Joëlle Feijen
DOOR Olga Grjasnowa
01-12-2015

In Den Haag ben ik eenendertig geworden, vreemd genoeg is je eenendertigste verjaardag veel belangrijker dan je dertigste. Vanwege dit ouder worden heb ik met mijn dochter een van de meest kenmerkende herinneringen uit mijn kinderjaren gesimuleerd. We hebben samen naar een tekenfilm gekeken. De Sovjetfilm Cipollino werd getekend in 1961 op basis van het kinderboek Le avventure di Cipollino van Gianni Rodari. De regie werd verzorgd door Boris Dezkin. In Cipollino (van het Italiaanse cipolla – ui) worden verhoudingen in de maatschappij op dialectische wijze aan de kaak gesteld, in de gedaante van fruit en groente.

In een ver koninkrijk woedt een klassenstrijd tussen de groenten en de vruchten. Cipollino, de vrolijke working class-Ui, trapt tijdens een militaire parade per ongeluk op de tenen van prins Citroen. Cipollino’s oude, zwakke vader neemt de schuld op zich en wordt meteen in de gevangenis gegooid. De geruchten in het koninkrijk worden aangedikt, die ‘oude’ Ui zou een aanslag hebben beraamd, een gevaarlijke terrorist was het, die opgesloten moest worden en nooit meer mocht vrijkomen. Wat Cipollino intussen het meest zorgen baart, is dat zijn vader door misdadigers wordt omringd. Maar bij een bezoek aan de gevangenis antwoordt zijn vader hem doodkalm: ‘Welnee, dat zijn hier allemaal eerlijke mensen.’

Er volgen nog andere onrechtvaardigheden, de hut waarin Pompoen woont, wordt in beslag genomen omdat hij zogenaamd illegaal werd gebouwd. Er wordt een waakhond in gezet, die bij alle verdachte personen moet aanslaan. De groenten radicaliseren, Pompoen en andere vrienden van Cipollino duiken onder. Met behulp van een list lukt het hen zelfs om de hut van Pompoen opnieuw te veroveren en in het bos te verstoppen, ook Cipollino’s vader wordt uit de gevangenis bevrijd. Prins Citroen en zijn handlanger Tomaat verscherpen de controles en starten een grootscheepse opsporingsactie, die beslist wat weg heeft van de huidige, allesomvattende digitale onderzoeken. Een beroemde onderzoeker uit het buitenland wordt uitgenodigd en de adel (Kersen) vlucht uit voorzorg weg uit het koninkrijk. Cipollino en zijn helpers worden gesnapt, net zoals veel onschuldige burgers. Muzieknoten worden geconfisqueerd, met als reden dat het gecodeerde berichten zouden zijn, en Pompoens hut in het bos wordt ontdekt. Tussen haakjes: de geweldige muziek bij de film komt van Karen Soerenovitsj Chatsjatoerjan, een leerling van Sjostakovitsj.

De adellijke Kersen zijn twee oudere juffers, die net als Siamese tweelingen of toch juist als kersen een aaneengegroeid hoofd hebben. Hun neef, kleine Kers, is een gevoelige, tengere en goedgelovige jongen in korte broek. Natuurlijk verraadt hij zijn tantes en kiest partij voor de revolutie. In een Griekse tragedie zou hij voor dit verraad bitter hebben moeten boeten, Freud zou nog preciezer op zijn tantes zijn ingegaan, maar het communisme beloont hem eenvoudigweg.

Uiteraard loopt alles goed af, en goed betekent in dit geval: wereldrevolutie en de opbouw van een nieuwe, rechtvaardigere samenleving. Tomaat ontploft, de twee Kersen blijven in het buitenland en iedereen bouwt. Ik had altijd al iets tegen die kleine Ui en ik denk er al een paar jaar over na wat dat zou kunnen zijn. De kleine Kers genoot altijd al mijn volle sympathie, misschien omdat hij er zo breekbaar en intellectueel uitziet, de held daarentegen alleen maar onbehouwen. Misschien maakt hij gewoon een minder dreigende indruk. Toch heb ik de tekenfilm al zo’n veertig keer gezien en kort voor het happy end is mijn dochter in slaap gevallen.

