wel op dat wij ons geneerden, dus besloot hij op een bankje te gaan zitten op de promenade en wij moesten dan in zijn buurt spelen. Hij zei tegen mij, ‘Jij bent de oudste, let goed op je broertjes. Kijk maar naar de vissers, maar niet te dichtbij op de rotsen gaan staan.’ Hij zat dan op het bankje, met zijn hand op zijn wang als steun en ging slapen. Het was duidelijk dat hij vermoeid was.

Tot Máni een keer langsliep op de promenade. Hij kwam dichterbij mijn slapende vader en zei ‘Dokter… dokter,’ en na een kort gesprek waren ze erover uit dat Máni met ons zou gaan wandelen in plaats van onze vader. Mijn vader kon naar de moskee aan het einde van de promenade en zou daar verder slapen. Na twee of drie uurtjes ging Máni de moskee in om hem wakker te maken. Ik kan me niet veel herinneren van onze wandelingen met Máni, behalve die ene keer dat hij ons zijn kinderen had genoemd.

We liepen langs een kar die boontjes verkocht en broodjes. Het was lunchtijd en we kregen trek, zeker door de geur van de boontjes met kruiden en citroen, waardoor we watertandend om de kar bleven hangen. ‘Willen jullie een bordje,’ vroeg Máni, maar ik zei ‘Nee, bedankt.’, omdat ik wist dat Máni erg arm was. ‘Ik koop een klein bordje voor ons om te delen.’ Máni kocht een bordje gekookte boontjes met zout, citroen en komijn en vroeg aan de verkoper om vier tandenstokers om ze mee op te eten. Plotseling zei hij tegen de verkoper, ‘Dat zijn mijn kinderen. Kijk hoe lief ze zijn!’

We waren stomverbaasd. We keken elkaar aan en barstte in lachen uit en verstopten onze monden achter onze handen. We hadden dit soort lef niet achter Máni gezocht. We vertelden niets hiervan aan onze moeder, uit angst dat ze dan weer ruzie kreeg met mijn vader en ze zouden gaan scheiden. Elke keer kocht Máni wel iets voor ons. Boontjes, vlinderbloemzaden, suikerspin, kauwgom. We keerden vrolijk terug naar huis en mijn vader ook, nadat hij genoeg slaap heeft gehad in de moskee. Langzamerhand verbeterde de relatie tussen mijn vader en moeder, want mijn moeder begon hem te zien als een verantwoordelijke echtgenoot en goede vader. Ze beleefden opnieuw hun wittebroodsweken, door toedoen van Máni. Tot mijn vader op een dag had besloten om in plaats van naar de moskee, naar ons huis te gaan om wat tijd privé met mama door te brengen. Ons appartement was toen eigenlijk maar één kamer, die in tweeën werd gesplitst door een gordijn.

Mijn moeder deed de deur voor hem open en riep meteen, ‘Waar zijn de kinderen?!’ Hij vertelde haar dat Máni ons had meegenomen, waardoor ze dacht dat hij ons had ontvoerd. Ze liep door het gebouw, gillend dat Máni ons had ontvoerd. Mijn vader durfde zijn fout niet toe te geven, omdat hij anders een slechte naam zou krijgen in de wijk. Ik kon me nog herinneren dat we terugkwamen bij ons gebouw en de bewoners zich flink lieten uitleven op Máni. Ze sloegen hem en gooiden zijn spullen op straat. Ik hoorde hun beschuldigingen aan en uit angst dat mijn vader voor leugenaar uitgemaakt werd, zei ik dat Máni ons inderdaad had ontvoerd, maar dat hij onderweg bang werd en ons toch maar snel weer terugbracht. En dat hij een mes had, maar ik beschreef het mes dat ik van de bonenverkoper op de promenade had gezien. Toen kwam de politie om hem mee te nemen naar het bureau.

