Charlotte Pothuizen
DOOR Maciej Miłkowski
01-12-2015

De cirkel is rond: opnieuw zit ik in mijn Krakause woning en lees over Nederland. Opnieuw Herbert, opnieuw kunstboeken. Maar deze keer lees ik niet over wat ik binnenkort zal zien, maar over wat ik al heb gezien. Opnieuw lees ik Mulisch (een van mijn grootste meesters), maar deze keer zijn het niet de precieze constructie, de aangrijpende verbeelding of de imponerende eruditie die me interesseren. Deze keer zijn het alleen adressen, namen van steden en straten die me interesseren. Ik kijk op de kaart of ik daar geweest kon zijn, of ik daar langs kon zijn gelopen.

Ik mis dat Nederland een beetje. Het was te kort, te weinig. Ik had er langer willen blijven, ik had er voor langere tijd willen blijven. Misschien wel voor altijd… Ik weet niet of ik in Nederland zou kunnen wonen, maar ik zou zeker te midden van Nederlanders kunnen leven. Veel dingen in die Nederlanders bevallen me. Het meest bevalt me dat ze hun steden hebben ingericht voor mensen. Niet voor toeristen, niet voor auto’s, niet voor adverteerders, maar juist voor mensen; voor henzelf. Dat kennen wij niet.

Uit Nederland naar Polen. Uit het vaderland van het liberalisme naar het land waar de term ‘liberaal’ een zware belediging is. Uit het land waar zo ongeveer alles kan, naar het land waar niets kan. Daar doet iedereen waar hij of zij zin in heeft; en als resultaat is alles netjes en kaarsrecht (uit het vliegtuigraampje zijn de vierkanten en rechthoeken al te zien). Hier staat alles onder het strikte dictaat van een of ander (minder of meer nationalistisch) rechts dat de geesten van iedereen inpalmt, inclusief de jeugd (dat is juist het meest angstaanjagend), met een alomtegenwoordige chaos als gevolg. Vanzelfsprekend, helemaal niet paradoxaal, voorspelbaar.

Voor mijn land strekt zich een zwart gat uit. Voor mijzelf gedeeltelijk ook, maar dat gat jaagt me geen angst aan, maar intrigeert me eerder. Dat Nederland is op een goed moment op m’n pad gekomen. Een paar weken geleden heb ik mijn tweede boek voltooid, geschreven in een razende bevlieging, met een jeugdige drift, waarbij intellectuele, psychologische en energetische schulden zijn gemaakt die de komende maanden afgelost zullen moeten worden. Dit verblijf in Den Haag heeft me goed gedaan, vooral de noodzaak om ‘onder schot’ een serie columns te schrijven. Eerst was ik er een beetje bang voor, maar later bedacht ik dat ik eigenlijk altijd in dergelijke omstandigheden schrijf, het enige is dat ik dan zelf de loop tegen mijn slaap moet houden.

Vertrekken en terugkomen. Loskomen en er weer in wegzakken. Polen even ontvluchten en je er weer in onderdompelen. Voor een paar dagen het derde boek, dat ongeschreven is en erom roept geschreven te worden, vergeten. Terugkomen en het zwarte gat zien. Het bekijken, bekijken met groeiende hoop.

Ik weet zeker dat de komende jaren, die zich aan een steeds kortere ketting in handen van extreem rechts zullen voltrekken, uiteindelijk zullen leiden tot beduidende liberalisatie van de Poolse samenleving. Ik weet zeker dat er uit mijn eigen zwarte gat een volgend boek tevoorschijn zal komen. Want waardoor anders dan door het zien van gaten, afgronden, scheuren, putten en kloven is mijn schrijven tot stand gekomen? Niet door een observatietalent; dat heb ik niet. Niet door een goed ontwikkelde verbeelding; die heb ik niet. Niet door empathie; die heb ik niet. Door gaten, uitsluitend door gaten. Door het gat van een niet-bestaande, ingebeelde god. Door het gat van een lachwekkende versleten alwetende verteller. Door het gat van de vermoorde Poolse Joden. Door het gat van de uitgestorven Poolse intelligentsia. Door het gat dat ik onvermijdelijk ook achter ga laten.