Alle vertalingen van Joëlle Feijen
01-12-15

In Den Haag ben ik eenendertig geworden, vreemd genoeg is je eenendertigste verjaardag veel belangrijker dan je dertigste. Vanwege dit ouder worden heb ik met mijn dochter een van de meest kenmerkende herinneringen uit mijn kinderjaren gesimuleerd. We hebben samen naar een tekenfilm gekeken. De Sovjetfilm Cipollino werd getekend in 1961 op basis van het kinderboek Le avventure di Cipollino van Gianni Rodari. De regie werd verzorgd door Boris Dezkin. In Cipollino (van het Italiaanse cipolla – ui) worden verhoudingen in de maatschappij op dialectische wijze aan de kaak gesteld, in de gedaante van fruit en groente.

In een ver koninkrijk woedt een klassenstrijd tussen de groenten en de vruchten. Cipollino, de vrolijke working class-Ui, trapt tijdens een militaire parade per ongeluk op de tenen van prins Citroen. Cipollino’s oude, zwakke vader neemt de schuld op zich en wordt meteen in de gevangenis gegooid. De geruchten in het koninkrijk worden aangedikt, die ‘oude’ Ui zou een aanslag hebben beraamd, een gevaarlijke terrorist was het, die opgesloten moest worden en nooit meer mocht vrijkomen. Wat Cipollino intussen het meest zorgen baart, is dat zijn vader door misdadigers wordt omringd. Maar bij een bezoek aan de gevangenis antwoordt zijn vader hem doodkalm: ‘Welnee, dat zijn hier allemaal eerlijke mensen.’

Er volgen nog andere onrechtvaardigheden, de hut waarin Pompoen woont, wordt in beslag genomen omdat hij zogenaamd illegaal werd gebouwd. Er wordt een waakhond in gezet, die bij alle verdachte personen moet aanslaan. De groenten radicaliseren, Pompoen en andere vrienden van Cipollino duiken onder. Met behulp van een list lukt het hen zelfs om de hut van Pompoen opnieuw te veroveren en in het bos te verstoppen, ook Cipollino’s vader wordt uit de gevangenis bevrijd. Prins Citroen en zijn handlanger Tomaat verscherpen de controles en starten een grootscheepse opsporingsactie, die beslist wat weg heeft van de huidige, allesomvattende digitale onderzoeken. Een beroemde onderzoeker uit het buitenland wordt uitgenodigd en de adel (Kersen) vlucht uit voorzorg weg uit het koninkrijk. Cipollino en zijn helpers worden gesnapt, net zoals veel onschuldige burgers. Muzieknoten worden geconfisqueerd, met als reden dat het gecodeerde berichten zouden zijn, en Pompoens hut in het bos wordt ontdekt. Tussen haakjes: de geweldige muziek bij de film komt van Karen Soerenovitsj Chatsjatoerjan, een leerling van Sjostakovitsj.

De adellijke Kersen zijn twee oudere juffers, die net als Siamese tweelingen of toch juist als kersen een aaneengegroeid hoofd hebben. Hun neef, kleine Kers, is een gevoelige, tengere en goedgelovige jongen in korte broek. Natuurlijk verraadt hij zijn tantes en kiest partij voor de revolutie. In een Griekse tragedie zou hij voor dit verraad bitter hebben moeten boeten, Freud zou nog preciezer op zijn tantes zijn ingegaan, maar het communisme beloont hem eenvoudigweg.

Uiteraard loopt alles goed af, en goed betekent in dit geval: wereldrevolutie en de opbouw van een nieuwe, rechtvaardigere samenleving. Tomaat ontploft, de twee Kersen blijven in het buitenland en iedereen bouwt. Ik had altijd al iets tegen die kleine Ui en ik denk er al een paar jaar over na wat dat zou kunnen zijn. De kleine Kers genoot altijd al mijn volle sympathie, misschien omdat hij er zo breekbaar en intellectueel uitziet, de held daarentegen alleen maar onbehouwen. Misschien maakt hij gewoon een minder dreigende indruk. Toch heb ik de tekenfilm al zo’n veertig keer gezien en kort voor het happy end is mijn dochter in slaap gevallen.

