Astrid Huisman
Dagelijkse wonderen
DOOR Pola Oloixarac
30-11-2011

is de titel van een fascinerend boek van Rudy Kousbroek, dat ik kan lezen dankzij een vertaling in het piratenengels. Hij is een soort Nederlandse versie van W.G. Sebald: zijn boek staat bol van water, oude auto’s en de spookachtige verschijningen van de dieren waarover hij schrijft. Een van de teksten in het boek draagt de titel Hiernamaals: “over de dingen die gebeurd zijn, en niet langer bestaan. Over verandering, die onbegrijpelijk is”. Kousbroek – ik kan zijn naam goed uitspreken omdat het een combinatie is van broek + kousen, die ik beide gebruik om me in Nederland warm te kleden – schrijft over zijn jeugd op het internaat. Als kind piekerde Kousbroek over de mogelijkheid dat zijn ouders, die in een andere stad woonden, zijn gezicht zouden vergeten: hoe konden zij weten of hij nog steeds dezelfde Rudy was? Hij vroeg zich af of ze, wanneer ze elkaar weer zagen, nog dezelfde taal als hij zouden spreken. Misschien zouden ze Nederlands tegen hem praten, maar was de betekenis van de woorden anders: in plaats van brood bedoelden ze misschien dood. Hoe kon hij voorkomen dat woorden een totaal andere betekenis zouden krijgen? De kleine Kousbroek tekende het gezicht van zijn vader om hem niet te vergeten.

Het laatste deel van het festival, in Antwerpen, was heerlijk. Na een paar hectische dagen kwamen we in een vriendelijke, vertrouwde omgeving terecht. Op een bepaald moment besefte ik dat de organisatoren van het festival, vader en zoon, de hele tijd bij ons waren. Je kon ze in alle rust een drankje zien doen, een praatje makend aan een van de tafeltjes. Ze ontvingen de artiesten zoals mensen hun huis voor je openstellen en na het diner blijven kletsen als het gesprek ze bevalt. Toen de vader zag dat ik een schoudertas had met de rechthoekige vorm van een oude typemachine (waar mijn Mac Air meestal in reist), rolde hij de mouw van zijn witte overhemd op. Op zijn linkerarm zag ik een ouderwetse typemachine, met de afgeronde toetsen in reliëf afgebeeld. Op het blad dat eruit stak, was een stukje van een beatnikgedicht getatoeëerd. De onderkant van de typemachine ging over in een roos.

Weer terug in Amsterdam maakte ik kennis met wellicht de meest gevaarlijke, exquise zwakte van deze stad, de zetel van het verval: de oude etsen en kaarten in het antiquariaat van Eduard van Dishoeck en op de boekenmarkt op het Spui, recht onder mijn huis. En die kennismaking was nog niets vergeleken met de wonderen die ik dankzij Hans Mulder en Jip heb mogen aanschouwen in de Artis Bibliotheek. In deze moerassen, bekleed met de glamour des tijds, kan de etskunst bogen op een lange traditie. Geïnspireerd door de Hollandse meesters in de etskunst, ontmoette Hobbes Abraham Bosse en gaf hem aanwijzingen voor de onsterfelijke titelplaat van zijn werk Leviathan. Linnaeus’ illustraties van planten werden weid verspreid toen men hier in Amsterdam zijn genie ontdekte dankzij de publicatie van zijn Systema Naturae in 1735. Beetje bij beetje etsen bepaalde gewoontes zich in mijn geheugen: het drinken van een glas sherry in Café Luxembourg bij zonsondergang, wat gepaard gaat met enige melancholie vanwege het gebrek aan katachtig gezelschap (afgezien van de rosse buurt-variant zijn katten schaars in A’dam en zie je ze zelden stoeiend op straat; fietsen nemen de rol over van woeste honden). Deze wonderen kan ik niet tekenen, zoals Rudy zijn vader, of zoals de vader op Crossing Border, maar ik weet dat ze voor altijd bij me zullen blijven.