Alle vertalingen van Charlotte Pothuizen
01-12-15

De cirkel is rond: opnieuw zit ik in mijn Krakause woning en lees over Nederland. Opnieuw Herbert, opnieuw kunstboeken. Maar deze keer lees ik niet over wat ik binnenkort zal zien, maar over wat ik al heb gezien. Opnieuw lees ik Mulisch (een van mijn grootste meesters), maar deze keer zijn het niet de precieze constructie, de aangrijpende verbeelding of de imponerende eruditie die me interesseren. Deze keer zijn het alleen adressen, namen van steden en straten die me interesseren. Ik kijk op de kaart of ik daar geweest kon zijn, of ik daar langs kon zijn gelopen.

Ik mis dat Nederland een beetje. Het was te kort, te weinig. Ik had er langer willen blijven, ik had er voor langere tijd willen blijven. Misschien wel voor altijd… Ik weet niet of ik in Nederland zou kunnen wonen, maar ik zou zeker te midden van Nederlanders kunnen leven. Veel dingen in die Nederlanders bevallen me. Het meest bevalt me dat ze hun steden hebben ingericht voor mensen. Niet voor toeristen, niet voor auto’s, niet voor adverteerders, maar juist voor mensen; voor henzelf. Dat kennen wij niet.

Uit Nederland naar Polen. Uit het vaderland van het liberalisme naar het land waar de term ‘liberaal’ een zware belediging is. Uit het land waar zo ongeveer alles kan, naar het land waar niets kan. Daar doet iedereen waar hij of zij zin in heeft; en als resultaat is alles netjes en kaarsrecht (uit het vliegtuigraampje zijn de vierkanten en rechthoeken al te zien). Hier staat alles onder het strikte dictaat van een of ander (minder of meer nationalistisch) rechts dat de geesten van iedereen inpalmt, inclusief de jeugd (dat is juist het meest angstaanjagend), met een alomtegenwoordige chaos als gevolg. Vanzelfsprekend, helemaal niet paradoxaal, voorspelbaar.

Voor mijn land strekt zich een zwart gat uit. Voor mijzelf gedeeltelijk ook, maar dat gat jaagt me geen angst aan, maar intrigeert me eerder. Dat Nederland is op een goed moment op m’n pad gekomen. Een paar weken geleden heb ik mijn tweede boek voltooid, geschreven in een razende bevlieging, met een jeugdige drift, waarbij intellectuele, psychologische en energetische schulden zijn gemaakt die de komende maanden afgelost zullen moeten worden. Dit verblijf in Den Haag heeft me goed gedaan, vooral de noodzaak om ‘onder schot’ een serie columns te schrijven. Eerst was ik er een beetje bang voor, maar later bedacht ik dat ik eigenlijk altijd in dergelijke omstandigheden schrijf, het enige is dat ik dan zelf de loop tegen mijn slaap moet houden.

Vertrekken en terugkomen. Loskomen en er weer in wegzakken. Polen even ontvluchten en je er weer in onderdompelen. Voor een paar dagen het derde boek, dat ongeschreven is en erom roept geschreven te worden, vergeten. Terugkomen en het zwarte gat zien. Het bekijken, bekijken met groeiende hoop.

Ik weet zeker dat de komende jaren, die zich aan een steeds kortere ketting in handen van extreem rechts zullen voltrekken, uiteindelijk zullen leiden tot beduidende liberalisatie van de Poolse samenleving. Ik weet zeker dat er uit mijn eigen zwarte gat een volgend boek tevoorschijn zal komen. Want waardoor anders dan door het zien van gaten, afgronden, scheuren, putten en kloven is mijn schrijven tot stand gekomen? Niet door een observatietalent; dat heb ik niet. Niet door een goed ontwikkelde verbeelding; die heb ik niet. Niet door empathie; die heb ik niet. Door gaten, uitsluitend door gaten. Door het gat van een niet-bestaande, ingebeelde god. Door het gat van een lachwekkende versleten alwetende verteller. Door het gat van de vermoorde Poolse Joden. Door het gat van de uitgestorven Poolse intelligentsia. Door het gat dat ik onvermijdelijk ook achter ga laten.

charlotte – blog 4 – maciej
16-11-15

‘Ga je naar de afterparty’, vroeg iemand me.