We hebben Máni daarna nooit meer gezien. Sommige mensen zeiden dat hij naar Libië was uitgezet en daar was geëxecuteerd. Maar ik bleef maar aan hem denken, in de hoop dat waar ik ook heen zou reizen ik hem een keer tegen het lijf zou lopen en me zou verontschuldigen. Zijn verschrokken gezichtsuitdrukking stond in mijn geheugen gegrift, terwijl hij huilde en smeekte en zwoer dat hij niets fout had gedaan. Daarom ben ik nooit meer teruggegaan naar IJslandse taalles, nadat de docent mij Máni had genoemd. Elk woord in een nieuwe taal, kan zo maar een sleutel zijn voor wat voor trauma dan ook.

05-11-19

Ik was enorm gevoelig toen ik klein was. Om de onbenulligste redenen moest ik huilen. Het zien van de koeien in kaasreclames deed me al huilen. En soms doordat ik een man met zijn vrouw zag zitten op het balkon, zonder iets tegen elkaar te zeggen. Of wanneer de bejaarde bezemverkoper die stil door onze straat loopt en op zijn schouders meer dan twintig bezems draagt, met houten stelen, om zo bij de rijke buurten te komen. En ook wanneer er jongens uit het gebouw met elkaar vechten of iemand die ik ken of zelfs iemand die ik niet ken iets verliest dat hem dierbaar is.

De mensen uit onze straat waren geschokt door een raketaanval van het leger, dat het leven had gekost van negen jongeren en kinderen uit de buurt. Nu praten ze niet meer wanneer ze naar buiten gaan. Een paar keer heeft mijn moeder mijn tante bezocht, die op de begane grond van ons gebouw woont. Die tante zei dat haar kinderen last hebben van pijn in hun maag, omdat ze niets dan droog brood en thee voor ontbijt aten. Ik kon toen niet stoppen met huilen, ik stikte nagenoeg door het huilen om het verhaal van mijn tante. Maar die avond stal ik de helft van het geld dat ik vond in de portemonnee van mijn moeder en ging naar mijn tante beneden, ik zei dat het van mama was. Mijn beschaamde moeder kon hier niet over liegen, maar ik werd gestraft door mijn handen voor vijf dagen lang niet uit mijn broekzakken te mogen halen. Het punt is dat mijn moeders hele leven al verzopen was in moeilijkheden nadat mijn vader ons verlaten had, en ze niet wist wat mij was overkomen.

Aanvankelijk dacht ze dat ik ongetwijfeld een soort pijn had. Telkens wanneer ik huilde, onderzocht ze mijn lichaam grondig, beetje bij beetje, van het puntje van mijn hoofd tot de onderkant van mijn voet en vroeg de hele tijd door ‘Doet het hier pijn? En hier dan?’. Ik antwoordde, ‘Ik voel helemaal geen pijn’, waardoor zij panikeerde. Toch bracht ze mij niet naar een psycholoog, zodat niemand in de wijk zou zeggen dat haar oudste zoon gek geworden was. In plaats daarvan bracht ze mij naar een fleboloog, omdat hij de enige was die mij voor nop kon onderzoeken. Nadat zijn zoon was overleden, had hij namelijk besloten om per dag tien patiënten kosteloos te onderzoeken.

