Lette Vos
DOOR Sara Baume
Terug naar de regenmuziek
01-12-2015

Het voelt zo ongepast, op het absurde af, om in het licht van de recente verschrikkingen over het weer te schrijven.

Maar in Ierland is het vandaag venijnig koud. Onder mijn broek draag ik een dikke maillot. De zolen van mijn sokken rusten op een warmwaterkruik. Mijn adem vliegt in wolkjes over het bureau terwijl ik zit te typen.

Ik moet denken aan de eerste avond van Crossing Border. De vrijdag. De wind. Ik kwam pas in de kleine uurtjes terug op mijn hotelkamer. Mijn hoofd borrelde over van gesproken, gezongen en getokkelde zinnen. Ik wist dat slapen er niet in zat, dus ik ging in bed aan mijn blog zitten werken. Ik zette BBC World aan. Ik had het eigenlijk bedoeld voor op de achtergrond, maar daar kon het niet blijven. Beelden van Parijs sijpelden de kamer in en verkleinden mijn kans op slapen nog verder.

In Nederland was ik een tijdje vergeten hoe dat moest, slapen. Ik was er zo van overtuigd dat ik slapeloosheid aan het ontwikkelen was dat ik de hele nacht wakker lag en erover piekerde.

Toen ik uit Iowa vertrok was het nog warm. De winter wist me pas te vinden toen ik in Den Haag aankwam. Op mijn laatste dag van huis moest ik verplicht voor twaalf uur ’s middags uitchecken. Mijn vliegtuig ging pas ’s avonds. Ik was uitgeput en had geen kamer meer om even te gaan liggen. In plaats daarvan deed ik dus maar mijn best om wakker te blijven in cafés. Nipte van mijn espresso, probeerde uit alle macht om niet weg te dommelen. Tegen die tijd had ik namelijk het stadium bereikt waarin ik in slaap viel als ik wakker probeerde te blijven en klaarwakker was als ik probeerde in slaap te komen. Ik keek uit het raam naar de drijfnatte, verwaaide stad en de regen sloot perfect aan bij mijn gemoedstoestand.

In Iowa vergeleken we ons weer van thuis met elkaar. Mijn collega-schrijvers kwamen uit drieëndertig verschillende landen. Zo kwam ik te weten hoe de wolkenkrabbers in Singapore hele gebouwen in eeuwige schaduw zetten. Dat je in Mongolië in augustus de grootste kans op regen hebt. Dat het in Saoedi-Arabië zo heet wordt dat mannen in wapperende witte gewaden rondlopen.

Intussen ben ik alweer een week thuis. Ik omschreef ons klimaat aan mijn collega-schrijvers als ‘gematigd’. In de zomer is het niet overdreven warm, in de winter niet overdreven koud, lichtte ik toe. Daarna gaf ik dan het voorbeeld van mijn huis: dat heeft geen airconditioning nodig, noch centrale verwarming. Maar deze bewering deed ik in de zomer; ik was vergeten dat de winter wel degelijk bitter koud is en dat ik maillots en kruiken nodig heb.

Het voelt zo ongepast, op het absurde af, om in het licht van de recente verschrikkingen te schrijven over hoe koud ik het heb.

Want daar, achter het raam, over mijn bureau en het toetsenbord van mijn laptop en de ongepaste, absurde zinnen die ik getypt heb heen, komt voor mij ’s ochtends nog altijd de zon op, al is het maar een waterig winterzonnetje. Voor mij stijgt en daalt het tij nog altijd, al is mijn zee zo goed als bevroren. Voor mij vliegen en zwermen de vogels nog altijd, al zijn het maar kraaien.

Alle vertalingen van Lette Vos
01-12-15

Het voelt zo ongepast, op het absurde af, om in het licht van de recente verschrikkingen over het weer te schrijven.

Maar in Ierland is het vandaag venijnig koud. Onder mijn broek draag ik een dikke maillot. De zolen van mijn sokken rusten op een warmwaterkruik. Mijn adem vliegt in wolkjes over het bureau terwijl ik zit te typen.

Ik moet denken aan de eerste avond van Crossing Border. De vrijdag. De wind. Ik kwam pas in de kleine uurtjes terug op mijn hotelkamer. Mijn hoofd borrelde over van gesproken, gezongen en getokkelde zinnen. Ik wist dat slapen er niet in zat, dus ik ging in bed aan mijn blog zitten werken. Ik zette BBC World aan. Ik had het eigenlijk bedoeld voor op de achtergrond, maar daar kon het niet blijven. Beelden van Parijs sijpelden de kamer in en verkleinden mijn kans op slapen nog verder.

