Alexandra Kist
29-09-2015

‘Wélke kleur zijn wij ook alweer?’ Ik stond achter mijn vader terwijl hij de krant las, met mijn kin op zijn schouder, en ik wees naar een kaart van Kroatië vol rode en blauwe stippen die de vijandelijke legers moesten voorstellen. Hij had het me al eens verteld, maar ik kon ze maar niet uit elkaar houden.
‘Blauw,’ zei mijn vader.
‘De Kroatische Nationale Garde. De politie.’
‘En de rode?’ ‘Jugoslavenska Narodna Armija. Het JNA.’
Ik snapte niet waarom het Joegoslavische Volksleger Kroatië zou willen aanvallen, dat vol Joegoslavische mensen zat, maar toen ik het aan mijn vader vroeg, zuchtte hij en sloeg hij de krant dicht. Terwijl hij dat deed, ving ik een glimp op van de voorpagina waar een foto op stond van mannen die met kettingzagen en vlaggen met schedels erop in de lucht zwaaiden. Ze hadden een boom omgezaagd die nu over de weg lag en het verkeer in beide richtingen blokkeerde; de krantenkop
BOOMSTAMREVOLUTIE! stond er in vette zwarte letters onder.
‘Wie zijn dát?’ Vroeg ik mijn vader. De mannen hadden baarden en droegen bij elkaar geraapte uniforms. In geen van de militaire parades had ik de JNA-soldaten ooit met piratenvlaggen gezien.
‘Četniks,’ zei hij terwijl hij de krant opvouwde en hem buiten mijn bereik op een plank boven de televisie legde.
‘Wat zijn ze met die bomen van plan? En als ze in het leger zitten, waarom hebben ze dan baarden?’
Ik wist dat de baarden veelzeggend waren want het was me opgevallen dat iedereen zich opeens schoor. Overal in de stad werden mannen met een baard van meer dan twee dagen achterdochtig aangekeken door hun gladgeschoren soortgenoten. De week ervoor had de vader van mijn beste vriend Luka zijn baard afgeschoren. Die had hij al voordat Luka en ik werden geboren. Omdat hij niet in staat was er volledig afscheid van te nemen, had hij zijn snor laten staan, maar dat had voornamelijk een komisch effect: de borstelige haren op zijn bovenlip vormden een schim van het gezicht dat we kenden en zorgden ervoor dat hij er permanent troosteloos uitzag.
‘Ze zijn Orthodox. In hun kerk laten mannen hun baard staan als ze in de rouw zijn.’
‘Waar zijn ze dan verdrietig over?’
‘Ze wachten tot er weer een Servische koning op de troon zit.’
‘We hebben niet eens een koning.’
‘Zo is het wel genoeg geweest, Ana,’ zei mijn vader.
Ik wilde meer weten – wat had een baard met verdrietig zijn te maken, waarom hadden de Serven zowel het JNA als de Četniks aan hun kant staan terwijl wij alleen maar de oude politie hadden, maar mijn moeder plaatste een mes en een kom vol ongeschilde aardappels voor me op tafel voordat ik erover kon beginnen.

Luka filosofeerde te midden van de chaos. Hij had me altijd vragen gesteld die ik niet kon beantwoorden, en schetste hypothetische situaties die onze fietstochtjes van eindeloze gesprekken voorzagen. We hadden het meestal over het heelal, hoe het mogelijk was dat een ster al dood was tegen de tijd dat wij hem zagen vallen, waarom vliegtuigen en vogels in de lucht bleven hangen en wij aan de grond gebonden waren, en of je op de maan wel of niet alles door een rietje moest drinken. Maar nu was zijn onderzoekende geest enkel op de oorlog gericht – wat bedoelde Milošević toen hij zei dat het land gezuiverd moest worden, en hoe zou een oorlog moeten helpen terwijl de explosies er zo’n troep van maakten? Waarom raakte het water steeds op als de pijpen onder de grond lagen, en als die pijpen stukgingen door de bombardementen, waren we dan wel veiliger in de schuilkelders dan in onze huizen?