We moesten acht dagen wachten tot we aan de beurt waren. Ze had me voorbereid door te zeggen, ‘Waag het niet om te gaan huilen wanneer ik vertel over jouw huilbuien.’ Toen we binnen waren, zei ze, ‘Ik weet niet wat zijn probleem is, dokter, maar hij huilt zonder enige reden. Hij heeft waarschijnlijk pijn, maar hij weet niet waar.’ Hij vertelde me dat ik langzaam moest ademen en hij onderzocht mijn borst, mijn ogen, mijn voeten en nam mijn bloeddruk en hartslag op. Achterin was een foto met zijn vrouw en zijn twee dochters. Vanaf het moment dat mijn ogen erop vielen, begonnen mijn tranen te stromen. Hij zei tegen mijn moeder, ‘Met uw toestemming’ en trok mijn broek naar beneden om te kijken of ik een mannelijk of vrouwelijk geslachtsdeel had. Nadat het onderzoek klaar was, zei hij tegen haar, ‘Ik denk niet dat het een lichamelijke kwestie is.’ Hij vroeg mij daarna, ‘Waarom moest je huilen?’ Ik vertelde hem dat ik door de foto moest huilen. Hij zei dat de foto genomen was na het overlijden van zijn zoon en dat iedereen erg ongelukkig was, maar dat het niet te zien was aan de foto en dat mijn verbondenheid met het leed van anderen onomstotelijk bewijs was dat het goed ging met de mensheid. Hij legde daarna uit hoe zijn zoontje zich had vergist tussen zijn plastic pistool, die hij zelf had gekocht en precies leek op zijn echte pistool. Hij had in zijn eigen dij geschoten, terwijl hij een keer ’s avonds ermee aan het spelen was, en was doodgebloed. Ze hadden thuis alle foto’s en spullen van de zoon weggedaan, zodat hij nog maar een gedachte zou zijn die uitgewist zou worden door de tijd. We moesten zien te leven met het verdriet tot er een bril uitgevonden zou worden die de wereld filtert, waardoor we nog alleen maar vrolijke dingen konden zien en die automatisch het zien van alle leed, armoede, bedelaars, onderdrukten en zelfs ook de somberen uit kon zetten.

‘Wat de dokter zegt is onzin,’ zei mijn moeder erna, ‘Ik vertel je één ding! Als je zo gevoelig blijft, zullen mensen op je afknappen en eindig je alleen. Maar wellicht dat jouw gevoeligheid je vader wel naar huis kan lokken.’ Dat was het eerste teken van mijn moeder naar mij toe dat ik iets moest doen om mijn aandoening te begrijpen. Ik kwam erachter dat ik leed aan een soort helderziendheid dat de normale wetenschap te boven gaat. Ik kan het verborgen verdriet zien in de zielen van mensen en dieren, al proberen ze het nog zo goed te verschuilen. Ik kan dat zelfs voelen door te kijken naar een echtpaar zittend op een balkon, dat zijn relaties die op een droevige manier zullen eindigen. Het beste is om mijn gehuil over te brengen naar anderen toe. Het is immers niet rechtvaardig om te huilen om hun gevoelens van verdriet. Zo ging ik, in plaats van huilen, luidkeels aan mensen overbrengen wat er diep van binnen in hen omging.

Ik begon met Bot. Hij was niet zomaar een bot, maar als een dinosaurusbot. Hij was een van de gemeenste kinderen en kwam niet uit onze wijk, maar niemand wist dat hij het meest verdrietig was van iedereen. Toen hij een keer in een heftig gevecht was en een andere jongen, genaamd Hand, in een wurggreep nam omdat die hem een klap had verkocht, voelde ik dat het verdriet in Bot groter werd, telkens wanneer zijn boosheid verergerde. De kinderen uit de straat kwamen erop af en keken, ze gingen met hun ogen van het gevecht naar mij toe, in afwachting van mijn jank uitbarsting.

De kinderen irriteerden mij. Om niet in huilen uit te barsten, liep ik op Bot af, die met al zijn kracht de nek van Hand dichtkneep en hem door zijn knarsende tanden aan uitschelden was, en zei tegen hem, ‘Je bent verdrietig’. Bot leek me niet te horen, maar ik bleef het zinnetje herhalen, voor mijn gevoel onophoudelijk, waardoor mijn wil om te huilen veel minder werd dan de eerste keer dat ik het zinnetje zei. Ik stopte niet met het opdreunen, totdat Bot de nek van Hand los liet. Hand was op zijn beurt uitgeput en zat als een voetballer huilend op het gras.

Ik heb hetzelfde gedaan bij meerdere personen. Totdat het bij mijn moeder gebeurde. Ik was al een tijd gestopt met haar in haar gezicht aankijken. Op een dag vroeg ze aan me, ‘Waarom kijk je niet naar me? Ben je soms boos op mij?’ ‘Nee’, zeg ik. ‘Kijk dan naar mijn gezicht. Voor één seconde maar’, terwijl ze mijn hoofd vasthield en naar haar probeerde te draaien. Ik probeerde weg te komen en zei, ‘Ik wil niet…’. Ze liet me los, omdat mijn woorden haar pijn deden. Ik voegde toe, ‘omdat jouw gezicht het meest verdrietige is. Wanneer je slaapt en ik naar je kijk, moet ik ervan huilen.’