Als het gaat om die party met DJ Die-en-die, nee, dan ga ik niet, maar in een zekere, diepere zin kan ik wel zeggen dat ik ga. Ik ben niet naar het dansfeest van het festival geweest, maar het zitten achter mijn laptop in de relatieve rust van een hotelkamer is eigenlijk niets anders dan een langverwachte afterparty. ‘Ik kan niet, ik moet een feuilleton schrijven’, die woorden zijn de afgelopen dagen mijn refrein geworden en dat ik het vandaag voor het laatst heb herhaald vind ik eigenlijk ook wel ergens jammer, misschien zelfs meer dan dat het festival bijna afgelopen is (onder het wakend oog van DJ Die-en-die) en dat ik morgenvroeg uit Den Haag moet vertrekken.

Aan het einde van de tweede festivaldag (en de derde dag van mijn verblijf in Nederland) lopen mijn cognitieve verwerkingscapaciteiten op hun eind. Ik ben niet meer in staat om nog een naam, nog een gezicht, nog een schrijver, nog een musicus, plaats, straat, schilderij, gebouw te onthouden.

‘Ik heb je gisteren op het concert gezien van… (hier volgt een raar woord, ik weet niet, een achternaam, de naam van een band),’ zegt iemand. ‘Het was geweldig, hè?’

‘Fantastisch,’ antwoord ik, hoewel ik er vrijwel zeker van ben dat ik net niet naar dat concert ben geweest, maar misschien ben ik er uiteindelijk wel geweest, wie zal het weten?

Het interessantste is dat hoewel ik helemaal niets meer registreer en niets meer kan onthouden, het schrijven hierover me nog altijd niet slecht af gaat. Het komt erop neer dat ik voor een laptopbeeldscherm, ondanks de columnmarathon van de laatste dagen, niet alleen niet moe word, maar juist uitrust. Ik herstel, ik roep mezelf tot de orde. Ik ben weer thuis. Schrijvers horen zich toch alleen met schrijven bezig te houden: dat is de moraal van dit verhaal.

Een van de grootste voordelen van dit fantastische festival is overigens dat wij – jonge schrijvers – onder andere hierheen zijn gehaald om te schrijven. Dat komt maar zelden voor. Gewoonlijk worden schrijvers naar literaire festivals gehaald om het publiek te charmeren, om aardig te zijn, om er mooi uit te zien (of niet mooi; er zijn twee scholen), om grappig te zijn (dat altijd!), zich te laten zien, zich te laten fotograferen, deel te nemen aan een panel. Van schrijvers vraagt men hoofdzakelijk circusacts waarin ze niet altijd meesters zijn. In Den Haag werd ook (en wellicht vooral) verwacht dat er geschreven werd en dat was een fantastisch idee. Ten eerste zodat schrijvers toch konden doen wat ze schijnen te kunnen. Ten tweede omdat dat het publiek het meeste zou moeten interesseren. Wat maakt het uit dat hij mooi is, dat hij een goed passend colbert draagt (of een T-shirt met een fiets: er zijn twee scholen), dat hij grappig is. Maar kan hij drie alinea’s schrijven? Dat is toch wat telt, en dat kon men tijdens Crossing Border in drie talen controleren.

De algemene wereldwijde trend is namelijk juist het tegengestelde: schrijvers besteden steeds meer tijd aan al het andere dan schrijven. Daar moet je voor oppassen, vind ik. Je mag geen conferentieschrijver, festivalepicus, geen vertegenwoordiger van Polen op het gebied van de literatuur worden. Je mag vooral niet ‘van de pen leven’, want in de praktijk betekent dat altijd leven van zaken rondom de pen. Dan kun je nog beter leven van het slijpen van lenzen; ik voel me zo vrij dit lokale, erudiete accent te gebruiken.

