Ik was enorm gevoelig toen ik klein was. Om de onbenulligste redenen moest ik huilen. Het zien van de koeien in kaasreclames deed me al huilen. En soms doordat ik een man met zijn vrouw zag zitten op het balkon, zonder iets tegen elkaar te zeggen. Of wanneer de bejaarde bezemverkoper die stil door onze straat loopt en op zijn schouders meer dan twintig bezems draagt, met houten stelen, om zo bij de rijke buurten te komen. En ook wanneer er jongens uit het gebouw met elkaar vechten of iemand die ik ken of zelfs iemand die ik niet ken iets verliest dat hem dierbaar is.
De mensen uit onze straat waren geschokt door een raketaanval van het leger, dat het leven had gekost van negen jongeren en kinderen uit de buurt. Nu praten ze niet meer wanneer ze naar buiten gaan. Een paar keer heeft mijn moeder mijn tante bezocht, die op de begane grond van ons gebouw woont. Die tante zei dat haar kinderen last hebben van pijn in hun maag, omdat ze niets dan droog brood en thee voor ontbijt aten. Ik kon toen niet stoppen met huilen, ik stikte nagenoeg door het huilen om het verhaal van mijn tante. Maar die avond stal ik de helft van het geld dat ik vond in de portemonnee van mijn moeder en ging naar mijn tante beneden, ik zei dat het van mama was. Mijn beschaamde moeder kon hier niet over liegen, maar ik werd gestraft door mijn handen voor vijf dagen lang niet uit mijn broekzakken te mogen halen. Het punt is dat mijn moeders hele leven al verzopen was in moeilijkheden nadat mijn vader ons verlaten had, en ze niet wist wat mij was overkomen.
Aanvankelijk dacht ze dat ik ongetwijfeld een soort pijn had. Telkens wanneer ik huilde, onderzocht ze mijn lichaam grondig, beetje bij beetje, van het puntje van mijn hoofd tot de onderkant van mijn voet en vroeg de hele tijd door ‘Doet het hier pijn? En hier dan?’. Ik antwoordde, ‘Ik voel helemaal geen pijn’, waardoor zij panikeerde. Toch bracht ze mij niet naar een psycholoog, zodat niemand in de wijk zou zeggen dat haar oudste zoon gek geworden was. In plaats daarvan bracht ze mij naar een fleboloog, omdat hij de enige was die mij voor nop kon onderzoeken. Nadat zijn zoon was overleden, had hij namelijk besloten om per dag tien patiënten kosteloos te onderzoeken.
We moesten acht dagen wachten tot we aan de beurt waren. Ze had me voorbereid door te zeggen, ‘Waag het niet om te gaan huilen wanneer ik vertel over jouw huilbuien.’ Toen we binnen waren, zei ze, ‘Ik weet niet wat zijn probleem is, dokter, maar hij huilt zonder enige reden. Hij heeft waarschijnlijk pijn, maar hij weet niet waar.’ Hij vertelde me dat ik langzaam moest ademen en hij onderzocht mijn borst, mijn ogen, mijn voeten en nam mijn bloeddruk en hartslag op. Achterin was een foto met zijn vrouw en zijn twee dochters. Vanaf het moment dat mijn ogen erop vielen, begonnen mijn tranen te stromen. Hij zei tegen mijn moeder, ‘Met uw toestemming’ en trok mijn broek naar beneden om te kijken of ik een mannelijk of vrouwelijk geslachtsdeel had. Nadat het onderzoek klaar was, zei hij tegen haar, ‘Ik denk niet dat het een lichamelijke kwestie is.’ Hij vroeg mij daarna, ‘Waarom moest je huilen?’ Ik vertelde hem dat ik door de foto moest huilen. Hij zei dat de foto genomen was na het overlijden van zijn zoon en dat iedereen erg ongelukkig was, maar dat het niet te zien was aan de foto en dat mijn verbondenheid met het leed van anderen onomstotelijk bewijs was dat het goed ging met de mensheid. Hij legde daarna uit hoe zijn zoontje zich had vergist tussen zijn plastic pistool, die hij zelf had gekocht en precies leek op zijn echte pistool. Hij had in zijn eigen dij geschoten, terwijl hij een keer ’s avonds ermee aan het spelen was, en was doodgebloed. Ze hadden thuis alle foto’s en spullen van de zoon weggedaan, zodat hij nog maar een gedachte zou zijn die uitgewist zou worden door de tijd. We moesten zien te leven met het verdriet tot er een bril uitgevonden zou worden die de wereld filtert, waardoor we nog alleen maar vrolijke dingen konden zien en die automatisch het zien van alle leed, armoede, bedelaars, onderdrukten en zelfs ook de somberen uit kon zetten.