16-11-15

Ik heb gisteren lang nagedacht over de tegenstelling tussen een literatuurfestival en een boekenbeurs, waarom je na een festival goedgehumeurd op het vliegtuig stapt en waarom je je na een boekenbeurs het liefst van kant zou maken. Ik houd van literatuurfestivals, maar ook van boekhandels en bibliotheken. Mijn moeder heeft me met boeken volgestopt – ze waren voedsel en het fundament van mijn opvoeding: toen ik negen was, gaf ze me Feuchtwanger, op mijn tiende Balzac en Hašek, later Kafka en Zweig. Feuchtwanger nam in ons huishouden de plaats in van religieuze opvoeding en ik vrees dat ik van Stefan Zweigs Brief van een onbekende te veel heb geleerd over liefdesrelaties. Vanochtend stapte ik samen met de legende Abraham B. Jehoshua op de bus naar het vliegveld en ik kon mijn geluk totaal niet vatten. Naast hem zitten was surreëel. Met hem praten nog meer.

Maar boekenbeurzen zijn een ding op zich. Mijn stelling is dat het daar volstrekt niet om literatuur gaat, tenminste niet op de grootste beurs in Frankfurt. Er wordt onderhandeld over verkooprechten aan het buitenland, er worden prijzen uitgedeeld en nieuwe trends gezet. Agenten en uitgevers fluisteren je telkens weer toe dat dit voor auteurs beslist de verkeerde plaats is. Ik ben bang dat ze niet helemaal ongelijk hebben. In Frankfurt gaat het vooral om zakendoen, en dat gaat niet met bellettrie.

Boekenbeurzen zijn ongezond, vermoeiend en uiterst geschikt om te consumeren. Je maakt er geen kennis met literatuur, al de lezingen vinden terloops plaats. Het concentratievermogen van de toeschouwers bedraagt zelden meer dan tien minuten. Toch is een beurs net als een festival ook zoiets als een grote avonturenspeeltuin met trekjes van een schoolreisje. Elk jaar opnieuw ontmoet je mensen uit de hele wereld, buitenlandse uitgevers, agenten, boekhandelaars en journalisten. In de gangen spreek je af om koffie te drinken of om samen naar een van de talrijke recepties of feestjes te gaan. Tegen het eind van de beurs worden de nachten steeds korter, de kringen onder je ogen donkerder en jijzelf steeds meliger. De traditionele joodse afscheidsformule op het eind van de Pesach-seder luidt: ‘Volgend jaar in Jeruzalem’ – op de Buchmesse kun je er tamelijk zeker van zijn dat je elkaar ook volgend jaar weer zult ontmoeten.

Een erg Duits detail is bovendien het overschot aan Manga-kinderen – zowel in Frankfurt als op de Leipziger Buchmesse schuifelen rijen jongeren in zelfgenaaide Manga-kostuums door de smalle gangen. Toegegeven, hun aanblik is soms grotesk, de beste situaties ontstaan, zoals zo vaak, in de rijen voor de damestoiletten – mollige tieners beschilderen hun lichaam met blauwe verf, brengen hun hobbit-oren en plastic staarten weer in orde naast slanke, oudere dames, die lippenstift van Chanel op hun lippen smeren en de jeugd proberen te betrekken bij filosofische gesprekken over fantasy. Wat zij op de boekenbeurs doen, kan ik helaas niet verklaren: vroeger kwam ieder verkleed persoon gratis binnen, dat haalde de gemiddelde leeftijd in de statistieken omlaag.

Het was een geweldig festival en ik zou al de mensen willen bedanken die deze ervaring mogelijk hebben gemaakt en mijn teksten dag na dag prachtig hebben vertaald.