Maar af en toe kan je ergens heen gaan. Misschien is het het waard om zoiets mee te maken zoals vanavond. Jawel: voorspelbare antwoorden op voorspelbare vragen. Jawel: het surrealisme van de situatie waarin je iets in het Pools leest en het publiek de Engelse ondertiteling volgt en op bepaalde momenten ten prooi valt aan desynchronisatie. Maar aan de andere kant maakt het een geweldige indruk, is het een verbluffend gevoel dat jouw fantasieën, jouw bedenksels (sommige nog van het klimrek in Łódź) je helemaal hier hebben gebracht, een schrijver van je hebben gemaakt, je in dit jasje hebben gestoken, dat het toch allemaal op de een of andere manier is gelukt, dat het vlees woord is geworden, dat die idioot van een Kale niet op de pagina’s van je verhaal vast is blijven zitten, maar eraf is gevlogen en een ticket naar Nederland voor je heeft geregeld zodat je hem hier in drie talen kon bezingen.

14-11-15

Die teksten had ik nog in Polen moeten schrijven, rustig gezeten in de stilte van ons huisbibliotheekje. Als ik op dat in zijn eenvoud geniale idee was gekomen, had ik nu (oftewel toen) de verzameling essays van Susan Sontag uit de kast kunnen pakken, de beroemde tekst ‘Vertaald worden’ kunnen lezen, het een en ander van Sontag kunnen overschrijven, een treffend citaat toe kunnen voegen en vooral op de een of andere manier de chaotische gedachten kunnen ordenen die sinds gisteren in mijn hoofd krioelen. In het Haagse hotel waar ik deze woorden schrijf, heb ik helaas dit mij nu zo nodige boek niet bij de hand (de organisatoren hebben de deelnemers – in het bijzonder de “kroniekschrijvers” – van vrijwel alles voorzien, maar niet van de verzamelde essays van Susan Sontag). Van dat essay kan ik me alleen de titel herinneren; ik ben er dus absoluut zeker van dat iemand die wijzer is dan ik al heeft geschreven over het onderwerp waarmee ik de confrontatie aan moet gaan terwijl ik tot improvisatie ben veroordeeld. Ik had het thuis moeten doen… Maar thuis krioelden die chaotische gedachten nog helemaal niet in mijn hoofd, want thuis had ik de gelegenheid nog niet om Charlotte en Tuesday mijn teksten te zien vertalen.

Vertaald worden… Weten dat men vertaald gaat worden. Dat al weten tijdens het schrijven. Toen ik mijn oude verhalen schreef, had ik nog niet dat ene greintje hoop dat ze ooit lezers zouden bereiken die niet Poolstalig zijn (maar ook de Poolstalige bevonden zich meer in een sfeer van vluchtige fantasieën). Als ik dat geweten had, had ik nog wel een paar keer over elke zin nagedacht. Hoe vaak heb ik niet iets gedachteloos neergekalkt, in het Pools kon het nog wel door de beugel, maar vertalers zijn genadeloos. ‘Waar lagen die augurken: onder de stoel of boven de stoel?’ vraagt een van hen me in een e-mail. Eerlijk gezegd had ik niet eerder de topografie van mijn verhaal zo nauwkeurig uitgetekend. Welk schilderij van Vermeer bedoelde je? Welke Poolse dichter had een Nederlandse periode? Hoe ging het precies met die penalty van van Basten? In weer een andere e-mail (die ter informatie naar mij was doorgestuurd) bedankt de redacteur de vertaalster hartelijk voor het attenderen op de verwijzing naar Macbeth in de tekst van Miłkowski. Ik moet haar toch eens vragen om ook mij die verwijzing te laten zien.