‘Doe er dan wat aan om je vader terug te krijgen’, zei ze.

Dit is een stukje achter de schermen van mijn eerste blog. Toen ik er zaterdag op het podium naar gevraagd werd kon ik er niet op komen. Daarom schrijf ik het hier op.

02-11-19

Gisteren was mijn eerste dag op het Crossing Border festival. Drie dagen geleden kreeg ik het nieuws te horen dat een Afrikaanse vrouwenband geen visum kon krijgen om naar Den Haag af te reizen. Ik besloot dat ik hier later aandacht aan zou besteden, maar niet nu. Ik waste mijn haren, zonder te douchen, terwijl ik dacht aan de pech van die vrouwenband – het was het enige wat ik echt wilde zien op het festival – en hardop zei ‘no Crossing Border… no Crossing Border…’. Daarna ging ik naar beneden om te ontbijten in het restaurant van het hotel.

Ik at twee omeletten tegelijkertijd, omdat de serveerster een foutje had gemaakt en echt dacht dat ik twee omeletten voor ontbijt wilde. Ze zei dat ze niet zeker wist of ze nu een fout had gemaakt met de bestelling opnemen en dat ze zich ook niet meer kon herinneren of ik mijn eieren goed doorgebakken wilde of niet. Ze was er vandaag niet bij met haar hoofd, want… en toen ze bij het woord ‘want’ aankwam, kreeg ik het gevoel dat ze elk moment in tranen kon uitbarsten. Ik onderbrak haar en zei dat alles helemaal naar wens was en dat ze hopelijk nog een goede dag zou hebben. Ze ging verward weer weg. Blijkbaar had ik ‘een goede dag’ met zo’n toontje gezegd dat het leek alsof ik meteen na het ontbijt naar de directeur van het hotel zou gaan om een klacht tegen haar in te dienen. Op mijn telefoon open ik de website van krant De R., zoals ik elke dag doe. Ik las alleen de geheimen-column, die eigenlijk niet meer behelst dan anonieme roddels over wat er achter de politieke schermen gebeurt in het Midden-Oosten. Ik sloot de pagina weer en voelde helemaal geen drang om erachter te ontrafelen wie wat is overkomen.

Daarna ging ik terug naar mijn kamer en bracht een aanzienlijke tijd door in de badkamer. Ik krijg altijd enorme diarree van niet goed doorbakken eieren. Ik had niet echt een plan voor wat ik overdag wilde doen. Ik besloot te gaan wandelen door de straten van Den Haag, misschien dat ik per toeval een man met een litteken op zijn gezicht tegen het lijf loop. Het idee van de man met het litteken op zijn gezicht zoeken sprak mij zo aan, dat ik besloot dit tot het doel voor de rest van mijn dag te maken.

Het begon zachtjes te regenen. De regen bedekte de straten met een dun laagje water, waardoor de weerkaatsing van de voorbijgangers niets anders kon zijn dan hoe zij eruit zouden zien wanneer ze oud werden. En als de weerkaatsing niet op hun oudere zelf leek, dan betekent het dat ze zouden komen te overlijden voordat ze ouderdom bereikten. Ik kom geen man tegen met een litteken op zijn gezicht. Misschien is het niet te doen om zulk soort mensen tegen het lijf te lopen in Den Haag. Het lijkt wel alsof alle mensen om mij heen op straat ziek zijn.