Alle vertalingen van Astrid Huisman
Dagelijkse wonderen
30-11-11

is de titel van een fascinerend boek van Rudy Kousbroek, dat ik kan lezen dankzij een vertaling in het piratenengels. Hij is een soort Nederlandse versie van W.G. Sebald: zijn boek staat bol van water, oude auto’s en de spookachtige verschijningen van de dieren waarover hij schrijft. Een van de teksten in het boek draagt de titel Hiernamaals: “over de dingen die gebeurd zijn, en niet langer bestaan. Over verandering, die onbegrijpelijk is”. Kousbroek – ik kan zijn naam goed uitspreken omdat het een combinatie is van broek + kousen, die ik beide gebruik om me in Nederland warm te kleden – schrijft over zijn jeugd op het internaat. Als kind piekerde Kousbroek over de mogelijkheid dat zijn ouders, die in een andere stad woonden, zijn gezicht zouden vergeten: hoe konden zij weten of hij nog steeds dezelfde Rudy was? Hij vroeg zich af of ze, wanneer ze elkaar weer zagen, nog dezelfde taal als hij zouden spreken. Misschien zouden ze Nederlands tegen hem praten, maar was de betekenis van de woorden anders: in plaats van brood bedoelden ze misschien dood. Hoe kon hij voorkomen dat woorden een totaal andere betekenis zouden krijgen? De kleine Kousbroek tekende het gezicht van zijn vader om hem niet te vergeten.

Het laatste deel van het festival, in Antwerpen, was heerlijk. Na een paar hectische dagen kwamen we in een vriendelijke, vertrouwde omgeving terecht. Op een bepaald moment besefte ik dat de organisatoren van het festival, vader en zoon, de hele tijd bij ons waren. Je kon ze in alle rust een drankje zien doen, een praatje makend aan een van de tafeltjes. Ze ontvingen de artiesten zoals mensen hun huis voor je openstellen en na het diner blijven kletsen als het gesprek ze bevalt. Toen de vader zag dat ik een schoudertas had met de rechthoekige vorm van een oude typemachine (waar mijn Mac Air meestal in reist), rolde hij de mouw van zijn witte overhemd op. Op zijn linkerarm zag ik een ouderwetse typemachine, met de afgeronde toetsen in reliëf afgebeeld. Op het blad dat eruit stak, was een stukje van een beatnikgedicht getatoeëerd. De onderkant van de typemachine ging over in een roos.

Weer terug in Amsterdam maakte ik kennis met wellicht de meest gevaarlijke, exquise zwakte van deze stad, de zetel van het verval: de oude etsen en kaarten in het antiquariaat van Eduard van Dishoeck en op de boekenmarkt op het Spui, recht onder mijn huis. En die kennismaking was nog niets vergeleken met de wonderen die ik dankzij Hans Mulder en Jip heb mogen aanschouwen in de Artis Bibliotheek. In deze moerassen, bekleed met de glamour des tijds, kan de etskunst bogen op een lange traditie. Geïnspireerd door de Hollandse meesters in de etskunst, ontmoette Hobbes Abraham Bosse en gaf hem aanwijzingen voor de onsterfelijke titelplaat van zijn werk Leviathan. Linnaeus’ illustraties van planten werden weid verspreid toen men hier in Amsterdam zijn genie ontdekte dankzij de publicatie van zijn Systema Naturae in 1735. Beetje bij beetje etsen bepaalde gewoontes zich in mijn geheugen: het drinken van een glas sherry in Café Luxembourg bij zonsondergang, wat gepaard gaat met enige melancholie vanwege het gebrek aan katachtig gezelschap (afgezien van de rosse buurt-variant zijn katten schaars in A’dam en zie je ze zelden stoeiend op straat; fietsen nemen de rol over van woeste honden). Deze wonderen kan ik niet tekenen, zoals Rudy zijn vader, of zoals de vader op Crossing Border, maar ik weet dat ze voor altijd bij me zullen blijven.

