Julienne Weijden
COLUMN 2
BY Hitomi Kanehara
20-11-2009

Na een periode van een paar dagen is er stilte. Als het te stil is, lijkt het alsof mijn oren vreemd aan gaan voelen. Maar ik denk dat over een uur ook de stilte zal eindigen en dat lawaai mijn omgeving zal bepalen. Ik ben vreselijk moe. En vreselijk neerslachtig. Een paar minuten geleden heb ik schreeuwend tegen een stoel getrapt.

De kamer stinkt omdat ik gisteravond McDonald’s heb gegeten. De kamer is een hopeloze puinhoop en de was stapelt zich op. Er staan vijf niet opgedronken glazen sinasappelsap, drie aangebroken blikjes bier en er liggen geknoeide aardappels verspreid over de grond. De hele kamer is een chaos, maar ik realiseer me dat het alleen maar erger zal worden als ik er iets aan probeer te doen.

Helemaal alleen in de stille kamer kijk ik naar een aardappel die op de grond is gevallen en ik begrijp dat de aardappel eigenlijk geen aardappel is, maar dat het ding een made is in de vorm van een aardappel. Ik zeg tegen de made met het uiterlijk van een aardappel dat ik medelijden met hem heb en dat hij er niet als een aardappel uit hoort te zien. Dan valt de lusteloze made uiteen in miljoenen maden.

Op bed liggend zie ik hoe de aardappel in maden verandert, hoe die langzaam maar zeker over het bed beginnen te kruipen, hoe hun lichamen verrassend snel opzwellen en hoe ze beetje bij beetje aan dit lichaam gaan knagen. Mijn lichaam wordt als een lijk, bedekt met maden. Het leven verdwijnt eruit: uit mijn ogen, mijn mond, mijn neus, mijn genitaliën. Voor mijn ogen doemt een bijzonder grote made op. De kronkelende made kijkt me aan alsof hij me belachelijk wil maken.

Dansende maden, slijmerige maden, trillende maden, maden die kronkelen van pijn, maden die op een doos stappen, biddende maden, ronddwalende maden, openbarstende maden, schattige maden, maden die last hebben van de kou. Langzaam ontstaat er een gevoel van affectie. Ik voel iets van sympathie. Ik begrijp dat de maden die zich in mijn lichaam verspreiden langzaam in me worden opgenomen. Ik zal in harmonie zijn met de maden.

Geleidelijk veranderen mijn gevoelens voor de maden van sympathie in afhankelijkheid: de gedachte dat ik zonder de maden niet kan leven komt al snel in me op. Misschien zijn de maden oorspronkelijk juist uit dit lichaam gekropen en hebben ze die aardappel geïmiteerd. Misschien waren dit lichaam en de maden altijd al één. Maar als de maden uit dit lichaam zijn gekropen, dan is dit lichaam iets geworden wat aan het rotten is.

Er ligt nog steeds een aantal aardappels op de grond. Als ik te lang naar ze kijk, begin ik me af te vragen of het ook maden zijn. Terwijl ik ze aan het bekijken ben, valt mijn oog op de vork die ik heb gebruikt om salade mee te eten. De plastic vork is vies, er zit iets rood-wits op.

De maden worden helemaal in mijn lichaam opgenomen, ze raken hun vorm kwijt en smelten naadloos samen met dit lichaam. Ik denk dat dit mij compleet heeft gemaakt. De maden zijn door mijn beschadigde zelf weer in mij opgenomen en ik ben mijn originele zelf geworden.

Ik spring op, strek mijn hand uit en pak de vork op van de grond. Op dat moment valt er iets uit mijn oog. Ik steek de vork in de ronde made en schreeuw het nogmaals uit.