In Nederland was ik een tijdje vergeten hoe dat moest, slapen. Ik was er zo van overtuigd dat ik slapeloosheid aan het ontwikkelen was dat ik de hele nacht wakker lag en erover piekerde.

Toen ik uit Iowa vertrok was het nog warm. De winter wist me pas te vinden toen ik in Den Haag aankwam. Op mijn laatste dag van huis moest ik verplicht voor twaalf uur ’s middags uitchecken. Mijn vliegtuig ging pas ’s avonds. Ik was uitgeput en had geen kamer meer om even te gaan liggen. In plaats daarvan deed ik dus maar mijn best om wakker te blijven in cafés. Nipte van mijn espresso, probeerde uit alle macht om niet weg te dommelen. Tegen die tijd had ik namelijk het stadium bereikt waarin ik in slaap viel als ik wakker probeerde te blijven en klaarwakker was als ik probeerde in slaap te komen. Ik keek uit het raam naar de drijfnatte, verwaaide stad en de regen sloot perfect aan bij mijn gemoedstoestand.

In Iowa vergeleken we ons weer van thuis met elkaar. Mijn collega-schrijvers kwamen uit drieëndertig verschillende landen. Zo kwam ik te weten hoe de wolkenkrabbers in Singapore hele gebouwen in eeuwige schaduw zetten. Dat je in Mongolië in augustus de grootste kans op regen hebt. Dat het in Saoedi-Arabië zo heet wordt dat mannen in wapperende witte gewaden rondlopen.

Intussen ben ik alweer een week thuis. Ik omschreef ons klimaat aan mijn collega-schrijvers als ‘gematigd’. In de zomer is het niet overdreven warm, in de winter niet overdreven koud, lichtte ik toe. Daarna gaf ik dan het voorbeeld van mijn huis: dat heeft geen airconditioning nodig, noch centrale verwarming. Maar deze bewering deed ik in de zomer; ik was vergeten dat de winter wel degelijk bitter koud is en dat ik maillots en kruiken nodig heb.

Het voelt zo ongepast, op het absurde af, om in het licht van de recente verschrikkingen te schrijven over hoe koud ik het heb.

Want daar, achter het raam, over mijn bureau en het toetsenbord van mijn laptop en de ongepaste, absurde zinnen die ik getypt heb heen, komt voor mij ’s ochtends nog altijd de zon op, al is het maar een waterig winterzonnetje. Voor mij stijgt en daalt het tij nog altijd, al is mijn zee zo goed als bevroren. Voor mij vliegen en zwermen de vogels nog altijd, al zijn het maar kraaien.

16-11-15

Op mijn laatste avond in Iowa maakte ik een wandeling door het park bij de rivier. Het schemerde en een troep rotganzen vloog op van het water, over me heen. Met slaperige slagen van hun brede vleugels vormden ze een onvolmaakte V tegen de schemering.

Op mijn laatste volledige dag in Den Haag waag ik me op klaarlichte dag naar buiten voor een wandelingetje en kom ik opnieuw ganzen tegen, in de vijver tegenover het station. Een paar zijn gewoon wit, maar de meeste zijn van een soort die ik niet ken. De veren een lappendeken van roodbruin en diep smaragdgroen, met kastanjebruine ringen om de ogen. Zulke ganzen heb ik nog nooit gezien. Zodra ik terug ben in mijn hotelkamer zoek ik ze op. Wikipedia vertelt me dat het nijlganzen zijn, een van oorsprong Egyptische soort. Maar, aldus Wikipedia, in sommige West-Europese landen komen populaties voor die voornamelijk afstammen van ontsnapte siervogels. Wat een prachtig poëtisch idee! Dat deze vogels de ketenen van het mooi-zijn hebben afgeworpen en helemaal uit het exotische oosten zijn afgereisd om hier, naast de stad, onder een grijze lucht, op dit slijmerige oppervlak rond te dobberen.

Op de laatste middag duik ik een cafeetje in en doe ik alsof ik Nederlands spreek. Ik bestudeer het menu voor ik iets bestel, oefen de woorden in mijn hoofd. Ik krijg niet precies wat ik wilde, maar heel even voel ik me iets minder eentalig.