De Kinderrepubliek
20-11-11

Een hamburger bij de McDonald’s, mijn smaakpapillen verwennend met die heerlijk vreemde Nederlandse mayonaise van 50 cent. Alle restauarants zijn dicht, coffeeshop Smokey (een must in Den Haag) ook. We zijn naar de afterparty geweest. Ben droeg voor het eerst een trui. Vanaf dag één hadden wij onszelf met sjaals tot de oren aan toe ingepakt, maar Ben ging steevast gekleed in een T-shirt met korte mouwen en schoenen zonder sokken. Ik hou van de onschuldigheid van feestjes. Het fascineert me hoe we met elkaar proberen er iets leuks van te maken. Volgens mij dansen we niet zozeer vanwege het ritme, maar om het fantastische feit dat we op een feestje zijn in ere te houden door grappen te maken met ons lichaam. Op een bepaalde manier wordt in ons het verlangen gewekt om door de anderen als kinderen herinnerd te worden. De dj droeg een vlinderdas. Maar de muziek leek eerder bedoeld voor een aerobic-les. Sacha en Peter dansten ironisch. De voordracht verliep goed, maar er was iets mis met het ondertitelsysteem, de printer deed het niet, en aangezien er maar één persoon in de zaal was die Spaans verstond – de elegante directeur van de Culturele Afdeling van de Argentijnse Ambassade – vertaalde ik mijn Sacha en Snooki column ter plekke, à l’improviste, in het Engels. Dat klinkt vreselijk, maar het viel achteraf best mee. Daarna gingen we naar het optreden van Cake. Voordat ik het hotel verliet, had de zanger van Cake de lift voor mij opengehouden. Het was al enige tijd geleden dat een vreemde mij hoffelijk had behandeld en ik toonde mijn dankbaarheid op de ergst denkbare manier: hij zei dat hij in Cake zat en ik vroeg hem wat Cake was. Sorry, mijn muzikale brein sliep even. Het optreden was geweldig. Hij verdeelde het publiek in twee groepen om de refreinen te zingen en liet ze als kinderen tegen elkaar strijden. Hij vulde hun noordelijke protestantse hoofden live met ideeën over goed en kwaad.  De refreinen gaven antwoord op de waarschuwing: “sommige mensen zijn beter dan anderen, de een wint, de ander verliest, de een gaat naar de hemel en de ander nooit”. Een deel van het publiek zong een refrein dat enerzijds kritiek gaf (I suck) en anderzijds een beschuldiging uitte (you suck too), en vervolgens iets onbelangrijks, en omdat het niet belangrijk was ben ik het vergeten. Ik denk dat kinderen de kern vormen van het culturele leven in Nederland. Daarom is het ook zo jammer dat ik op 5 december terug moet naar New York, juist op de dag dat de echte, authentieke Sant Klas (spel je dat zo?) op zijn paard in Amsterdam aankomt.

Dick en de blauwe klinkers
19-11-11

Gisteravond moest ik een van die prachtige, blauwe, typisch Nederlandse open o’s gebruiken om tijdens een voordracht de titel van mijn roman (Het hoorcollege) uit te kunnen spreken. Ik ben ervan overtuigd dat als je aan de kleur blauw denkt wanneer je je mond opendoet om de o te zeggen, de donkere klinker de smaak van een e krijgt: het gehemelte kromt zich eroverheen en de mond sluit zich als een kus over gespannen lippen. Volgens mij bevindt de auditieve kleur van het Nederlands zich ergens tussen die blauwe o’s en een a die een enkele golfbeweging maakt. Medeklinkers lijken niet meer dan een excuus om de magische stappen tussen de blauwe o’s en die a te rechtvaardigen. Het is geen statische, overeind gehouden, Duitse a. Misschien is het een a met een Latijns accent, die in die taal lijkt op een streepje boven de klinker en meestal aanhoudt tot in de volgende lettergreep. Wanneer ik iemand Nederlands hoor praten, klinkt het mij heel Aziatisch in de oren. Misschien gebruiken ze het gehemelte zoals Aziaten dat doen. Ik heb begrepen dat het meest kenmerkende aspect van het Nederlands de geweldige, dierlijke h’s zijn. Maar juist de o’s en a’s brengen een speciaal gevoel teweeg.