‘Wat de dokter zegt is onzin,’ zei mijn moeder erna, ‘Ik vertel je één ding! Als je zo gevoelig blijft, zullen mensen op je afknappen en eindig je alleen. Maar wellicht dat jouw gevoeligheid je vader wel naar huis kan lokken.’ Dat was het eerste teken van mijn moeder naar mij toe dat ik iets moest doen om mijn aandoening te begrijpen. Ik kwam erachter dat ik leed aan een soort helderziendheid dat de normale wetenschap te boven gaat. Ik kan het verborgen verdriet zien in de zielen van mensen en dieren, al proberen ze het nog zo goed te verschuilen. Ik kan dat zelfs voelen door te kijken naar een echtpaar zittend op een balkon, dat zijn relaties die op een droevige manier zullen eindigen. Het beste is om mijn gehuil over te brengen naar anderen toe. Het is immers niet rechtvaardig om te huilen om hun gevoelens van verdriet. Zo ging ik, in plaats van huilen, luidkeels aan mensen overbrengen wat er diep van binnen in hen omging.
Ik begon met Bot. Hij was niet zomaar een bot, maar als een dinosaurusbot. Hij was een van de gemeenste kinderen en kwam niet uit onze wijk, maar niemand wist dat hij het meest verdrietig was van iedereen. Toen hij een keer in een heftig gevecht was en een andere jongen, genaamd Hand, in een wurggreep nam omdat die hem een klap had verkocht, voelde ik dat het verdriet in Bot groter werd, telkens wanneer zijn boosheid verergerde. De kinderen uit de straat kwamen erop af en keken, ze gingen met hun ogen van het gevecht naar mij toe, in afwachting van mijn jank uitbarsting.
De kinderen irriteerden mij. Om niet in huilen uit te barsten, liep ik op Bot af, die met al zijn kracht de nek van Hand dichtkneep en hem door zijn knarsende tanden aan uitschelden was, en zei tegen hem, ‘Je bent verdrietig’. Bot leek me niet te horen, maar ik bleef het zinnetje herhalen, voor mijn gevoel onophoudelijk, waardoor mijn wil om te huilen veel minder werd dan de eerste keer dat ik het zinnetje zei. Ik stopte niet met het opdreunen, totdat Bot de nek van Hand los liet. Hand was op zijn beurt uitgeput en zat als een voetballer huilend op het gras.
Ik heb hetzelfde gedaan bij meerdere personen. Totdat het bij mijn moeder gebeurde. Ik was al een tijd gestopt met haar in haar gezicht aankijken. Op een dag vroeg ze aan me, ‘Waarom kijk je niet naar me? Ben je soms boos op mij?’ ‘Nee’, zeg ik. ‘Kijk dan naar mijn gezicht. Voor één seconde maar’, terwijl ze mijn hoofd vasthield en naar haar probeerde te draaien. Ik probeerde weg te komen en zei, ‘Ik wil niet…’. Ze liet me los, omdat mijn woorden haar pijn deden. Ik voegde toe, ‘omdat jouw gezicht het meest verdrietige is. Wanneer je slaapt en ik naar je kijk, moet ik ervan huilen.’
‘Doe er dan wat aan om je vader terug te krijgen’, zei ze.
Dit is een stukje achter de schermen van mijn eerste blog. Toen ik er zaterdag op het podium naar gevraagd werd kon ik er niet op komen. Daarom schrijf ik het hier op.