Na een periode van een paar dagen is er stilte. Als het te stil is, lijkt het alsof mijn oren vreemd aan gaan voelen. Maar ik denk dat over een uur ook de stilte zal eindigen en dat lawaai mijn omgeving zal bepalen. Ik ben vreselijk moe. En vreselijk neerslachtig. Een paar minuten geleden heb ik schreeuwend tegen een stoel getrapt.
De kamer stinkt omdat ik gisteravond McDonald’s heb gegeten. De kamer is een hopeloze puinhoop en de was stapelt zich op. Er staan vijf niet opgedronken glazen sinasappelsap, drie aangebroken blikjes bier en er liggen geknoeide aardappels verspreid over de grond. De hele kamer is een chaos, maar ik realiseer me dat het alleen maar erger zal worden als ik er iets aan probeer te doen.
Helemaal alleen in de stille kamer kijk ik naar een aardappel die op de grond is gevallen en ik begrijp dat de aardappel eigenlijk geen aardappel is, maar dat het ding een made is in de vorm van een aardappel. Ik zeg tegen de made met het uiterlijk van een aardappel dat ik medelijden met hem heb en dat hij er niet als een aardappel uit hoort te zien. Dan valt de lusteloze made uiteen in miljoenen maden.
Op bed liggend zie ik hoe de aardappel in maden verandert, hoe die langzaam maar zeker over het bed beginnen te kruipen, hoe hun lichamen verrassend snel opzwellen en hoe ze beetje bij beetje aan dit lichaam gaan knagen. Mijn lichaam wordt als een lijk, bedekt met maden. Het leven verdwijnt eruit: uit mijn ogen, mijn mond, mijn neus, mijn genitaliën. Voor mijn ogen doemt een bijzonder grote made op. De kronkelende made kijkt me aan alsof hij me belachelijk wil maken.
Dansende maden, slijmerige maden, trillende maden, maden die kronkelen van pijn, maden die op een doos stappen, biddende maden, ronddwalende maden, openbarstende maden, schattige maden, maden die last hebben van de kou. Langzaam ontstaat er een gevoel van affectie. Ik voel iets van sympathie. Ik begrijp dat de maden die zich in mijn lichaam verspreiden langzaam in me worden opgenomen. Ik zal in harmonie zijn met de maden.
Geleidelijk veranderen mijn gevoelens voor de maden van sympathie in afhankelijkheid: de gedachte dat ik zonder de maden niet kan leven komt al snel in me op. Misschien zijn de maden oorspronkelijk juist uit dit lichaam gekropen en hebben ze die aardappel geïmiteerd. Misschien waren dit lichaam en de maden altijd al één. Maar als de maden uit dit lichaam zijn gekropen, dan is dit lichaam iets geworden wat aan het rotten is.
Er ligt nog steeds een aantal aardappels op de grond. Als ik te lang naar ze kijk, begin ik me af te vragen of het ook maden zijn. Terwijl ik ze aan het bekijken ben, valt mijn oog op de vork die ik heb gebruikt om salade mee te eten. De plastic vork is vies, er zit iets rood-wits op.
De maden worden helemaal in mijn lichaam opgenomen, ze raken hun vorm kwijt en smelten naadloos samen met dit lichaam. Ik denk dat dit mij compleet heeft gemaakt. De maden zijn door mijn beschadigde zelf weer in mij opgenomen en ik ben mijn originele zelf geworden.
Ik spring op, strek mijn hand uit en pak de vork op van de grond. Op dat moment valt er iets uit mijn oog. Ik steek de vork in de ronde made en schreeuw het nogmaals uit.