14-11-15

Eindelijk! Het festival is begonnen en roept inderdaad de herinnering op aan een geslaagd schoolreisje. Hoewel ik aan mijn schooljaren geen al te goede herinneringen heb en ook de schoolreisjes bijna uit mijn geheugen heb verdrongen. Het instituut school brengt ongelofelijk veel vernederingen, mislukkingen en identiteitstwijfel met zich mee. Door een schoolreisje kun je altijd even aan die zinloosheid ontsnappen.

In Den Haag is het beter. Veel beter. Elke vijf minuten ontmoet je in de lobby een oude kennis, je begroet en omhelst elkaar, je bent oprecht blij. Daar is de geweldige Nino Haratischwili, die vorig jaar een uniek en uitstekend boek heeft gepubliceerd, Het achtste leven beschrijft een hele eeuw Russische, Sovjet-Russische en Georgische geschiedenis aan de hand van de familie Jasji, waar zowel communisten die trouw zijn aan het regime als dissidenten in rondlopen. Verscheidene generaties mislukken door toedoen van zichzelf, de verschillende systemen, de familie en de liefde. Zo wordt er in dit boek ook verteld over het Georgië in de jaren negentig van de twintigste eeuw, een periode waarover weinig wordt gesproken. Zoals veel periodes in de geschiedenis van de Kaukasus was dat een duister hoofdstuk dat nog steeds niet onderzocht of zelfs neutraal beschreven werd. Jammer genoeg is dat ook de tijd waarin ik ben opgegroeid, waardoor dit boek mij zo na aan het hart ligt. Het boek is meedogenloos eerlijk en echt gebeurd, en het berust op goede research. Nino Haratischwili weet niet alleen gevoelens en mentaliteiten weer te geven, maar ook historische feiten, die graag en vooral in onze tijd onder het tapijt van de herinnering worden geveegd.

Ook de niet minder fantastische Nir Baram slaagt erin iets gelijkaardigs te creëren. In zijn laatste boek beschrijft hij het leven tijdens het nationaalsocialisme en het stalinisme. Vooral het ‘Russische’ deel staat in mijn geheugen gegrift. Een passage waarin een jonge Tsjeka-medewerkster, die gedwongen werd haar eigen familie te verraden, op het hoofdkantoor van de veiligheidsdienst een vroegere vriend van haar ouders ondervraagt – hij moet bekennen. Maar in plaats daarvan giet hij kokendheet water over haar hand.

En dan Saša Stanišić! Fenomenale en perfecte boeken die me niet meer loslaten en zelfs mijn moeder tot tranen toe roerden, of het nu het verhaal van de jonge Alexander is, die de oorlog in Bosnië meemaakt, of de prachtige roman Nacht voor het feest, die één enkele dag van een dorp in de Uckermark beschrijft. Niet te vergeten de schitterende korte verhalen van Karen Köhler en de eerste mooie roman van Mirna Funk.

Natuurlijk verdwijnt dit alles in het niets bij de gebeurtenissen van afgelopen nacht in Parijs, van de nacht daarvoor in Beiroet of van deze ochtend in heel Syrië en Bagdad. Vanzelfsprekend heerst er nu ook hier in Den Haag een heel andere sfeer. Zelfs de hemel is niet meer stralend blauw, zoals de afgelopen dagen, maar regengrijs.