Op de laatste avond stop ik spullen in mijn dikker geworden koffer. Ik haal ze er weer uit. Ik verdeel en herverdeel mijn bezittingen over de verschillende vakken. Passen en meten, wikken en wrikken. Het is eigenlijk net schrijven, stel ik vast.

Op de laatste festivalavond realiseer ik me dat ik de grootste kans maak om niet hopeloos te verdwalen in de Koninklijke Schouwburg en het gebouw van het Nationale Toneel als ik het backstagegedeelte volledig vermijd. De ruimtes waar de optredens plaatsvinden kan ik zonder veel moeite vinden, maar de wirwar van kleedkamers, smalle gangetjes, geheime doorgangen en trappenhuizen brengt me totaal van mijn stuk en staat op geen enkele plattegrond. De wereld backstage is een ondoordringbaar doolhof. Waar de lift naar etages gaat die niet bestaan. Waar elke tafel bezaaid is met bakjes piepkleine, ronde koekjes en blikjes bier.

Op deze laatste avond besluit ik dat ik gewoon een keer ga zitten en luisteren. Ik besef hoe zelden ik dat eigenlijk doe. Ik ben altijd aan het haasten, altijd in gedachten verzonken. All these days, they went away… galmt Jonathan Jeremiah nog na. In het publiek, in het donker, breng ik mijn lichaam en geest tot stilstand. Door de roze rook bestudeer ik de vaag verlichte gezichten om me heen.

Ik vraag me af hoeveel van deze gezichten de poëzie van de nijlgans kennen.

Als ik eenmaal klaar ben om uit Nederland weg te gaan heb ik al negenenzeventig nachten niet in mijn eigen bed geslapen. Do you know the way from here… zingt Alela Diane… to where you’re going to?

Nee, dat weet ik niet. Zeer zelden, eigenlijk. Ik maak er maar wat van. Ik kom er wel. En ik ben dankbaar dat er überhaupt een ‘er’ is waar ik heen kan gaan, dankbaar dat ik er kan terugkeren én dat ik af en toe de kans krijg om er weer weg te gaan.

 

14-11-15

Eerst glipt er een dag voorbij doordat ik mijn jetlag weg moet slapen, dan eentje doordat ik geconcentreerd aan het schrijven ben. En de dagen zijn ondertussen zo kort geworden dat ik Den Haag vooral in het donker beleef.

Hoe nieuwsgierig ik ook ben naar mijn omgeving, ik aarzel ook om haar mystiek weg te nemen door een plattegrond of een waaier aan toeristenfoldertjes uit te vouwen. Misschien voel ik me hier meer op mijn gemak wanneer alle galerieën, musea en souvenirwinkels hun deuren voor de nacht hebben gesloten en de rekken met ansichtkaarten naar binnen zijn gehaald. Dan zie ik alleen nog de spookachtige schoonheid van de kale bomen en de gebochelde bruggetjes, het uitgelichte metselwerk van de historische gebouwen. Onder mijn voeten de diverse stroken die samen een straat vormen. Tramrails, fietspaden, grijze stoeptegels. Ze snijden dwars door het beton, als een vlechtwerk. Zodra het donker is wordt de poëzie die ik bij aankomst zag weer aangevuld.

Annelies Verbeke verwoordt dat beter dan ik het kan. Waar eindigt het gedicht en begint het verhaal? vraagt zij.

In mijn hotelkamer laat ik de tv non-stop aan staan, op BBC World, omdat ik er niet tegen kan om in stilte te schrijven. De minister-president van India die een bezoek aan Londen brengt; babylijkjes in Beieren; de zelfmoordaanslagen in Parijs; het goede weer in Spanje.

In Den Haag daarentegen begint het steeds harder te waaien. De wind geselt de vlakke muren van het hotel en huilt. Hij rukt aan de vlaggen onder mijn raam. Het suizende geluid dat ze maken doet me aan skydiven denken, laat me in mijn dromen uit vliegtuigen springen. Ik word elk uur van de nacht wel een keer wakker, omdat er zo veel gebeurt en alles zo nieuw en intrigerend is. Zelfs mijn onbewuste blijft constant alert, bang om iets te missen.

Maar als ik ga zitten om te schrijven zijn het juist de nietigste details die me trekken. Niet de aanblik van het Binnenhof, maar die van een plantje op een vensterbank in het kantoor aan de overkant, de blaadjes tegen het glas gedrukt. Niet de muziek van het festival, maar het lied van een eenzaam blikje dat hortend en stotend over het plein rolt. Waarheen en hoe ver ik ook reis, ik breng de wereld om mij heen altijd onmiddellijk en onwillekeurig terug tot het nietige, het bekende.