Om niet vertaald te worden… Om niet te weten of men vertaald gaat worden. Vrijuit schrijven, zonder beperkingen. Jezelf uitsluitend vragen stellen over de essentie van het bestaan, en niet over de plaats van een pot augurken. Er niet aan denken hoe het in het Engels zou klinken, hoe het in het Nederlands zou klinken… Als men weet dat een tekst vertaald gaat worden, doemen er, vrees ik, twee soorten verleiding op. Ten eerste: zo schrijven dat het makkelijk is. Zo schrijven dat het goed te vertalen is, dat het goed klinkt in het Engels. Glad schrijven, zonder oneffenheden, zonder scherpe randen, zonder hobbels.

De tweede soort verleiding is uiteraard het tegengestelde van de eerste. Niet makkelijk schrijven. Laat die vertalers hun ongeoefende melktanden maar breken op de poreuze schaal van mijn breedbandfrase. Laat ze maar nadenken waar die augurken liggen. Laat ze mijn enige echte en definitieve lezers worden, pijnlijk en diepgaand als een wortelkanaalbehandeling. Alleen de vertaler is namelijk degene die van mijn lied de hele gedachte aanhoort. (Let op vertaalsters: dit is een cryptocitaat uit Mickiewicz).

De vertalers zelf weten zich met het probleem van de gigantische verantwoordelijkheid veel beter raad. Desnoods vertalen ze het niet. Ik heb me altijd afgevraagd waarom de Poolse nazi die mij door het oordeel van de kiezers vertegenwoordigt bij het Europees Parlement daar eigenlijk geen opschudding veroorzaakt. Nu weet ik: dat is te danken aan de tolken. Bijvoorbeeld hij ‘zet aan tot rassenhaat’ (zo staat dat geloof ik in de wetboeken). De tolk zegt echter zonder met zijn ogen te knipperen: ‘This matter has to be reconsidered carefully’. En dat is alles. Rust. De passieve partij. Applaus.

Ik ben me er dus van bewust dat ik hier in principe van alles neer kan zetten. In de versie van Charlotte en Tuesday zal ik uiteindelijk toch overkomen als een beheerste, scherpzinnige, evenwichtige en doorgewinterde humanist.

13-11-15

Sinds vanochtend spreek ik hoofdzakelijk Engels. Zogenaamd is het niet de eerste keer van m’n leven, dus is het in principe niet zo sensationeel. De voornaamste sensatie is hier overigens niet de nieuwigheid, maar juist de herhaalbaarheid. Het begint ergens achter de controlepoortjes op het Krakause vliegveld. Je doet je riem af en schoenen uit (want je mocht eens een bijl bij jehebben), iedereen is onvriendelijk, kortaf en grotendeels geüniformeerd; en dan voelt het nog vertrouwd. Maar al twee stappen verder bevind je je in de duty free zone. Hier heb je geen ‘duties’ meer, geen verplichtingen. Hier begint het een paar dagen durende avontuur, waarvan het hoofdthema is om tegen iedereen Engels te spreken. Om te beginnen moet je in het vliegtuig in het Engels sap bestellen. En steeds weer dezelfde verrassing: dat ze het toch begrijpen, dat dat Engels ergens buiten de bladeren van grammaticahandboeken gewoon ook werkelijk bestaat.

Wanneer ik Engels begin te spreken, ervaar ik direct een verregaande persoonlijkheidsverandering: ik word grappig, wat me in het Pools eigenlijk nooit overkomt. Ik beheers gewoon min of meer dat kunstje dat Engelse humor heet. Dat zijn in principe twee technieken. Ten eerste: op doodernstige toon volstrekt absurde dingen zeggen. Ten tweede: op absurde toon doodernstige dingen zeggen. Op etentjes werkt dat uitstekend.

Het zich beperken tot afgezaagde clichés, het gebruik van gladde (Engelse) formules, het maken van makkelijke grappen is helaas ook de eenvoudigste weg naar een nederlaag als iemand toch iets dieps, echts en origineels wil zeggen. Over zichzelf bijvoorbeeld. Of over zijn schrijfwerk.

