Tom ten Hove
Flood Tide
11-07-2016

Stormtij

 

De nieuwe asfaltweg kruipt langs ons huis, de zomer nadat mijn zus ons mams heeft begraven bij de schutting in de achtertuin, met haar hoofd voorbij de latten zodat haar voeten niet in de bonen lagen. Toen ze doodging was het nog de stormachtige helft van maart en het is midden juli nu de weg langsdobbert, een rivier van stinkende teer die zich een weg baant door de uiterwaarden en het struikgewas. We kijken er een week naar, eerst vanaf het dak en daarna van tussen de bonen; Zora en ik turen door onze samengeknepen vingers naar de zwarte streep en tellen hoeveel duimen we nodig hebben om de ruimte tussen de weg en ons mams te overbruggen.

Zora is een neuslengte kleiner dan ik, maar ze heeft betere ogen en als ze op haar tenen gaat staan, kan ze mannen zien, terwijl ik niets anders zie dan een donkere streep, als een laag slib onder aan mijn ogen. Zora zegt dat de mannen met een stalen deegrol een truck volgden en dat ze de plooien gladstreken die hij achterliet. Zij was die weg afgegaan toen het nog een zandpad was, vol kuilen en half zo breed. Ze had hem helemaal gevolgd tot aan St. Louis, of ze had de weg gevolgd die leidde naar de weg die erin overging, en ze wist alles over de plekken waar ze eindigen.

Voor mij zijn wegen als de touwtjes van een spelletje kop-en-schotel, steeds verstrengeld, elkaar kruisend, tot ze weer in een knoop opgaan, maar Zora weet altijd het einde te vinden. Zij slaapt nu in het bed van ons mams, met het geld in een koffieblik eronder verstopt, en toen ik haar graf niet diep genoeg kon graven vanwege het grondwaterpeil, liep zij naar de stad en belde de neven in Des Moines om te vragen of die het kwamen doen.

De wegwerkers zien eruit alsof ze niet van hier komen, maar van het eind van zo’n weg waar Zora geweest is, met hun blaren als roze bobbels op hun rug en handen. Ze komen naar het huis op de dag dat de stank van teer elke hoekje als muskus heeft gevuld en ik de overgebleven ruimte tussen hun weg en ons mams nauwelijks nog kan vastknijpen. Er zit er één bij die zichzelf W.E. noemt en die zijn benen heel hoog optilt als hij loopt, alsof hij peddelt, maar dan zonder fiets. Hij kijkt me nooit rechtstreeks aan, niet door de hordeur en ook niet wanneer ik de peuter oppak en bij ze op de veranda ga staan. De man die zich voorstelt als ‘Zane, Miss’ is jonger en zijn haar lijkt op de rug van een kat, helemaal gladgestreken met spuug. Hij kijkt me aan, terwijl ik Cal van de ene heup op de andere til, en hij trekt zijn mondhoeken op dezelfde manier omhoog als hij rokjes optilt. ‘Wist u dat er een lijk onder onze weg ligt?’ vraagt hij.

Al een week lang had ik over deze dag nagedacht, terwijl ik stil in bed lag met het warme gewicht van aarde over me heen, en ik stelde me voor dat wielen altijd maar sporen achterlieten in mijn hoofd. Zora was breeduit op mams bed gaan liggen met haar handen gevouwen als de krul van een viool en zei dat ze ook graag onder een weg begraven zou willen worden. Het zou zijn alsof ze ergens heen was gegaan en het daadwerkelijk zo gebleven was. Zora was altijd al benieuwd naar het moment van verdwijnen, het haarscheurtje waar onze vader en broer doorheen geglipt waren zoals het onze moeder nooit was gelukt. Ze had vrede met de onpeilbare diepten die door hun afwezigheid achterbleven, met haar bijziende blik op de wereld, en de neven die met luid gerammel vanuit Iowa hierheen waren gekomen om haar te begraven hadden we nog nooit gezien. De ene had een baard die al flink grijs werd en praatte over haar alsof ze een kind was. De andere twee hadden zware, lome ledematen en de slome uitdrukking van jongens, met net zo weinig interesse voor haar als zij voor hen.

‘Ik heb het gezien,’ zeg ik. ‘Ze ligt te diep, daarom kunnen mijn zus en ik haar niet verplaatsen, en mijn man zit in St. Louis.’ In aanwezigheid van onbekenden waren Zora en ik altijd getrouwd. Nog een les die we van onze mams hebben geleerd, die onze vader als een geest tevoorschijn kon toveren als er reparateurs of zwervers in de buurt waren: een paar laarzen op de veranda, een geweer op de schoorsteenmantel, oude kleren aan de waslijn. Ik heb alleen Cal en hij is als een klein rivierkreeftje in mijn armen dat kronkelend van de haak glipt. Ik moet hem zowat kapot knijpen wanneer ik hem op wil tillen.

‘Daarom zijn we hier,’ zegt Zane. ‘In het dorp hoorden we dat jullie meiden hier helemaal alleen zijn en zo zwak als twijgjes.’ ‘We willen dat het leggen van die weg een fluitje van een cent is.’ W.E. fluit alsof er een bom valt.

‘We zullen het met respect doen. Onze pa was dominee,’ zegt Zane. Ik denk aan de rinkelende kwartjes in het koffieblik en de grote honger van onze neven na het graven van dat graf, hoe ze aan onze keukentafel zaten en die optilden met hun knieën en hoe hun handen de kromming van onze lepels recht hadden geduwd. Zora zou weten wat er moest gebeuren. In St. Louis had ze bepaalde dingen geleerd als het om mannen draaide – wat er in ze omging, waar ze heengingen als ze verdwenen. Maar ze had ook geleerd om binnenshuis bont te dragen, om kusjes te geven door met haar wimpers tegen onze wangen te knipperen, en hoe ze moest eten. Ons mams legde haar nieuwe jurken uit en gaf haar te eten van haar eigen bord en zei dat ze geluk had om dik te zijn in moeilijke tijden en ze was trots. Ze was nog steeds trots toen ze Cal in haar armen hield, die zo dik was als een stroopkan en bijna net zo plakkerig. Ze zou nog steeds trots zijn op Zora, de verloren dochter die met haar voeten op de keukentafel naar het verre gekraak van de radio luisterde. Onze mannen waren te ver weg voor onze moeder en ik was te dichtbij, maar Zora zat precies goed – voortgekomen uit de ether, de Bijbel herschreven met haar en haar kind erin.