Gisteren las ik op het festival een stukje uit de roman in het Spaans voor en had ik mijn iPhone aangesloten om een liedje van Dick el Demasiado (pseudoniem van Dick Verdult) te laten horen. De geschiedenis van Dick Verdult in Buenos Aires, in Nederland, wereldwijd, is vreemd te noemen. Het verhaal wil dat Dick, kort nadat hij in Buenos Aires aangekomen en gesetteld was, ten prooi was gevallen aan een gifsumak die via zijn oren zijn lichaam binnengedrong. De gifsumak is een inheemse variant van de klimop die voorkomt in de buitenwijken van Buenos Aires en cumbia wordt genoemd, hoewel de oorsprong volgens ingewijden veel minder vriendelijk is. In Buenos Aires heeft Verdult een cultstatus verworven. Na zijn aankomst creëerde hij een genre dat nog niet bestond, de cumbia lunática. Zijn experimentele cumbiamuziek verspreidde zich vervolgens als een virus en besmette de verfijnde, hoogopgeleide delen van de stad. In Buenos Aires trad Dick op met Argentijnse legendes als Nico van Obi One Kenobi en Los Psíquicos Litoraleños (Helderzienden van de Kust). Nico maakte een soortgelijke ontwikkeling door, hoewel hij niet van Nederland naar Buenos Aires ging, maar van Buenos Aires naar Curuzú Cuatiá. Beiden gingen ze diep de jungle in. In Curuzú ontdekte Nico de chamamé; in Buenos Aires, in de ‘Republiek van La Boca’, begaf Dick zich op het pad van metafysische speculaties over het Argentijnse populisme. Momenteel is er in het Van Abbemuseum in Eindhoven een tentoonstelling over Verhult: ‘en op zondag vieren we Vrijdag’. Het thema van de tentoonstelling is de poëzie die onbewust ontstaat uit misverstanden en arrogantie. Er zijn acht zalen en Argentinië is in elke zaal te vinden. Ik ga er woensdag heen: tegen die tijd ben ik weer terug in Amsterdam. Het werk van Dick, met zijn nationale symbolen, wordt trance in zijn muziek. Dick leeft in een wereld van pure metaforen die elkaar besmetten. Hij spreekt niet alleen het meest speelse Argentijns, het lijkt alsof het hele Argentijnse universum samenspant om zijn hoofd binnen te dringen en er stomgeslagen weer uit te komen.