13-11-15

Als je moeder wordt, onderga je verscheidene metamorfosen, lichamelijk natuurlijk, maar ook psychisch. Je stuit op grenzen waarvan je het bestaan nog niet eens vermoedde. Zo is er een grens waarop ik weliswaar bedacht was, maar waarvan de hevigheid me toch heeft overrompeld: de metamorfose van de werkende vrouw. Het begint met redacteurs die zinnen zeggen zoals: ‘We hebben achter jouw naam voorlopig een vraagteken gezet, nu je zwanger bent.’, dan zijn er moderatoren die tijdens lezingen vaststellen dat je natuurlijk niet meer schrijft omdat je thuis een klein kind hebt rondlopen. Organisatoren die zich zinnen laten ontvallen zoals: ‘Nou ja, bij dit evenement draait het om het netwerken, daar hoef je niet naartoe te gaan, loop liever een blokje om met de kinderwagen.’ Gebeurt dat ook bij mannen? Vermoedelijk niet. Ik zal voor mijn volgende aantekening een representatieve rondvraag doen bij de vaders op dit festival, maar ik denk dat mensen het in hun geval eerder lief en schattig vinden dat ze voor de kleintjes zorgen. Sommigen laten zich er dan zelfs toe verleiden om het kind over zijn hoofdje te aaien. Gelukkig zien de meesten nu af van snoepjes.

Een literatuurfestival is natuurlijk een extreme situatie: je mag eindelijk die kinderwagen voortduwen en misschien kom je er nog een tegen – en zoals altijd zijn er goede festivals waar je met een kind hartelijk ontvangen wordt en als schrijfster wordt waargenomen, waar de aanwezigheid van het kind niets te maken heeft met het geslacht van de ouder. Dan zijn er natuurlijk de minder geslaagde gevallen, festivals waar je het liefst weer meteen zou vertrekken en waar je zeker niet naartoe was gegaan als je op voorhand had geweten dat je hoe dan ook aan geen enkel avondeten of geen enkel evenement zou deelnemen, omdat je volgens de organisatoren de groepsdynamiek verstoort. De nieuwe Canadese premier zegt dat we in 2015 leven, ik voel me net als in de jaren vijftig. Ik weet niet waar dat idee vandaan komt dat je bij een bevalling hersencellen verliest. Ik weet niet waarom er nog steeds wordt geprobeerd om vrouwen bij de hand te nemen als het om het thema moederschap gaat, of ze nou geen kinderen hebben of willen, of wél kinderen hebben en dan werken of juist niet. En of ze werken en hoeveel wordt ook nog gemakkelijk in plaats van de vrouw beslist, net zoals ze geen inspraak heeft in de kinderbijslag en de duur van de moederschapszorg.

Een ding is zeker, je wordt raar bekeken: als je kinderen hebt omdat het dan lijkt alsof je je sociaal en professioneel in Siberië terugtrekt, en als je geen kinderen hebt, omdat je je dan sociaal en ethisch in Siberië isoleert. Het moederschap wordt als een algemeen goed beschouwd, iedereen praat erover mee, iedereen weet het beter, alleen de moeder zelf niet. Maar zij heeft nu een moederinstinct en mag een lichtblauw of oudroze beertje uitzoeken. Hoewel ik niets tegen beren heb, zelfs als ze lichtblauw of oudroze zijn. Als het gaat om problemen met de structuur van de arbeids- en kunstmarkt, zwijgen de meeste berenliefhebbers. In Duitsland is het de gewoonte om geen vrouwen tussen vijfentwintig en vijfendertig in dienst te nemen, omdat ze kinderen zouden kunnen krijgen. Uit voorzichtigheid worden ze ook slechter betaald. Je weet maar nooit. En toch, het is 2015: niet de vrouwen moeten weer veranderen, maar hun arbeidsvoorwaarden. Die gelden voor iedereen.

06-10-15

Op dit moment geniet ik nog van de laatste zonnige dagen in Berlijn en vraag ik me iedere dag af wanneer de herfst zal overgaan in de winter. Elke dag wordt het kouder en daarbij speelt in Berlijn de laatste tijd beslist ook de sociale kilte mee. Duitsland zou liever niet delen en al helemaal niet met nieuwkomers. Dat wordt hun en ons inmiddels op iedere straathoek en in elke krantenkop duidelijk gemaakt.