En juist deze nederlaag van vandaag probeer ik nu te compenseren in mijn feuilleton, dat zich trouwens vrijwel in z’n geheel heeft gevormd toen ik in het plaatselijke museum voor de schilderijen van Vermeer stond. Want bij mij is het helaas zo (en alleen wanneer ik Engels spreek schakelt dat even uit) dat ik onophoudelijk aan mezelf denk en onophoudelijk over mezelf praat, zelfs als ik dat soms probeer te verhullen met een maskerend onderwerp. Terwijl ik dus voor Vermeer stond, dacht ik voornamelijk aan mezelf: ik zocht zogenaamd een sleutel tot zijn werk, maar toch hoofdzakelijk tot mijn eigen werk. Ik dacht er helemaal niet na over wat voor goeds en origineels er in die buitengewone (en immers alom gewaardeerde) schilderijen van Vermeer zit. Ik vroeg me af waarom ze me zo bevallen, waarom de overige lokale meesterwerken me in principe niet interesseren, wat die schilderijen in zich hebben wat me persoonlijk aanspreekt, dat dat mij overtuigt, dat ik het ermee eens ben. Wat is eigenlijk die methode van Vermeer? En wat bevalt me zo in zijn methode?

Naar mijn mening gaat het erom dat Vermeer niet alleen het melkmeisje of alleen de brieflezende vrouw schildert (anderen hebben die ook geschilderd, sommigen vast kundiger). Vermeer schildert ook het licht; maar ook dat is niets nieuws, anderen hebben het licht ook geschilderd, sommigen vast kundiger. Goed, maar Vermeer schildert behalve het melkmeisje en het licht ook het venster waardoor het licht naar binnen valt. Het venster staat op bijna alle belangrijke schilderijen van Vermeer (hoewel er op drie schilderijen van Vermeer in het Haagse Mauritshuis nou net geen raam staat). Want op die schilderijen staat niet alleen een levenssituatie, maar ook een zekere narratieve situatie. Het zijn – tot op zekere hoogte – schilderijen over kijken, over belichting, over schilderen. Het zijn schilderijen die de ramen niet verbergen (en elke schilder moet er een in zijn atelier hebben), maar ze juist laten zien. En ik bedacht, dat ik altijd precies hetzelfde heb geprobeerd te doen in mijn verhalen. Om naast het melkmeisje ook het venster te laten zien. De naden niet weg te moffelen. De mond te laten zien waar het verhaal uit stroomt; het oor te laten zien, waar het verhaal in valt. Niet zozeer de levenssituatie beschrijven, maar eerder de narratieve situatie.

‘In mijn verhalen heb ik altijd geprobeerd om ook het venster te laten zien, waardoor de narratie naar binnen valt’. En hoewel ik alle woorden los van elkaar ken, heb ik geen idee hoe ik dat als geheel in het Engels zou moeten zeggen.

06-10-15

Mijn ideaal van een reiziger is Immanuel Kant. Reizen ongeacht waarheen is volledig verstoken van enige zin. Je zult er niets zien, niets ervaren. Ten eerste, het is overal min of meer hetzelfde. Waar je ook heen gaat, weet dat het daar allemaal min of meer ingericht is als bij jou. Ten tweede, zelfs als ze daar wat te tonen hebben wat je nog niet gezien hebt, dan lukt het je toch niet om alles te zien, en zelfs als je het te zien krijgt, dan onthoud je het toch niet, je haalt alles door elkaar en alles vloeit samen tot een groot geheel. Zinloos. De confrontatie met zinloosheid is echter altijd enigszins nuttig. Misschien is dat juist de zin van het reizen.