Sacha en Snooki
18-11-11

De aanwezigheid van geld, de implicaties ervan, de manier waarop het doordringt tot de kern van eenieder die erom geliefd of verlaten wordt, is aan voortdurende verandering onderhevig. Een manier om dit proces te volgen, die in niets lijkt op oude termen als fictie of poëzie, is om naar de tijdgeest te luisteren door middel van elektronica. De jonge Sacha Sperling ontdekte het ware gezicht van de maatschappij waarin hij leefde door te kijken naar de iconen die zijn maatschappij graag als voorbeeld wilde nemen (Frankrijk vs de Verenigde Staten). Gisteravond gingen we naar een erg interessant concert: de muzikanten zagen er goed uit in hun Europese shabby chic en met hun zorgvuldig gekweekte gezichtsbeharing à la de Bee Gees. Af en toe, op momenten dat de muziek erom vroeg, werden ze flink door een of ander onzichtbaar wezen in de schaamstreek geknepen teneinde extreem hoge geluiden door de zaal te laten gaan. We keerden terug met Sacha naar de blauwe kubus van het Mercure Hotel en moesten daarbij een paar skaters voor het gebouw ontwijken. Hij vertelde me dat in Parijs de plekken met fascistische architectuur tegenwoordig dienen als speeltuin voor skaters, die de plaats hebben ingenomen waar destijds een van Europa’s vroegere voorliefdes volop de ruimte kreeg. We dronken een paar blikjes cola en keken naar Jersey Shore. Op tv zagen we mensen die de natuurwet van het geld overtraden. Mensen die precies het tegenovergestelde deden van datgene waarvoor geld bedoeld is. Mensen verdienen geld om een bepaalde waardigheid te verwerven, om te veranderen, om het beste uit zichzelf te halen. We zitten in het vierde seizoen van Jersey Shore, en ze zijn nu al rijk. Maar ze kunnen niet veranderen. Ze moeten vasthouden aan de identiteit die ze aan het begin van de serie hebben laten zien; ze moeten vulgair blijven. Ze kunnen niet hoger komen op de sociale ladder. In Jersey Shore was werk, in de ogen van Snooki, niet inwisselbaar voor waardigheid. Jersey Shore is een oorlogsgebied waarin men de ander zijn wil oplegt op basis van een oerinstinct, beestachtig, zoals we dat nog kennen van stammen. Ze hoeven hun aard niet te veranderen om deel te nemen aan het spel waarin de natuurwetten van het geld nog iets betekenen. Als ze er niet aan meedoen om het geld, doen ze dan mee om vrij te zijn in hun doen en laten zonder naar iemand anders te hoeven luisteren? Zij is rijk, zij hoeft dat niet te doen. Maar Snooki moet geestelijk arm blijven om juist voor de komische noot te zorgen waarmee geld belachelijk wordt gemaakt. Ik blijf wie ik ben: Je restais Snooki.

Ik merk dat roken in Nederland niet langer koosjer is. Ik heb begrepen dat de tolerantie ten opzichte van de individuele vrijheid over het algemeen aan het afnemen is. De vriend van een vriendin zit in de bak omdat hij een huis heeft gekraakt. Een vriendin van me is bevriend met prinses Máxima. Met andere woorden, volgens de spelregels van Kevin Bacon zouden de gearresteerde kraker en de toekomstige koningin van Nederland nog geen zes mensen van elkaar verwijderd zijn. Ik heb geen idee waarom Nederland conservatief aan het worden is, waarom het land zich niet als Snooki gedraagt. Zij is vrij, ze hoeft dat niet te doen. Maakt het deel uit van het Europese complot dat de armste landen teren op de rijkste, en dat de rijkste zichzelf daarvoor straffen door het inperken van vrijheden? Is het een culturele uitwisseling?

Op Twitter was #filosofie een trending topic; gisteren was het wereldfilosofiedag. Tijdens het diner in een Indonesisch restaurant hoorde ik dat de naam van een van mijn favoriete filosofen, Sloterdijk, komt van een ‘dijk’ die in de buurt van een ‘slot’ ligt. We bevinden ons in het moeras. De gedachte aan hoe het er hier achthonderd jaar geleden uitzag laat me niet los: een enorm moeras omringd door zachtglooiende heuvels, vele kilometers. Wat me ook niet loslaat is de vraag of ze het dichtgegooid hebben om elkaar beter te kunnen belegeren en dichterbij elkaar te komen. Ik had al zo lang niemand meer gesproken.