Ik probeer uit hun ogen op te maken aan wat voor ziekte zij lijden. Net toen ik besloten had dat er geen tijd meer was om mijn eigen reflectie in het winterse water te bekijken, viel mijn blik op een duif, in complete rust, op de stoep. Hij zat vast in een omgekeerde, papieren zak. Geen van de voorbijgangers doet de moeite om de zak van de duif te halen. Ik denk dat het misschien komt doordat het zo’n duif is die we weleens verpletterd langs de weg zien en niemand precies weet wat ermee is gebeurd. Ik blijf staan om te kijken of een fiets de duif aanrijdt en hem vermorzelt. Het is heel makkelijk voor een gehaaste fietser om de duif aan te zien voor een papieren zak. Maar dat gebeurt niet. Misschien wil niemand tijd verspillen aan het vermorzelen van een duif in een papieren zak, hoewel het eigenlijk alleen gaat om een paar momenten. Even de fiets opzij, de zak dichtknopen met de duif erin en in de dichtstbijzijnde prullenbak gooien.

Dat ik even stil was gaan staan om naar de duif te kijken, in plaats van door te zoeken naar de man met het litteken op zijn gezicht, maakte een gevoel van ergernis bij me los. Zoals mij wel vaker is verteld, heb ik gebrek aan helderheid. Het is zomaar mogelijk dat, terwijl ik aan het wachten was op het lot van de duif, ik de man met het litteken helemaal heb gemist. De duif was er zelf kennelijk ook klaar mee en probeerde voor de eerste keer sinds ik naar hem keek, uit de zak te komen. Maar het geluid van de veren van de duif die tegen de papieren zak wreven klonk wel honderd keer zo hard. Alsof iemand ver hier vandaag het geluid van de wereld ineens op z’n hardst zette, waardoor niets meer te verdragen was.

Ik leg mijn hand op mijn linkeroor, omdat de rechter het niet meer doet, sinds ik een flinke klap had gekregen van mijn leraar Engels in groep drie. Ik ren terug naar mijn kamer. In ieder geval had ik een goed excuus voor het niet ontmoeten van drie schrijvers, een uitgever en een moderator, met wie ik toch al geen zin had om te praten, voordat alles in de avond zou beginnen.

01-11-19

De eerste keer dat ik over Den Haag had gehoord, was tijdens een les scheikunde. Esseily vertelde mij erover. We kregen les over een cel die zich splitst in tweeën en vlak daarna met de ander vecht en hem probeert op te eten, tot er één uitgeputte cel overblijft. Die cel is wel iets groter dan de oorspronkelijke cel waar die van gesplitst is. Ik begreep helemaal niets van die les. Esseily ook niet. Hij haalde een papiertje uit zijn zak en streek het glad op zijn boek, zonder dat de lerares het doorhad. Het was een krantenknipsel: een stukje uit een artikel over de negen Nederlandse soldaten die waren overleden tijdens hun dienst voor UNIFIL in het zuiden van Libanon, van 1979 tot 1985 met een foto van het Internationaal Gerechtshof.

Hij wees naar de foto en fluisterde: ‘Ik heb jouw naam genoemd, toen ze mij hadden ondervraagd in de post van het Nederlandse bataljon. Ze gaan alle nodige informatie over je naam opzoeken en ze zullen je veroordelen.’

Dat was alles wat hij die dag tegen mij had gezegd. De rest van die dag zei hij niets meer tegen mij. Hij was boos op me. Ik was tenslotte verantwoordelijk voor de wond in zijn gezicht, die een litteken zou worden. Er waren in die tijd veel veldklinieken van Europese en lokale bataljons opgezet, uit humanitaire overwegingen, maar er was geen Nederlandse te bekennen. Er was een Italiaans bataljon. Maar omdat ik de kleuren van de verschillende landen niet ken en omdat onze moeders altijd waarschuwden om niet in de buurt van vreemden te komen, geloofde ik hem op zijn woord.

Dat was de laatste dag dat ik Essaily heb gezien. Hij was niet op school verschenen de dagen erna. Ik vermoedde dat hij afwezig was vanwege de wond op zijn wang, de twee strepen die op een schaar leken, en die hem pijn deed telkens wanneer hij wilde glimlachen.

