Het is moeilijk om iets te zien in de donkere kerk. Ze had de snelste weg naar het theater willen nemen, maar toen ze hoorde dat haar jeugdheld, de filosoof Spinoza, vlak bij haar hotel begraven lag, moest ze er wel een kijkje gaan nemen.
Ze heeft haar beste kleren aangetrokken, want ze is van plan na het optreden van Monsters of Folk op het Royal-podium Conor Oberst ten huwelijk te vragen. Ze heeft nog niet nagedacht over wat voor leven ze samen zullen leiden. Misschien kan ze verhalen opschrijven van toevallige voorbijgangers en die op straat verkopen terwijl Conor muziek maakt. Het is gemakkelijker om de verhalen van passanten te vertellen, dan hoeft ze er zelf geen te verzinnen.
Maar nu staat ze in de bruisende stilte van de kerk.
Het is een eenvoudige grafsteen: Baruch Spinoza, 1632-1677.
‘Waarom ben je gekomen?’ vraagt Spinoza vanuit zijn graf. ‘Ik ben moe, het is een heel karwei om eeuwig te slapen.’
Zijn stem is een beetje hees; dat krijg je als je lange eeuwen in een graf doorbrengt.
‘Ik kom hier om raad te vragen,’ zegt ze. ‘Ik wil vanavond een man ten huwelijk vragen.’
‘Zo. Houd je van hem?’
‘Ja. Wel van een afstand, maar ik houd van hem.’
‘Waarom?’
‘Zijn liederen brengen mijn baarmoeder aan het dansen.’
‘Klinkt als een obsessie,’ antwoordt Spinoza. ‘Ik stel voor dat je hem al dansend het hof maakt. Dan kun je altijd nog doen alsof je gewoon maar staat te dansen en kun je je terugtrekken als het allemaal in de soep loopt. Laat je hoofd hier achter als onderpand voor mijn raadgevingen.’
‘Maar hoe kan ik hem zonder hoofd ten huwelijk vragen?’
‘Dat zei ik toch: dans!’
‘Mijn hoofd is een behoorlijk grote prijs voor je raad.’
‘Wat had je dan gedacht, dat je voor niets een filosoof om raad kunt vragen?’
‘Goed. Je krijgt mijn hoofd.’
Ze doet haar hoofd af en plaatst het op het grafmonument. Ze voelt zich een beetje treurig, want ze heeft haar ogen altijd als haar grootste troef beschouwd.
Het is een heldere avond en ze voelt hoe de frisser wordende lucht de aders in haar hals doet samentrekken. Het blijkt verrassend gemakkelijk je zonder hoofd te oriënteren. En ze heeft toch nog altijd haar benen om mee te lopen en haar handen om mee te schrijven. En haar lever.
Ja natuurlijk, denkt ze: ze heeft een lever. Misschien kan ze zich met een whisky wat moed indrinken. Ze loopt een café binnen en bestelt een Glenfiddich. Ze giet de drank in het gat in haar hals. Opeens herinnert ze zich dat haar creditcard niet werkt. Wat nu? Hoe kan ze nu haar whisky betalen?
‘Geen nood,’ zegt de barman. ‘Je kunt met je lever betalen. We hebben altijd reservelevers nodig, die lenen we onder de toonbank uit aan onze klanten.’
‘Maar dan kan ik vanavond niets meer drinken,’ zegt ze in paniek.
‘Je kunt nu alvast stevig indrinken,’ stelt hij voor. ‘Maar dan kost het natuurlijk wel meer. Laten we zeggen: voor de prijs van je handen.’
‘Goed dan,’ zegt ze. ‘Nog een driedubbele whisky, je krijgt mijn lever en mijn handen. Ik weet alleen niet goed hoe ik dan kan schrijven. Ik moet heel wat schrijven op dit festival, ik neem namelijk deel aan een project dat The Chronicles heet.’
‘Je hebt je hart nog,’ zegt de barman.
‘Dat is gereserveerd voor een huwelijksaanzoek,’ zegt ze, zonder in details te treden
Ze gaat naar buiten. Ze voelt zich onvolledig. Misschien komt het ook door het gebrek aan slaap, want de vorige nacht heeft ze tot drie uur ‘s ochtends gedanst. Ze hoorde voor de eerste keer St. Vincent zingen en raakte door haar stem in vervoering. Ze hoorde Laura Marling en Grizzly Bear en viel haast in zwijm van geluk. Van tijd tot tijd veroorzaakt geluk een onverwachte lichtheid, een gevoel alsof je zweeft.
Opeens merkt ze dat haar backstage-polsbandje is blijven hangen aan de hand waarmee ze haar whisky’s heeft betaald. Wat nu? Hoe komt ze bij het podium?
Ze vraagt het aan de portier van het theater.
‘We nemen ook benen aan als betaling,’ zegt die.
‘Maar ik moet hier optreden,’ probeert ze.
‘Zonder hoofd kunnen we je onmogelijk identificeren, je kunt om het even wie zijn.’
‘Goed dan,’ zegt ze, en ze doet haar benen uit. ‘Ik weet alleen niet goed hoe ik zonder benen kan dansen.’
‘Dansen doe je met je hart,’ zegt de portier.
In de gang van het theater ontmoet ze haar collega-schrijvers.
‘Je ziet er vandaag een beetje fragmentarisch uit,’ zegt een van hen.
‘Ja,’ geeft ze toe, ‘dit festival gaat me niet in de koude kleren zitten.’
Beneden komt ze met haar rompje vast te zitten in het gedrang. Ze valt. De hipster-jongeren lopen haar onder de voet. Haar pancreas en haar nieren knallen uit elkaar. Haar borsten worden platgetrapt. Haar tepels zijn als twee platte, verschrikte ogen.
Ze besluit haar waardeloze rompje achter te laten. Ze heeft nog altijd haar hart. Daarmee redt ze zich wel. Ze begint moeizaam in de richting van het Royal-podium te huppen.
Monsters of Folk is al begonnen. Ze is te laat. Eindelijk raakt ze dan toch bij het podium. Ze pulseert op het ritme van de muziek. Dansen kunt je het niet echt noemen. Haar linkerhartkamer bonst en haar aortaklep neemt de vorm aan van een verzoek: ‘Marry me, marry me.’
Oberst ziet haar niet. Ze hupt dichterbij. Ze ligt aan zijn voeten. ‘Marry me,’ zegt ze, hoopvol opspringend.
Als zijn voet haar raakt, wordt ze nog net overweldigd door een bedwelmend geluksgevoel: Conor heeft mij een schop gegeven! Ze vliegt over het publiek. De mensen denken dat het vliegende hart bij de voorstelling hoort.
Voor ze tegen de muur slaat en verandert in brij, hoort ze hoe iemand in het publiek fluistert: ‘Een mensenhart is best wel licht – 300 gram.’