Hallo festival
07-11-11

Over het algemeen bieden festivals je de gelegenheid om in ongedwongen sfeer kennis te maken met schrijvers, in een poging het saaie, nauwgezette, suffe imago van literatuur wat op te poetsen. Aangezien het er minder geordend aan toegaat dan op muziekfestivals, waar druggebruik en mensenmassa’s in toom gehouden moeten worden, en het nieuwer is dan het museum, kan een literair festival de functie vervullen van een hartverwarmend spiritueel concert, dat op zijn minst een bijdrage aan de algemene kennis van de bezoeker levert, en zo niet dan toch zeker een aanvulling is op zijn lijstje van bezienswaardigheden. In Zuid-Amerika is een festival een middel om een gevaarlijke bestemming te promoten door er iets cultureels te laten plaatsvinden. In Zuid-Amerika worden er festivals gehouden om het effect van boeken te verzachten, om plekken die in de literatuur iets sinisters hebben gekregen weer mooi te maken: de gemeente Medellín organiseert een festival om schrijvers en lezers te laten zien dat hetgeen Fernando Vallejo over de stad schreef gelogen is (niet meer zo is). Ze raden je aan naar de buurt te gaan waar De madonna van de moordenaars zich afspeelt: hun organisatorisch enthousiasme is bijna aandoenlijk. Hetzelfde geldt voor Salman Rushdie in Rio en Martin Amis in Xalapa: festivals kunnen bijdragen aan de romantisering van deze gevaarlijke steden als een avontuurlijke, culturele mantel van licht (ter verdediging van design, de vijand van het ongecultiveerde verleden). De Europese schrijver die aankomt op een Zuid-Amerikaans festival voelt zich overweldigd; de vlucht, de hitte, het tropische klimaat zijn overweldigend en stimuleren hem om snel bezit te nemen van zijn festivalbestemming: over het algemeen zie je hem onderuitgezakt in een strandstoel het inheemse aanbod aan achtersten bewonderen en afwezig door het festivalprogramma bladeren. Hij loopt over van goede wil en misschien geeft hij wel een interview aan een jonge freelance journaliste. In een dergelijke omgeving kan het verlangen onder de schrijvers ontstaan om met elkaar van gedachten te wisselen. Als, na een paar drankjes, net na middernacht, de jonge Zuid-Amerikaanse schrijfster zich in haar ondergoed in het zwembad laat vallen, is de kans groot dat een Europese collega haar zal volgen (zoals een gevierd Frans schrijver deed toen hij de stemming wilde peilen in het door het nachtelijke chloor uitgebluste water van een zeker Caraïbisch literatuurparadijs). Het Zuid-Amerikaanse festival kan een Europeaan inspireren tot heroïsche daden, maar wie gaat me redden als ik in een Nederlands zwembad val? Wat is de hoeveelheid alcohol die een omstander tot zich moet nemen wil hij het überhaupt overwegen, middenin het regenseizoen? Over deze belangrijke psychosociale kwestie zit ik te piekeren in een Cessna 402 die temidden van Noord-Amerikaanse wolken in slow motion het luchtruim tussen New York en Boston doorkruist. Beneden me strekt zich een wereld uit van glooiende heuvels, als een zwart-wit sudokuraster. Ik heb enige tijd ver van de beschaving geleefd, me teruggetrokken in Yaddo, een laatnegentiende-eeuws landgoed verborgen in het bos waar Sylvia Plath haar fascinatie voor het ouijabord ontdekte en Edgar A. Poe zijn gedicht De Raaf schreef. Ik verlaat Yaddo en keer terug naar de greep van de beschaving, op bezoek bij vriendin en zangeres Clara, in Cambridge. Al met al weet ik niet wat me tijdens dit Europese festival te wachten staat. Zal ik het, zoals mijn landgenote Máxima, voor elkaar krijgen om als prinses behandeld te worden? Of zal ik eerder lijken op mijn Zuid-Amerikaanse landgenoten die slechtbetaald werk verrichten om op Nederlandse bodem te kunnen overleven? Of zal het meer iets weg hebben van de rosse buurt in Amsterdam: een festival waar het befaamde Argentijnse vlees overgeleverd wordt aan een mollige Nederlandse meesteres? Ik kijk er nu al naar uit…