Na een paar dagen ging ik naar zijn huis om te kijken hoe het met hem ging, maar geen van zijn boeken, schriften of kleren lagen daar. Ook van zijn vader lag er niets. Zijn vader was taxichauffeur, gescheiden en verhard. Hij praatte nauwelijks met Essaily – de karaktereigenschappen in zijn gezicht waren als een kopie van zijn moeder. De vader ging wel eens met zijn Mercedes bij het hek van school staan, om door de spijlen van het hek tassen vol groenten aan te geven aan Essaily. Hij was niet ouder dan dertien, maar het was zijn taak om het eten klaar te maken wanneer hij thuiskwam van school. Ik kan me herinneren dat er snijbiet, aardappelen, wortels en erwtjes in die tassen zaten en dat de geur ervan soms door de hele klas ging.

Zelf had ik niet zoveel vrienden op school. Niemand vertrouwde mij. Het kwam doordat er leerlingen pronkten met hun goedkope speeltjes die ze meenamen naar school, maar dat speelgoed kon je op geen enkele markt vinden. Bijvoorbeeld een elastische octopus die over je arm kruipt of een bal die van kleur veranderd wanneer je hem laat stuiteren. Ze verdwenen allemaal stuk voor stuk uit de tassen van de leerlingen en verschenen steeds in mijn tas. Ik werd beschuldigd van stelen, maar ik zwoer dat ik me niet kon herinneren dat ik er ook maar iets van heb gestolen. Essaily bevestigde dan haastig dat wanneer ik steel, ik dat dan onderbewust zou doen, net als iemand die slaapwandelt.

Goed. Mijn vriendschap met Essaily begon toen Aal een rekenmachine die werkte op een zonnepaneeltje bij mij vond. Het zat in het examenjaar, twee klassen boven ons. Hij was een van de slimste leerlingen, maar ook de meest gemene. We noemden hem Aal, omdat je het gevoel had getroffen te zijn door een bliksemschicht wanneer hij je beet. Zijn tanden leken wel elektriciteit te geleiden. En het leek wel alsof zijn beet je impotent kon maken, voor de rest van je leven.

Na school stond hij voor me, met alle leerlingen starend om ons heen. Ik stond helemaal paraat, met mijn arm naar hem uitgestoken, zodat hij me kon bijten, terwijl ik ook aan het smeken was. Essaily liep op hem af en fluisterde in zijn oor: ‘Zijn vader zit bij de geheime dienst, hè?’, waardoor Aal achteruit stapte. Mijn vader heeft niets met de geheime dienst te maken, niet eens een beetje. ‘Weet ik’, zei Essaily, ‘maar misschien is hij wel een infiltrant voor de geheime dienst. Wie weet?’

Mijn vader was sinds een paar dagen weer thuis, nadat wij voor een tijd waren verjaagd. Maar nu hij heeft gehoord dat ik het gerucht heb verspreid dat hij misschien bij de geheime dienst zit, heeft hij zijn spullen gepakt en is opnieuw weggegaan. Mijn moeder was woedend en vroeg aan me of ik niet dit gerucht de wereld uit kon helpen, op wat voor manier dan ook. Dus ging ik weer naar Aal, om te bekennen dat mijn vader niet echt bij de geheime dienst zat en dat hij me voor straf na school heus mocht bijten. ‘Ik kan je echt niet vertrouwen’, zei Aal, ‘maar je kunt Essaily wel een lesje leren, als hij echt de leugenaar is zoals jij zegt.’ Ik stemde in met Aal.

Essaily is de enige van wie ik nog nooit had gestolen. Tijdens het tweede uur sloop ik de klas binnen, viste de tas met groenten uit de rugtas van Essaily en lanceerde hem door het raam van het lokaal ernaast en over de muur van de school. Essaily was de hele school afgegaan, op zoek naar de tas, maar zonder succes. Hij was doodsbang en moest erg huilen, want zijn vader zou zeker boos op hem worden en hem straffen. ‘Ik weet dat jij mijn tas hebt gestolen! Probeer alsjeblieft gewoon even te herinneren waar je hem hebt gelaten’, smeekte hij. Ik loog door m’n tanden en zwoer dat ik helemaal niets wist van de tas. De volgende dag kwam hij op school, met die wond op zijn gezicht. Zijn vader had een stoel op hem gegooid, waarvan sommige poten waren gebroken en zijn gezicht hadden gereten.