Julienne Weijden
column 5
01-12-09

Ik ben nu een week terug in Japan. Ik ben helemaal teruggekeerd naar het Japanse leven. Het onbeschrijfelijke zwevende gevoel dat ik had tijdens de reis ben ik kwijtgeraakt en met een sterke realiteitszin leef ik mijn leven weer zoals van tevoren. Het wordt gezegd dat vliegtuigen de grootste kans hebben om neer te storten tijdens het opstijgen en landen. Wanneer mensen zeggen dat hun vertrek echt vreselijk was, of dat er veel turbulentie was tijdens de landing of iets dergelijks, dan blijven deze opmerkingen in mijn hoofd hangen. Maar ik bevond me deze keer in een stormachtige drukte voor en na mijn buitenlandse zakenreis en ik had het steeds ongelofelijk druk gedurende mijn reis naar Den Haag.

In Japan proberen we aan het eind van het jaar zoveel mogelijk af te ronden. Dit noemen we “nenmatsu shinkou” (let: voortgang aan het eind van het jaar). Ik vraag me af of dit ook in het buitenland bestaat. Rond Oud en Nieuw zijn alle bedrijven gesloten en omdat ook de drukkerijen dicht zijn, gaat de voortgang van het werk sneller dan normaal. Dit wil zeggen dat de deadlines voor schrijvers naar voren worden geschoven. Ook al zijn de medewerkers van Japanse bedrijven workaholics, ze nemen in principe rond Oud en Nieuw toch hun opgespaarde vrije dagen op. Kort gezegd komt dit erop neer dat alle schrijvers in Japan rond deze tijd achtervolgd worden door hunnenmatsu shinkou deadlines en worstelen om deze te halen. Voor mij is dit natuurlijk precies hetzelfde. Ik dacht dat ik in Den Haag werd bevrijd van woorden, maar omdat ik 3 columns moest schrijven dacht ik er juist constant aan. Voor- en nadat ik terugkeerde naar Japan, was het alsof ik werd achtervolgd door woorden; mijn hoofd en het beeldscherm van mijn computer zaten er vol mee. Ik zou me natuurlijk druk maken als mijn beeldscherm sneeuwwit zou zijn, maar toch heb ik enigszins genoeg van dit leven waarin woorden zich overal verspreiden als een ziekte.

Mijn ochtend begint met de uitroep ‘opstaaaan’ van mijn dochter. Terwijl ik haar eten geef, haar sap laat drinken en haar klaarmaak om te vertrekken, luister ik naar de onhandige woorden die ze brabbelt met haar kinderstem; ik begrijp wat ze zegt en beantwoord haar eisen. Nadat ik haar bij de crèche heb afgezet, zet ik mijn computer aan en dompel ik me helemaal onder in een zee van woorden. Wanneer ik terugkeer uit deze zee van woorden, verbind ik mijn computer met het internet, schrijf en lees ik mijn werk e-mail en doe ik wat licht huishoudelijk werk. Ik lees het materiaal van mijn boek, laat mijn ogen over het manuscript gaan en ik geef me op de een of andere manier over aan de woorden. Wanneer ik in een café zit en iemand naast me iets interessants zegt, of wanneer ik iets interessants tegenkom, dan schrijf ik dat op. Wanneer ik mijn dochter ophaal en haar vraag ‘Wat heb je vandaag gedaan?’ en wanneer mijn man, die redacteur is, thuiskomt, beginnen we bijna automatisch over literatuur te praten. De wereld is gevuld met woorden. Soms zou ik wat tijd willen doorbrengen in een huisje in een tropisch land, zonder televisie, computer, tijdschriften, boeken of wat dan ook, ook al weet ik dat ik zelf een van de criminelen ben die woorden in de wereld verspreiden. Op dit moment in mijn leven kan ik alleen bevrijd worden van woorden wanneer ik bijvoorbeeld wat huishoudelijk werk doe of wanneer ik een bad neem. Wanneer ik mensen zie verlangen naar woorden, heb ik het gevoel alsof ze door iets bezeten zijn. Ik wil mijn tijd in rust doorbrengen. Dat dacht ik vroeger al toen mijn dochter constant huilde en schreeuwde, maar nu ze groter is geworden en ze de hele tijd van alles komt vertellen, kan ik het niet helpen dat deze gedachte nog sterker is.