Des te meer kijk ik uit naar het komende festival. Het biedt een prachtige gelegenheid om veel vrienden weer te zien en nieuwe te maken, om naar spannende lezingen en concerten te gaan. De verwachtingen zijn natuurlijk erg hooggespannen, maar dat is iets positiefs. De kans dat je teleurgesteld wordt, is dan ook erg klein. Het festival heeft zeker ook iets weg van een schoolreisje, veel vrienden, uitstekende lezingen, bands die ik altijd al wilde zien en de grote voorpret van een tiener. Ja, ik verheug me er ook al op om weer naar Nederland te reizen, vorig jaar kreeg ik de kans om een maand lang in Amsterdam door te brengen, op uitnodiging van het Nederlands Letterenfonds, en dat was ongelofelijk. Een van de mooiste lentes van mijn leven, een waarin de zomer nog voor de deur stond en nog beter beloofde te worden. Niet enkel de schitterende woning middenin de stad, maar ook de fantastische begeleiding door Orli Austen, door mijn vertaalster Josephine Rijnaarts en door mijn Nederlandse uitgever De Bezige Bij maakten die maand voor mij tot een unieke ervaring. Het is alleen jammer dat het na het weekend alweer voorbij zal zijn. Het goede is dat we allemaal boordevol ervaringen naar huis zullen terugkeren.

Hoewel het al te koud is, zit ik op mijn balkon en kijk ik naar bakkerij Teehaus Baku. Maar met Bakoe of zelfs Azerbeidzjan heeft de winkel nauwelijks iets te maken: er wordt enkel Turks brood en banket verkocht, dat elke morgen om vijf uur door een bestelwagen met het opschrift Backservice Hass geleverd wordt, en wat krakelingen. Zelfs de broodjes kun je op één hand natellen. Toen ik een keer vroeg naar pachlava, de Azerbeidzjaanse specialiteit bij uitstek, keek de verkoopster me verbijsterd aan. Waarschijnlijk vond ze mij een onverbeterlijke optimiste. In Amsterdam lag er in een rustige zijstraat niet ver van mijn tijdelijke woning een piepkleine bakkerij, die behalve een soort chocoladekoekjes, waarvan de smaak echt verrukkelijk was, niets maakte. Ook bakkerij Damaskus, een paar huizen verwijderd van onze woning in Berlijn, werd veranderd in een privéwoonkamer zonder dat iemand het bordje had weggehaald dat de aandacht vestigde op zoetigheden en bakkerijproducten. Ironisch genoeg hadden die verwijzingen niet duidelijker kunnen zijn: Bakoe, de stad van mijn kinderjaren, die nog bestaat, maar niet meer zo, zoals ik haar ken en Damascus, de stad van mijn man, die allang ontoegankelijk is. In onze straat is veel toch maar schijn.

Maar mijn dochter, voor wie de reis naar Den Haag trouwens de eerste reis naar het buitenland zal zijn, is in deze wijk geboren. Nog steeds is er voor haar geen verleden dat in een andere taal en op een ander continent heeft plaatsgevonden. De groente was steeds een beetje flauw van smaak, zoals Duitse groente dat nu eenmaal is en ook de hemel was meestal somber en grijs. Ze zal zich er niet over verbazen dat het bordeel hiernaast discreet klanten probeert te winnen en dat de etalage van de Thailandse massagestudio laat weten dat er binnen niet aan erotiek wordt gedaan. Veel van onze buren zitten ’s avonds buiten voor een Roemeense delicatessenzaak, bijten zonnebloempitten stuk en genieten van erg netjes geklede, allerliefste kinderen. Daartussendoor razen Amerikaanse kunstenaressen op racefietsen naar hun projecten. Wat waarschijnlijk de beste manier is om je in deze stad voort te bewegen, alleen ben ik spijtig genoeg heel on-Nederlands bang om te fietsen in grote steden. Het verkeer in onze straat wordt slechts door één verkeersmiddel gedomineerd, lijn M41. Die bus is de hel, hij rijdt erg onregelmatig, is daardoor natuurlijk ook altijd overvol, heeft de onmenselijkste en onvriendelijkste buschauffeurs van de hele republiek en een wanhopig clientèle. Maar weldra zal ik in lijn M41 stappen, mijn koffer tussen de knieën van andere reizigers klemmen en naar het vliegveld rijden.