Dieter De Wilde
Het enige wat je moet doen
13-07-2015

Het was 1972 en Sid Baumwell was hongerig. Naar het zout op de bodem van de schaal met pretzels, naar bevroren Marsrepen, naar waardering van iemand die geen bloedverwant was – bij voorkeur een meisje met roze wangen en grote slaperige ogen, zoals het meisje in ‘The Graduate’, zijn op een na favoriete film aller tijden. Hij kon zichzelf twintig keer optrekken. Geen acne. Hij was niet ongelooflijk knap maar ook niet lelijk – knap genoeg, vond hij zelf, om zijn honger te verantwoorden. Sproeten op de brug van zijn neus, voeten die lichtjes naar buiten stonden, behoorlijke lengte. Slim. Dit wist hij. Dit vertelden zijn leraren hem wanneer ze hem apart namen om het over zijn potentieel te hebben dat hij ongebruikt liet. Hij had potentieel, en dat was meer waard dan goede cijfers, opbeurender dan om het even welke 10. Hij koesterde het geheime geloof dat hij, als hij dat echt, maar dan ook echt wilde, president kon worden, maar hij wilde niet, genoot teveel van zijn persoonlijke vrijheden – hoe dan ook, politici waren sukkels. Hij zei tegen zichzelf dat hij als oudste van de drie zo’n beetje de president van de kinderen was, ook al wist hij dat hij te passief was, confrontaties schuwde en hij niet genoeg rechtmatige woede bezat. Zijn zus, Robin, had alle woede gekregen. ‘Etterbak,’ snauwde ze. Gedurende zes maanden had ze alleen maar met Jan Lul naar hem verwezen, wat pas echt gemeen werd als je haar ziedende blik erbij zag. Zelfs toen antwoordde Sid door zijn schouders op te halen en weg te lopen. Wanneer zijn broer een Marsreep uit de vriezer nam, de Marsreep van Sid, wat deed Sid dan? Hij zette het van zich af. Geconfronteerd met de schotelogen van zijn broer, zijn misvormde rechterhand, de chocoladering rond zijn bleke mond, vond Sid alleen maar de kracht om zijn schouders eens op te halen.

Ja, goed. Hij zou toch maar een on-Amerikaanse president zijn, teveel medeleven met de achterlijken en de invaliden. Zijn moeder noemde hem ‘lieverd’ of ‘Teddybeertje’. ‘Hou je kop, ma!’ had hij nog nooit gezegd, maar het vermoeden dat hij dit zou moeten zeggen, groeide wel. Een volbloed viriele jongen van zestien moest zich misnoegd voelen. Waar was zijn trots? Waar! Maar hij kwam er nooit toe, en zijn mam hield toch zo veel van hem.

Toen hij op een dag in de kruidenierswinkel melk, donuts met poedersuiker en drie blikjes maisroomsaus ging halen, zag hij dat er naast de kassa een vouwtafel was opgezet. Een man in een donker kostuum stond achter de tafel – glad naar achter gekamd haar, brede schouders en een glimlach voor Sid alsof ze oude vrienden waren. De man zei, ‘En jongen, voel jij je vandaag een winnaar?’

Sid dacht er even over na. ‘Misschien?’

‘Er is geen “misschien” aan. “Misschien” geeft de goden een kans je links te laten liggen.’

‘Ik voel me een winnaar,’ zei Sid.

De man stak zijn hand uit. Dit was op een punt in het leven van Sid toen hij zich nog gevleid voelde wanneer een oudere man zijn hand schudde, gevleid door een handdruk die zo hard was dat het pijn deed. Deze handdruk duurde net een tel te lang, maar dat wist Sid niet. Er sprak respect uit de handdruk; respect was ook iets waar Sid hongerig naar was. De man zei dat hij Bill Baxter heette en een vertegenwoordiger was van een lokaal bedrijf dat aluminiumfolie en waspapier verkocht, naast andere prima producten die dit harde leven makkelijker maken. Hij reisde door de streek om stalen uit te delen en tombola’s te organiseren in kruidenierszaken. Was Sid geïnteresseerd in een levenslange voorraad aluminiumfolie?