Op momenten wanneer ik bijvoorbeeld een koffiehuis binnenga om het beetje vrije tijd dat ik heb rustig door te brengen en een kennis me aanspreekt, wanneer ik een bad neem en ik iemand hoor roepen ‘telefoon!’ of wanneer ik een presentexemplaar van een boek krijg dat ik eigenlijk niet wil lezen, denk ik “hou op”, maar volgens mij denkt iedereen dat soort dingen wel eens. Als ik naar huis ga wanneer ik de hele dag met mensen heb gepraat, wil ik thuis graag even wat tijd in stilte doorbrengen. Maar wanneer ik moe thuiskom na de hele dag door met mensen te hebben gepraat, zijn er ook nog momenten dat ik televisie wil kijken, een boek wil lezen en met mijn familie wil praten. Ik weet niet of het komt doordat we in een wereld leven die vol is met woorden, maar er is een deel van de mens dat alleen geheeld wordt door woorden. Er zijn ook andere dingen die me beter doen voelen, zoals lief over mijn hoofd geaaid worden, een massage krijgen of seks hebben, maar ik word alleen geheeld door dingen zoals het lezen van een boek, mensen die aandacht aan me besteden of een diep gesprek met iemand hebben. Ik vraag me af of mensen die worden samengesteld en gevormd door woorden, onwillekeurig ook zulke karaktertrekken hebben.

Iedere dag neemt mijn dochter haar plaatjesboek overal mee naar toe en zeurt dat ze het wil lezen, ze vraagt op een dag ongeveer vijftig keer “wat is dat?” en ze wilt de woorden die ze heeft onthouden gebruiken en terwijl ze deze in iedere situatie toepast, zuigt ze steeds meer woorden op. Terwijl we in Den Haag waren breidde haar woordenschat zich plotseling uit. Tot nu toe als we naar het buitenland gingen, maakte mijn dochter altijd grote sprongen voorwaarts in het Japans. Volgens mij is dat zeker omdat er een soort schema bestaat waarin het niet begrijpen van woorden gelijk staat aan het instorten van je ‘zelf’. Verder zorgt het zoeken naar woorden voor een afhankelijkheid van taal. Wanneer je je eigen uiterlijk ziet dat bepaald is door woorden, dan is dat als een mooi maar kwetsbaar wezen dat zich ontpopt als liefde voor de mens. Dus ik denk dat ik woorden veel zal blijven gebruiken, misbruiken en er verhalen mee zal blijven vertellen.

COLUMN 4
22-11-09

Mijn dochter, die de gewoonte heeft om ‘s avonds om zes uur te gaan slapen en midden in de nacht om drie uur wakker te worden, leek te voelen dat ik van plan was weg te gaan, want nu viel ze maar niet in slaap. Uiteindelijk heb ik haar, schreeuwend en huilend, aan mijn man toevertrouwd en ging ik rond negen uur naar het festivalgebouw. De wind was prettig en ik besloot van het hotel naar het gebouw te lopen. Onderweg stuurde ik met mijn mobieltje een e-mail naar mijn redacteur in Tokio. Ik had werk uit Japan meegesleept, maar door de dagelijkse deadline voor de Chronicles-columns was daar niets van terechtgekomen.

Wat je bijna niet vindt bij buitenlandse boeken, maar wel bij Japanse boeken is een ‘obi’, die om het boek heen zit. Een obi bedekt ongeveer het onderste kwart van een boek en bevat een blikvanger, een citaat of een verwijzing naar de roman. In principe besluit de redacteur over de tekst op een obi, maar deze keer moest ik om verschillende redenen zelf nadenken over de tekst voor de obi van mijn volgende boek. Al lopend typte ik op mijn mobiel de tekst voor de obi, die al een paar dagen over de deadline was, en af en toe dreigde ik te struikelen over de stenen bestrating.