In ieder verhaal zit minstens één personage uit een ander verhaal, zegt Annelies. En in de Karma Lounge op het festival kom ik, alsof deze uitspraak even bewezen moet worden, een Ier tegen die het dorp waar ik woon kent. Het getijdok, de olieraffinaderij.

Als ik in mijn eentje terugloop naar het hotel, door de donkere stad, weet ik ineens waarom Den Haag me ’s nachts zoveel beter bevalt. Er zijn minder fietsen. De hele dag door zwermen ze door de straten. Staan ze hutjemutje aan relingen vastgeketend. Ik snap niet hoe het kan, maar ze lijken nooit te botsen. Misschien worden Nederlanders geboren met eenzelfde gevoeligheid als spreeuwen, het vermogen om allemaal samen perfect synchroon te bewegen zonder elkaar ook maar met een elleboog te raken. Misschien ziet elke stad in Nederland er vanuit de lucht uit als één grote spreeuwenwolk van fietsers.

Het laatste liedje van de avond komt weer bij me bovendrijven. Jonathan Jeremiah zong zachtjes, veelbetekenend: Like the birds, let’s fly off to the sun…

13-11-15

Als ik eenmaal voet op Nederlandse bodem zet, heb ik al vijfenzeventig nachten niet in mijn eigen bed geslapen.

De laatste stad waar ik was, was New York. Een hotelkamer met uitzicht op Times Square. Zo hoog in het gebouw dat ik de mensen beneden op straat niet eens kon onderscheiden. De muziek die er klonk kwam van sirenes.

Dat klinkt misschien flitsend, maar ik heb de afgelopen weken mijn ondergoed steeds moeten wassen met de gratis zeepjes en in de wasbak van hotelbadkamers. Echte maaltijden moeten verruilen voor zakjes zoute pinda’s en chocoladerepen. Al weken heb ik altijd en overal dezelfde afgetrapte bruin suède laarzen aan.

Ik heb me niet goed op dit deze trip voorbereid. Op een tussenstop vóór Schiphol krijg ik van het vliegveld twee uur gratis WiFi. In de gehaaste laatste minuutjes google ik nog snel het Nederlands voor ‘do you speak English’ en ‘thank you’. Ik ben dolblij als ik lees dat het woord voor ‘sorry’ sorry is. Ik verwacht dat ik dat vrij veel ga gebruiken. Om me te verontschuldigen voor mijn eentaligheid. Voor het feit dat ik een van die achterlijke Engelstaligen ben die alleen Engels spreken.

Het eerste wat ik zie als ik Schiphol binnen loop is een Starbucks, wat een beetje een teleurstelling is. Eenmaal op het perron bestudeer ik een snoepautomaat, op zoek naar cultuurverschillen. In Nederland hebben ze een soort wafel in knalroze verpakking. Verder hebben Nederlandse tussendoortjes tamelijk veel weg van Amerikaanse.

Ik neem een late trein naar Den Haag. Het heeft iets waanzinnig poëtisch om voor het eerst met een land of plaats kennis te maken in het donker. Uit dansende schaduwen en flikkerende lichten probeer ik de stad in elkaar te puzzelen. Het eerste wat ik zie bij aankomst: nog een Starbucks.

Op mijn hotelkamer zoek ik door de waas van mijn jetlag heen opnieuw naar cultuurverschillen. Het valt me meteen op dat op een dienblad naast de waterkoker ook drie soorten kruidenthee liggen. Nederlanders zijn vast gezonder dan Amerikanen, stel ik vast. In de badkamer valt mijn oog op een bordje met de aansporing om mijn handdoeken te hergebruiken. Nederlanders zijn vast ook meer met het milieu bezig dan Amerikanen, stel ik vast.

Ik zet mijn raam open zodat ik in slaap kan vallen op de muziek van deze nieuwe stad. Het gonzen van voorbijrijdende trams. Stemmen op weg naar huis door de nacht. De rommelende wieltjes van een koffer. Een bizar soort gerinkel – maar misschien is dat wel de jetlagwaas die mijn dromen binnendringt.

