Een vreemd land kan een palimpsest worden van hoe je was tijdens vorige bezoeken. Vorig jaar was ik in Amsterdam voor het Dekmantel-festival. De augustus-ik had gebleekt, roomijskleurig haar en een Amerikaans visum op zak voor mijn aanstaande verblijf daar. De november-ik is een fletse toerist in Den Haag. Ik vraag me af wanneer ik weer in Nederland zal zijn, en waarvoor. Ik geniet erg van de treuzelvrijheid die je je kunt veroorloven tijdens zo’n half vakantie-, half werkbezoek. Het voelt wel een beetje ontspannen, maar niet helemaal doelloos.
De universele minachting voor toeristisch gedrag is een soort gereserveerdheid tegenover bewondering en het vermogen te blijven staan om je openlijk te vergapen. Vroeger dacht ik dat we zo veel vakantiefoto’s maakten omdat we niet van vage of flauwe herinneringen houden. Maar nu vermoed ik dat het gewoon een reflex is: die vastlegmonomanie is een logisch gevolg van de smartphone en sociale media. Zelfs zonder dagelijks een blog te hoeven schrijven leuk ik mijn ervaringen continu op, ga ik op zoek naar wat fotogeniek is en makkelijk likes scoort.
In het museum Escher in het Paleis kom ik het volgende tegen: ‘De verveling van de puber veranderde in verwondering over wat je in zo’n trappenhuis allemaal kan laten gebeuren.’ Die obsessie met wenteltrappen en hun eigenaardigheid en symmetrie blijft door de decennia heen terugkeren in Eschers werk. Soms kom ik een onderwerp tegen waarvan ik me kan voorstellen dat iemand anders er een fantastische roman over schrijft. Een knappe kop zou een fictieve biografie van Escher en het trappenhuis kunnen schrijven, over de kunst van de wiskunde en de wiskunde van de kunst, als dat niet al gedaan is. Ik stel me voor dat de toon wat weg heeft van die in Dat wat overblijft van Tom McCarthy: kronkelend, experimenteel en doordacht. Ik raak al mentaal uitgeput van het bedenken waarom ik niet de juiste schrijver ben.
Door het museum slenterend vraag ik me af door hoeveel stelletjes er zachtjes in allerlei verschillende talen is geruzied terwijl ze zich van zaal naar zaal bewogen. Hoeveel ouders er tegen een kind hebben gezegd: ‘Blijf daar eens van af,’ en hoeveel kinderen er in de ogen wrijvend hebben geklaagd over verveling of beginnende honger. Aan het eind van de tentoonstelling zit ik in een donkere ruimte te kijken naar een intense, psychedelische animatie van Escher die steeds opnieuw wordt afgespeeld. Een getekende en eerlijk gezegd best wel nare Escher zonder lichaam verschijnt grijnzend achter regels tekst, vermoedelijk citaten van Escher als ‘mijn enige doel is verandering.’ Het klinkt als een aanmoedigende mantra, iets wat een personal trainer tegen je roept terwijl je zwoegend een oefening afwerkt: ‘Kom op! Je enige doel is verandering!’
In het café in de buurt van het museum geeft een beeldschone vrouw me een gratis stuk taart in ruil voor een paar foto’s voor het Instagramaccount van het café. Ze zijn voor het eerst open. Wanneer ik vertrek heeft een meisje net een reusachtige tros ballonnen opgelaten die me doen denken aan Mentos: pastelgeel en -roze. De ballonnen glijden langs de bomen de vreugdeloze, grijze lucht in. Haar broertje begint te huilen.
Als ik in mijn gebruikelijke leefomgeving in Londen ben, heb ik mist in mijn hoofd en waterige ogen. Altijd te gestrest van hot naar her aan het rennen om me af te vragen of verandering mijn enige doel is. Zo afgepeigerd dat ik over mijn veters struikel. Zelfs als ik varkens zag vliegen zou ik me nog mopperend afvragen waar die nou weer vandaan zijn gekomen voordat mijn verwondering toesloeg. Ik foeter stilletjes op de toeristen in Oxford Street die iedereen ophouden. Menigtes doen me naar adem snakken van spanning en de angst onder de voet te worden gelopen. Ik stel me voor dat iemand zo plat als een pannenkoek wordt gedrukt en word bang van wat men elkaar in de drukte allemaal kan aandoen.