Verder was de deadline voor de titel van een serie romans waar ik vanaf volgende maand aan zal beginnen inmiddels ook al gepasseerd. Ik bedenk de titel altijd pas nadat ik klaar ben met het schrijven van een roman, waardoor ik me dus iedere keer tot het allerlaatste moment druk maak. Ook deze keer was er nog geen goede titel in me opgekomen, ondanks dat de eerste versie al af was. Om de titel op tijd in te leveren, vóór dinsdagmorgen, moest ik hem uiterlijk op maandagavond Japanse tijd versturen. Koortsachtig vroeg ik me af wat ik moest doen, maar er kwam geen goed idee in me op en hoe ongeduldiger ik werd, hoe meer mijn gedachten vastliepen.

Toen ik aankwam bij het gebouw, was mijn hoofd weer helder geworden. Nadat ik met een aantal mensen had gepraat, van wie ik sommige wel en andere niet kende, liep ik een paar van de zalen binnen. Als eerste keek ik naar de dingen die ik in Japan niet zou kunnen zien en toen ik die dingen eenmaal goed in me had opgenomen, dwaalde ik wat rond.

Ooit is mij het volgende verhaal verteld. Als Japanners op reis gaan en geen foto’s nemen van toeristische attracties denken ze dat ze niet kunnen bewijzen dat ze er zijn geweest. Ze laten zich fotograferen met alle beroemde plaatsen die in de gidsen genoemd worden op de achtergrond, waardoor ze tevreden terug naar huis gaan. Zo wordt reizen voor Japanners werk en beleven ze uiteindelijk helemaal geen plezier tijdens hun gereis. Zo’n soort verhaal was het. Misschien ben ik een beetje geobsedeerd door dit verhaal omdat ik zelf vaak doelloos ronddwaal.

Tegen de tijd dat mijn benen eindelijk ophielden met lopen was het al elf uur geweest. Het was een groot gebouw. Ik was net op tijd voor de start van een band die op het podium meteen intens begon te zingen. Terwijl ik vanaf het eerste balkon stond te kijken, voelde ik me behoorlijk teleurgesteld: de muziek deed me weinig. Bij het tweede nummer vond ik er nog steeds niet veel aan en keek ik rond om te zien waar de uitgang was. Bij het derde nummer dacht ik dat de muziek misschien toch wel aardig was. Toen het vierde nummer begon, nam ik me voor om bij thuiskomst de CD van deze mensen te kopen. Daarna begon het vijfde nummer en terwijl ik luisterde naar het gelijkmatige stijgen van de melodie, kwam er vanuit mijn binnenste een gevoel van sereniteit over me heen. Langzaam maar zeker leek mijn lichaam zich te ontspannen, maar tegelijkertijd leek ik ook te verstijven; dit soort gevoelens gingen door me heen toen de gedachte in me opkwam dat ik wéér door muziek werd gered.

Vier jaar geleden heeft muziek me al eens gered. Ik kon toen niet ontsnappen aan een gevoel van isolatie en wantrouwen tegenover de wereld, ondanks medicijnen,  psychiaterbezoeken, veel gehuil en veel troostende woorden. Maar zodra ik een bepaalde CD hoorde, was het alsof ik in één keer alles los kon laten en dan kalmeerde ik. Ik heb veel naar die CD geluisterd en bovendien alle CD’s van de betreffende band verzameld; al snel was ik helemaal bevrijd.

Nu werd ik opnieuw gered, terwijl ik in een ander land was en voor het eerst naar nummers van mij onbekende bands luisterde. Zonder echt te beseffen dat ik door iets, nee door iemand, was gebonden, werd ik bevrijd, gered. Bezeten door mijn werk en de zorg voor mijn dochter; rondlopend op een festival waar ik niets van wilde missen, wist ik zelf niet meer wat het was dat ik wilde doen.