’s Ochtends doet het zachte kloppen van het kamermeisje me denken aan de specht in Iowa. Ik sta op, ga voor het raam staan en speur de straat af naar vogels. De poëzie van de stad is verbleekt in het daglicht, merk ik. Mijn kamer kijkt uit op kantoorgebouwen, appartementencomplexen.

Ik ben nog nooit zo uitgelaten blij geweest om een kauw te zien. Hij staat bij een zebra alsof hij wacht tot het licht op groen springt. In Amerika hebben ze geen kauwen. Sinds ik vijfenzeventig nachten geleden uit Ierland wegging uit Ierland vertrok heb ik nog geen kraai gezien.

Het licht springt op groen en de kauw begint met kleine hupjes over te steken. Zich totaal niet bewust van hoe blij hij me heeft gemaakt.

06-10-15

Een specht landt op de tuintafel en begint met de punt van zijn snavel tegen de stok van de parasol te tikken. Ik zou eigenlijk moeten schrijven, maar in plaats daarvan zit ik naar het terras te staren. Als ik de specht zo bezig hoor realiseer ik me dat dit dezelfde onregelmatige roffel is die ’s ochtends uit de eik bij mijn raam komt. Dit is mijn Amerikaanse wekker. Ik had me er alleen nog niet toe kunnen zetten om mijn hoofd van het kussen op te tillen en het te onderzoeken.

Sinds het eind van de zomer verblijf ik als writer in residence in een blokhut onder een eik à la Thoreau in Walden. In Iowa. In het Middenwesten van de Verenigde Staten. Als ik dat aan mensen vertel trekken ze hun wenkbrauwen op en zeggen: ‘Iowa? Serieus?’ Ik neem aan dat ze mij met hippere, wereldser delen van dit continent associëren. Een vleiende gedachte – blijkbaar kom ik prestigieuzer en wereldser over dan ik in werkelijkheid ben.

Aan mijn bureautje in de hut probeer ik te schrijven over een belevenis die ik nog niet heb beleefd Ik heb alleen een programma van het festival. Een vlechtwerk van digitale draden. Een paar voorzichtige verwachtingen. Ik zie voor me hoe de gezichten van het programma op me wachten in Den Haag, pen, papier of plectrum in de aanslag. Dan schiet me te binnen dat niemand van ons daar nog is natuurlijk. We zijn nu nog over de aardbol verspreid, zonder notie van elkaars dagelijkse gewoontes. De vergezichten achter elkaars raam, de ritmes waarop elk van ons schrijft. Of zingt. Of speelt.

Ik begin te typen op de maat die de specht hamert, maar vrijwel meteen, misschien omdat hij beseft dat de stok geen boom is en naar bittere lak smaakt in plaats van naar voedzaam hout, vliegt hij weg.

De muziek waar ik in Iowa op schrijf begon met het zachte snerpen van zangcicaden, tuinsproeiers en grasmaaiers. In de loop van de herfst veranderde de instrumentatie en werden ze vervangen door bladblazers, het tikken van mijn elektrische kacheltje, de fluit van een trein in de verte. Ze komen samen een kakelende kakofonie, even onregelmatig als de specht. Onvertaalbaar.

Ik staak mijn schrijfpogingen. Klap mijn laptop dicht. Pak mijn sjaal. Als de deur van de hut met een klik in het slot valt kom ik mijn specht weer tegen. Dit keer roffelt hij tegen de planken van de blokhut. Verf lijkt hem minder te storen dan lak. Hij negeert me wanneer ik voorbijloop.

En terwijl ik voorbijloop komt het weer boven drijven: spechten hameren niet om een gat te maken, maar om geluid te produceren. Hameren is hun taal, hun muziek. Ze hameren niet om het hout te proeven, maar om te communiceren.

Hoewel niemand van ons er al is, is het nooit te vroeg en zijn we nooit te ver bij elkaar vandaan om een gesprek te beginnen, bedenk ik. Ik moet de digitale draden uit mijn scherm opdiepen en ze in Iowa uitwerpen. Bij Prairie Lights, de lokale boekwinkel, kan ik ze in tastbare, leesbare objecten omzetten. Op mijn omzwervingen door de omgeving kan ik de liedjes meenemen, ze neuriën voor de paden, de rivier, de eekhoorns. Sommige draden doen me denken aan vrienden die ver weg in prestigieuzer, wereldser oorden zitten, dus werp ik die draden ook naar mijn vrienden uit, om zo een nieuw vlechtwerk te spannen.