Sindsdien heb ik hem niet meer gezien en weet ik niet hoe het nu met hem gaat. Maar als iemand in Den Haag een persoon ziet met een litteken in de vorm van een schaar, laat het me alsjeblieft weten.

10-10-19

Vaak vermijd ik het om autobiografisch te schrijven. Ik ben daar gewoon niet zo goed in. Het zoeken naar mijn verleden vind ik lijken op het zoeken naar een vormeloze schaduw die de vorm van elk ander persoon in wat voor moment dan ook kan aannemen. Daarom praat ik uiteindelijk over de mensen die ik het liefst zou willen zijn. Mijn vader is absoluut niet zo iemand, maar toch schrijf ik graag over hem. Niet omdat we het zo vaak oneens zijn, maar omdat hij heeft besloten nooit iets van mij te zullen lezen. Telkens wanneer hij zei: ‘ik lees niet wat jij schrijft’, antwoordde ik, ‘dat is maar goed ook, dan kan ik over je schrijven wat ik wil.’

Tijdens de Libanese burgeroorlog was mijn vader alleen bang als wij bij hem waren. Wanneer hij alleen was, kon het hem niet schelen. Zijn angst was dat wij voor zijn ogen zouden sterven, waardoor hij steeds aan ons zou moeten denken. Dat wilde hij niet. Ik heb hem dat weleens horen zeggen tegen mijn moeder. En dat hij het gevoel had zo iemand te zijn die geboren is om in leven te blijven, terwijl iedereen om hem heen sterft. Telkens wanneer de gevechten op straat oplaaiden, kon hij alleen maar de radio op z’n hardst zetten, zodat het geraas van de bombardementen buiten werd overstemd. We twijfelden er geen moment aan dat hij bang was.

Het lukt hem altijd een liedje te vinden dat wij nog niet eerder hadden gehoord. Pop, rock, folklore, jazz, klassiek… altijd maar muziek. Telkens wanneer we hem vroegen om de betekenis van het liedje uit te leggen, legde hij uit dat het om een persoon ging die nooit wat meemaakte. En dat dit hetzelfde liedje was dat we de vorige keer hadden gehoord. Als kinderen begrepen we er helemaal niets van dat het mijn vader keer op keer lukte om hetzelfde liedje te vinden, maar dan anders gecomponeerd. We dachten ook dat hij er bij ons op aandrong om naar de schuilplaats te gaan, zodat hij met de schutters zou kunnen gaan strijden. Tijdens de jaren 80 in Beiroet, waren er zoveel gewapende milities en groeperingen dat wij maar moeilijk konden onderscheiden wie de helden en wie de schurken waren. Maar we twijfelden er geen moment aan dat mijn vader aan de kant van de helden vocht.

Pas wanneer wij naar de schuilplaats waren vertrokken, ging mijn vader languit op de grond onder alle vijf dikke, brandbestendige dekens liggen die wij als oorlogsrantsoen hebben gekregen. Naast hem lag zijn schetsblok. Mijn vader wilde altijd striptekenaar worden, maar zijn verbeelding liet hem in de steek als het om verhalen schrijven ging. Toch ging hij door met het tekenen van figuren, die nooit iets zeiden – het leken wel kindertekeningen. Het waren tekeningen van schutters en kinderen, maar dan zonder tekst. Hij zei altijd dat hij niet kon schrijven, omdat in zijn leven met ons niets gebeurde.