COLUMN 3
21-11-09

In Japan schrijf ik niet tot ik besluit dat ik wil schrijven. Ik denk na over wat ik wil schrijven, over wat ik kan schrijven, over wat ik zou moeten schrijven. Ik bedenk het plot en dan pas begin ik te schrijven. Voordat ik daadwerkelijk begin, staar ik naar mijn computer, naar de hemel, naar mijn voeten, of schrijf ik notities op, krabbel ik memo’s. Wanneer je in Japan gevraagd wordt om een essay te schrijven, ligt de deadline gewoonlijk meer dan een maand later. Voor een kort verhaal is de marge twee à drie maanden en voor een serie of iets dat nieuw geschreven wordt krijg je meestal meer dan een jaar de tijd. Wat ik hiermee wil zeggen, is dat het schrijven van deze serie columns het moeilijkste is dat ik toe nu toe gedaan heb.

Ik was verbaasd toen ik gevraagd werd om drie dagen achter elkaar een column te schrijven, maar ik dacht dat ik het op de een of andere manier wel voor elkaar zou krijgen. Toen ik echt probeerde te beginnen, voelde ik echter een steek van angst dat ik dit niet zou kunnen.

De deadline van de column van vandaag was vijf uur. Het is nu half acht. Ik doe mijn uiterste best, maar het schrijven van columns is op dit moment een gevecht met mezelf en met mijn huilende en gillende dochter. Ik kan niet schrijven terwijl zij door de kamer rondloopt; ik had gedacht te kunnen schrijven nadat ik haar in bed had gestopt, maar ze heeft toen nog meer dan een uur op haar bed rondgescharreld. Er zat niks anders op dan mijn man te vragen op haar te letten en zelf naar de hotellobby te gaan om daar te schrijven. Na ongeveer twintig minuten kwam mijn man echter alweer met de kleine in de kinderwagen naar beneden. Omdat ze bleef huilen en schreeuwen, zei hij. Uiteindelijk zit ik nu te schrijven terwijl ik mijn dochter negeer die een stukje verderop in de armen van mijn man naar me roept: ‘Mama, kom terug!’.

Het was om te beginnen een fout om mijn dochter mee te nemen naar dit festival. In Japan wordt het ook erg hectisch met zowel de zorg voor mijn dochter als mijn werk, maar tijdens een reis zijn er geen mensen die je een handje kunnen helpen. Dit is de eerste keer dat ik gedwongen ben om mijn werk en de verzorging van mijn dochter op een specifieke manier met elkaar te verenigen.

Doordat ik vastzit aan het ritme van mijn dochter die door de jetlag om zes uur ’s avonds al slaapt en ’s nachts om drie uur wakker wordt, ben ik moe en lijkt het alsof ik moet overgeven. Toch zal ik, nadat ik klaar ben met het schrijven van deze column en mijn dochter naar bed heb gebracht, zoals afgesproken naar het festival gaan. Wanneer ik terugkom op mijn kamer pak ik mijn spullen in, haal ik mijn make-up eraf en ga ik naar bed. Maar zelfs als ik dan zal mijn dochter me om drie uur ’s morgens weer wakker maken.

Het lijkt misschien alsof ik veel klaag, maar ik heb wel het gevoel dat Den Haag een geweldige stad is. Gisteren heb ik het rustig aan gedaan vanwege mijn gebrek aan slaap en daardoor niets live gezien. Desondanks vind ik de sfeer van het festival relaxed en comfortabel. Nou, dan ga ik nu mijn dochter instoppen en naar het festival.