Ik ben bang dat in tegenstelling tot wat de volksmond beweert, reizen niet vormen. Dat wil zeggen, ze vormen, maar alleen degenen die daarvoor al voldoende gevormd waren. In het museum zie je alleen de schilderijen die je eerder in de reisgids hebt gezien. Zonder voorbereiding zie je het onderscheid niet tussen Vermeer en de brandveiligheidsinstructie. Sinds een aantal weken ben ik me dus intensief aan het voorbereiden op mijn verblijf in Nederland. Ik bekijk albums, blader Spinoza door, lees de Erflaters van onze beschaving, Herbert en Huizinga. Ik herlees Mulisch, Wolkers en Nooteboom. Wie weet komt er een overhoring?

Want ja, ik heb desondanks besloten om Vermeer eens van dichtbij te gaan bekijken nu ik die gelegenheid krijg (de enigszins genante narratieve situatie is dat Nederlanders mij laten komen om een paar dagen voor Nederlanders reportages uit Nederland te schrijven – zo staan de zaken er helaas bij). Daarom bekijk ik hem van tevoren om hem vervolgens al aandachtig bekeken te hebben en te kunnen schrijven dat ik hem zojuist heb gezien en hoe mij dat heeft geraakt. Ik moet me thuis boven de boeken voldoende laten raken en proberen deze emotionele staat in stand te houden tot het fysieke bezoek aan het Haagse Mauritshuis en het Amsterdamse Rijksmuseum. Over het algemeen zijn de deelnemers aan het festival, waarvan ik verslag moet doen, die me het meest interesseren toch Vermeer en Spinoza; dat is de waarheid. ‘Dat moet je ze alleen niet zeggen’, suggereert mijn vrouw.

‘Ook denk ik niet dat ze je daar gaan overhoren over de grondleggers van de Nederlandse cultuur’, zegt ze. ‘Ze zullen eerder belangstelling hebben voor de Poolse cultuur. Vooral de hedendaagse’. Dat is dan nog erger, denk ik bij mezelf, want ik ben niet zo goed thuis in de Poolse cultuur, vooral de hedendaagse. ‘Of die zogenaamde Pools-Nederlandse culturele banden’. Die zijn er toch wel?

Ja, er is een gedicht van Zagajewski over Hollandse meesters, er is Szymborska over Vermeer (dat leer ik nog wel uit mijn hoofd), en een van onze romantici heeft zelfs een Nederlandse periode gehad, maar ik kan me op dit moment helaas niet meer herinneren wie dat ook alweer was. Is dat voldoende? (‘Wel een beetje duf’, merkt mijn vrouw op).

Goed, ik weet het, in dat geval kan ik je vertellen hoe Marco van Basten het communisme omver heeft geworpen. Wil je dat horen? Dat ging zo: ik was acht en ik keek bij mijn opa en oma de finale van het Europees kampioenschap. Voetbal, mannen, senioren. Nederland speelde tegen de Sovjet-Unie (ik vrees dat opa eerder voor de Sovjet-Unie was, maar daar gaat het nu niet om). Het was dus 1988 en de Sovjet-Unie had eigenlijk al haar beste tijd gehad, maar hield zich nog best aardig staande, maar Gullit scoorde eerst met het hoofd (want hij scoorde altijd met het hoofd), en daarna maakte Van Basten een van de meest adembenemende doelpunten uit de geschiedenis van het voetbal en kon de Russische keeper Dasajev lange tijd niet van zijn knieën omhoogkomen alvorens ten slotte de bal uit het net te halen. Maar de Sovjet-Unie is niet meer van haar knieën omhooggekomen, een jaar later hadden we in Polen vrije verkiezingen.

‘Ik wist niet dat je belangstelling had voor voetbal’, zegt mijn vrouw. Want ik heb er ook helemaal geen belangstelling voor. Niet meer. Ik verloor mijn interesse in 1992 bij het volgende Europees Kampioenschap. Marco van Basten miste een penalty. Toen constateerde ik dat het heelal een plek is die onverschillig is voor menselijke zaken, god niet bestaat en de fysieke werkelijkheid wordt beheerst door chaos. Zinloos. Het is met voetbal waarschijnlijk net als met reizen. De enige zin is dat het de mogelijkheid geeft tot een confrontatie met zinloosheid.