Toen ik genoeg had gedanst in Den Haag en in Antwerpen, kwam ik voor de laatste nacht in het hotel aan. Rond drie uur stapte ik mijn hotelkamer binnen. Ik hoorde een vreemd geluid dat uit de minibar bleek te komen. Die arme kleine ijskast probeerde zich driftig te koelen, maar stond koortsig te zweten als een hulpeloos kind. De Sprite was warm, en de reep Mars zag eruit alsof iemand hem in de zon had laten liggen.
Ik raakte in paniek en probeerde de minibar te koelen door de deur open te zetten. Ik dacht dat ik hem nieuw leven moest inblazen, net als bij een oververhitte nationale economie. Of misschien moest ik natte doekjes op zijn dakje leggen of hem gewoon volledig uitschakelen. Toen hij maar niet wilde afkoelen, begon ik bang te worden voor brand. Kortsluitingen beginnen vaak in kapotte ijskasten. Een brand door kortsluiting is snel en heet, in een ogenblik is alles voorbij. Ik zag de krantenkoppen al voor me: “Veelbelovende auteur gestorven in tragische minibarbrand”. Natuurlijk, dacht ik. Alleen rocksterren sterven in hun hotelkamer aan een overdosis drugs. Neurotisch-komische schrijfsters sterven in een onvoorziene minibarbrand.
Het zou een dramatisch einde geweest zijn van het korte optreden van de schrijfster, aan de zijde van haar boek, op het Crossing Border festival: in vlammen op te gaan. Slechts geschriften – en enkele foto’s genomen op de dansvloer, en de rekening van de minibar: 2,20 euro voor een opgegeten chocoladereep – zouden achterblijven om te bewijzen dat de auteur Pulkkinen ooit in België en Nederland was geweest.
Hoe dan ook: mijn minibar hield het vol tot de volgende ochtend. Ik ben niet gestorven. Crossing Border liep ten einde en ik vloog terug naar Helsinki. Thuis luisterde ik moe en dolgelukkig naar Patrick Watson, een van mijn ontdekkingen op Crossing Border, en ik bedacht dat ik op een bepaalde manier toch in Den Haag en Antwerpen was achtergebleven.
Thuis ben ik namelijk als schrijfster een beetje iemand anders. Ik dans evenveel, ik lach, maar ik schrijf op een andere manier.
Ik geloof dat het bij schrijven gaat om het aannemen van verschillende rollen. Voor mijn part mag je schrijvers schizofreen noemen, of empatische ethici, in elk geval doen ze zich voortdurend als andere mensen voor, met de bedoeling nieuwe ervaringen op te roepen. Daarna glippen ze stilletjes weg – of gaan ze onder in een minibarbrand – en laten een tekst achter. De lezer installeert zich in de tekst en vindt er zichzelf. Zo hoort het te gaan.
Het beste aan Crossing Border – naast de muziek – was dat: doen alsof ik iemand anders was. Opeens schreef ik op een heel andere manier dan vroeger. Ik stond verbijsterd van mezelf: zat er iets in het water? Was dat de oorzaak van die verandering in stijl? Misschien. Of misschien was het gewoon de unieke sfeer op het festival, en het uitzonderlijke karakter van het Chronicles-project. Nog nooit eerder heb ik zo ongedwongen elke dag een kleine novelle geschreven. Nog nooit eerder kreeg ik de kans om met behulp van dagelijkse muzikale belevenissen een soort live soundtrack in mijn tekst te integreren.
En dus schreef ik bizarre, korte novellen over vrouwen zonder hoofd en over ingebeelde grensposten. Ik heb geen idee waar ze vandaan kwamen. Ze ontstonden uit de muziek of uit mij of uit de auteur die vorige nacht omkwam in een ingebeelde minibarbrand in een Antwerps hotel.
Ik hoop dat de lezer zichzelf in deze korte novellen vindt, en dat hij mij vindt, als de schrijfster die ik was toen ik Crossing Border bezocht tijdens vijf dagen in november 2009. En we zullen elkaar groeten, en misschien een polka dansen.