Op een dag was ik aan het vertellen dat mijn vader ging vechten wanneer wij naar de schuilkelder gingen. Een jongen op school vroeg of ik zijn uniform kon beschrijven. Ik beschreef het uniform dat ik in een van mijn vaders tekeningen had gezien. De dag erop vertelden de buren dat mijn vader meegenomen was door gewapende mannen. Ze waren op zoek naar een uniform. Hetzelfde uniform dat ik beschreven had aan het jongetje. En dat mijn vader glimlachend zei ‘eindelijk, er gaat ’s wat gebeuren.’ Op school vertelde ik dat mijn vader door gewapende mannen was meegenomen, maar dat de helden hem gingen redden.

Maar er gingen weken voorbij. Toen maanden en jaren. De oorlog was voorbij maar er was geen spoor van mijn vader. We moesten daarna noodgedwongen met de rest van de bewoners van onze flat weg, omdat wij ontheemde Palestijnen waren en geen recht hadden daar te blijven na de oorlog. Mama had een briefje op de deur geplakt met ons nieuwe adres, zodat mijn vader het zou zien wanneer hij terugkwam.

Het briefje bleef maanden hangen. Vervolgens haalde de eigenaar van het pand het briefje weg, toen de grondige verbouwing begon van het hele pand. Toen mama dat hoorde, vroeg ze aan mee of ik een stukje voor de krant kon schrijven, dat mijn vader zou aansporen om terug te komen. Ik vertelde haar dat hij vermist was. Ze zei: ‘het is zeker dat hij nog leeft, maar die denkt misschien dat we dood zijn. Daarom doet hij geen moeite ons te zoeken. Schrijf hem maar iets waardoor hij weet dat ons leven niet is zoals hij altijd zei, dat er nooit wat gebeurde. Maar zorg ervoor dat je het steeds op een andere manier schrijft. Je vader is tenslotte een kunstenaar. Hij zou niet willen dat we geen moeite doen om hem te vinden. Als hij ziet dat we de aankondiging telkens op dezelfde manier schrijven, dan denkt hij vast dat we er met de pet naar gooien, dat we hem nooit echt begrepen hebben. Logisch dat hij ons verlaten heeft.’

Dus deed ik dat. Het was mijn eerste poging om iets te schrijven. Mijn moeder heeft geen een keer gevraagd om er iets van te lezen. Zij werkte en gaf me geld om het stukje in de krant te zetten. Toen ik moe werd en haar vroeg of ze het wilde lezen, weigerde ze. Ze zei dat het haar te veel pijn zou doen om het te lezen. Maar ze vertrouwde erop dat wat ik had geschreven overtuigend genoeg was.

Zo zette ik elke maand een paar zinnetjes in de krant, die steeds over hetzelfde gingen, maar dan anders verwoord. Precies zoals mijn vader de liedjes op de radio beschreef, tijdens de bombardementen. Tot mijn vader op een dag terugkwam. Hij was er ellendig aan toe, gevoelens van wanhoop en verdriet tekenden zijn gezicht. Het duurde maar een paar minuten of hij zocht ruzie met me. Dat als ik zou besluiten om een schrijver te worden, hij nooit iets van me zou lezen omdat ik er behoorlijk slecht in was.

Jullie vragen je misschien af wat ik voor de krant schreef, dat maar een paar zinnetjes lang en niet te duur is, maar dat wel zijn aandacht zou trekken. Nou, dat was een overlijdensbericht. Jarenlang plaatste ik ongeveer elke maand een overlijdensbericht over een van mijn drie broers. In het begin hadden ze er een hekel aan, maar op den duur maakten we er grapjes over. Ze vroegen plagend, ‘Wanneer plaats je over jezelf een overlijdensbericht?’ Ze noemden me een fantast. Het was volgens hen een eigenschap die van pas zou komen als ik een schrijven wilde worden.

Mijn vader heeft nooit meer strips getekend. Hij luistert nauwelijks meer naar muziek. Hij denkt dat ik alleen maar schrijf, om hem aan de tijd dat hij ons in de steek gelaten had te herinneren. Maar telkens wanneer hij ruzie met me zoekt open ik een afspeellijst op mijn telefoon en zet het geluid harder. Dan komt hij op me af en zegt, ‘Je bent bang, he? Bang! Zeg het dan! Zeg het!’