COLUMN 2
20-11-09

Na een periode van een paar dagen is er stilte. Als het te stil is, lijkt het alsof mijn oren vreemd aan gaan voelen. Maar ik denk dat over een uur ook de stilte zal eindigen en dat lawaai mijn omgeving zal bepalen. Ik ben vreselijk moe. En vreselijk neerslachtig. Een paar minuten geleden heb ik schreeuwend tegen een stoel getrapt.

De kamer stinkt omdat ik gisteravond McDonald’s heb gegeten. De kamer is een hopeloze puinhoop en de was stapelt zich op. Er staan vijf niet opgedronken glazen sinasappelsap, drie aangebroken blikjes bier en er liggen geknoeide aardappels verspreid over de grond. De hele kamer is een chaos, maar ik realiseer me dat het alleen maar erger zal worden als ik er iets aan probeer te doen.

Helemaal alleen in de stille kamer kijk ik naar een aardappel die op de grond is gevallen en ik begrijp dat de aardappel eigenlijk geen aardappel is, maar dat het ding een made is in de vorm van een aardappel. Ik zeg tegen de made met het uiterlijk van een aardappel dat ik medelijden met hem heb en dat hij er niet als een aardappel uit hoort te zien. Dan valt de lusteloze made uiteen in miljoenen maden.

Op bed liggend zie ik hoe de aardappel in maden verandert, hoe die langzaam maar zeker over het bed beginnen te kruipen, hoe hun lichamen verrassend snel opzwellen en hoe ze beetje bij beetje aan dit lichaam gaan knagen. Mijn lichaam wordt als een lijk, bedekt met maden. Het leven verdwijnt eruit: uit mijn ogen, mijn mond, mijn neus, mijn genitaliën. Voor mijn ogen doemt een bijzonder grote made op. De kronkelende made kijkt me aan alsof hij me belachelijk wil maken.

Dansende maden, slijmerige maden, trillende maden, maden die kronkelen van pijn, maden die op een doos stappen, biddende maden, ronddwalende maden, openbarstende maden, schattige maden, maden die last hebben van de kou. Langzaam ontstaat er een gevoel van affectie. Ik voel iets van sympathie. Ik begrijp dat de maden die zich in mijn lichaam verspreiden langzaam in me worden opgenomen. Ik zal in harmonie zijn met de maden.

Geleidelijk veranderen mijn gevoelens voor de maden van sympathie in afhankelijkheid: de gedachte dat ik zonder de maden niet kan leven komt al snel in me op. Misschien zijn de maden oorspronkelijk juist uit dit lichaam gekropen en hebben ze die aardappel geïmiteerd. Misschien waren dit lichaam en de maden altijd al één. Maar als de maden uit dit lichaam zijn gekropen, dan is dit lichaam iets geworden wat aan het rotten is.

Er ligt nog steeds een aantal aardappels op de grond. Als ik te lang naar ze kijk, begin ik me af te vragen of het ook maden zijn. Terwijl ik ze aan het bekijken ben, valt mijn oog op de vork die ik heb gebruikt om salade mee te eten. De plastic vork is vies, er zit iets rood-wits op.

De maden worden helemaal in mijn lichaam opgenomen, ze raken hun vorm kwijt en smelten naadloos samen met dit lichaam. Ik denk dat dit mij compleet heeft gemaakt. De maden zijn door mijn beschadigde zelf weer in mij opgenomen en ik ben mijn originele zelf geworden.

Ik spring op, strek mijn hand uit en pak de vork op van de grond. Op dat moment valt er iets uit mijn oog. Ik steek de vork in de ronde made en schreeuw het nogmaals uit.

COLUMN 1
13-11-09

Er zijn meerdere vormen van de eerste persoon in het Japans. Vrouwen gebruiken meestal ‘watashi’ terwijl mannen drie vormen kunnen gebruiken: ‘boku’, ‘ore’ en ‘watashi’. Wanneer je met je meerderen praat, gebruik je ‘boku’; bij vrienden, je vriendin of mensen met wie je een goede relatie hebt, gebruik je ‘ore’; voor toespraken, interviews en dat soort publieke gelegenheden, wordt meestal ‘watashi’ gebruikt. Als vrouwen zichzelf ‘boku’ of ‘ore’ noemen, geeft dat een seksuele afwijking aan en als mannen zichzelf regelmatig ‘watashi’ noemen, duidt dat op een homoseksueel aspect.

Ik heb een dergelijk verhaal gehoord van mijn vader, die vroeger vertaler was. Hij vertelde dat hij was gestuit op een probleem met de eerste persoon in het Japans toen hij een roman van een jonge schrijver aan het vertalen was. Het betreffende verhaal bestaat kort gezegd uit een monoloog van de mannelijke hoofdpersoon, waarin je er al lezend achter komt dat die eigenlijk een meisje is. Er zit dus een heel onverwachte ontwikkeling in het verhaal.
Omdat in het Japans de sekse al met de eerste persoon wordt uitgedrukt, zou uit het gebruik van ‘boku’ voor de vrouwelijke hoofdpersoon haar verlangen blijken om meer als een jongen te zijn. Daarmee zou onbedoeld haar afkeer van haar vrouwelijke identiteit naar voren komen. Maar als de hoofdpersoon zichzelf vanaf het begin ‘watashi’ zou noemen, zou dat de indruk geven van een vrouwelijke jongen. De verhaallijn van de jongen die eigenlijk een meisje is, zou zich dan niet goed ontwikkelen. Uiteindelijk zei mijn vader dat het onmogelijk was om de truc van de Engelse ‘ik’ waarheidsgetrouw naar het Japans te vertalen, omdat de eerste persoon al een uitdrukking van de eigen identiteit is in het Japans.

Nog een kenmerk van het Japans is de weglating van het onderwerp in zinnen. Natuurlijk zijn er bijna geen romans waarin het onderwerp geheel afwezig is, maar of er nu in de eerste persoon of de derde persoon geschreven wordt, het onderwerp is niet altijd nodig wanneer het kan worden afgeleid uit de context. Als daarentegen het onderwerp voortdurend voorkomt, bijvoorbeeld in de hele voornoemde monoloog, wordt daarmee een sterk zelfbewustzijn (self-assertion) weergegeven. Daarom is het mogelijk om het onderwerp te benadrukken met ‘watashi’. Inmiddels is het gebruikelijk geworden dat een redacteur de overbodige ‘watashi’ met rood omcirkeld wanneer hij manuscripten van nieuwe schrijvers controleert.

Ik spreek bijna geen Engels, maar wanneer ik mijn naar het Engels vertaalde romans doorblader, ziet mijn tekst, die in het Japans over het papier lijkt te kronkelen, er heel precies en logisch uit. En wanneer ik interviews geef in het buitenland, heb ik het gevoel dat mijn woorden in het Engels vertaald veel logischer en meer doordacht klinken.

Vertalen is moeilijk en het verschil tussen talen is een obstakel waar je niet eenvoudig omheen komt. Maar in feite is er omdat ik het Japans beheers en spreek en romans schrijf al sprake van vertalen. Want als je contact hebt met andere mensen en probeert te communiceren is dat altijd een soort vertalen: in woorden, lichaamstaal, handgebaren, gezichtsuitdrukkingen, korte oogbewegingen, enzovoort.

Ik probeer mezelf duidelijk te maken door woorden te gebruiken om een roman te schrijven. Maar zullen er geen essentiële verschillen zijn wanneer ze vertaald worden naar een andere taal en een andere vorm? Zelfs Japanners onder elkaar begrijpen elkaar soms niet. Mensen kunnen echter, ook als ze niet dezelfde woorden gebruiken, wel elkaars gevoelens begrijpen.
Tijdens mijn bezoek aan Den Haag hoop ik mensen uit andere landen te mogen ontmoeten die mij en mijn romans begrijpen.