Ik droomde dat ik een nieuwe computer had met een moderne eigenschap: je kon hem net als een vliegtuig op automatische piloot zetten. Ik probeerde het uit en voegde de trefwoorden ‘Den Haag’ en ‘column’ in. De computer stelde een column voor met als onderwerp Derrida’s Kafka-analyse Before the Law. ‘Je bent toch op weg naar Den Haag, niet?’ vroeg hij (even terzijde: zijn stem leek op die van Woody Allen). ‘Het is toepasselijk om het in Den Haag te hebben over Kafka, over de wet en over Derrida.’ Toen ik wakker werd, leken de ideeën van die Woody Allen-automatische piloot me niet meer zo goed. Het ging per slot van rekening toch om míjn boek.
De wet – en hoe de juridische letter van de wet zijn betekenis verliest tegenover een verzoek – is toevallig een van de belangrijkste thema’s van mijn debuut De Grens. Toen ik De Grens begon te schrijven was ik twintig jaar oud. Ik had gelezen over Emmanuel Levinas’ ethiek van het verzoek. Ik wilde een roman schrijven waarin mensen elkaar een verzoek doen – een verzoek dat de wet overschrijdt. Zo ontstond het verhaal van Mari en Julian, van Anja en Anni. Een verhaal waarin mensen gaan sterven, waarin ze vragen om te sterven en uiteindelijk ook werkelijk doodgaan, een verhaal waarin niettemin de meeste mensen in leven blijven om te vertellen over de kracht van een verzoek.
Mijn boek is intussen in twee talen vertaald: in het Nederlands en in het Ests. Als je boek wordt vertaald en in een ander land een leven begint te leiden, is het net alsof je een kind hebt dat begint te puberen. Je dochter vertrekt op reis. Je geeft haar geld, probeert haar fatsoenlijke kleren aan te trekken, drukt haar op het hart uit de buurt te blijven van ongure mannetjes. Maar ondanks alle waarschuwingen trekt ze een minirokje aan en wapent ze zich met luidruchtige meningen. Ze schaamt zich nergens voor. Ze is ervan overtuigd dat ze al haar ideeën helemaal zelf heeft bedacht, dat niemand anders ooit zoiets diepzinnigs heeft gedacht. Ze zegt: these en antithese van een roman zijn gelijkwaardig en bestaan in het spanningsveld tussen de romanpersonages – daarom gaat romankunst eerst en vooral over ethiek.
Als ik haar probeer te bellen stuurt ze een foto die ze met haar mobieltje van zichzelf heeft gemaakt voor het Rembrandthuis. Ik stuur haar als antwoord een berichtje: ‘Als je maar niet vloekt!’ Maar ik krijg geen antwoord. Via andere mensen – de lezers – krijg ik berichtjes van haar: ‘Het is hier fucking fantastisch! Vorige week heb ik in Amsterdam lopen chillen met een paar coole gasten, ik ga nooit meer terug naar huis!’
Nu is De Grens in Den Haag. Ik ben bang dat ze luidruchtig zal zijn, en categorisch in haar opvattingen, zoals jongeren altijd zijn. Ik ben bang dat ze me belachelijk zal maken door te gaan demonstreren in de hal van het Internationaal Strafhof, en dat ze Kafka koppig fout gaat citeren: ‘Voor de wet staat niet alleen een wachter, maar ook een verzoek’. Ik ben bang dat mijn puber op ongepaste momenten over de Griekse tragedie zal beginnen te praten, dat ze tegelijkertijd hooggestemd en ongehoord boers zal zijn, en dat ze fucking als stopwoordje zal gebruiken.
Ik ga haar achterna. Ik trek rode schoenen aan met hoge hakken. Ik neem mijn belangrijkste gedachten mee, en een beetje geduld. Ik ben niet van plan om naar Den Haag te gaan om mijn eersteling de mond te snoeren. Ze mag best beweren wat ze wil. Ik kan niet uitleggen wat ze bedoelt, of mensen helpen haar te begrijpen. Zo gaat het met boeken en met mensenkinderen: uiteindelijk gaan ze hun eigen leven leiden. Maar de auteur die haar gebaard heeft, die sterft niet. Die is springlevend. Daar is ze, daar komt ze op haar hoge hakken. Kijk eens, ze heeft wat lippenstift op. Aandoenlijk, hoe doorzichtig behaagziek ze is. Ze klopt haar pubertje op de schouder. Die antwoordt geërgerd: ‘Godverdomme ma, ik had het hier zonder jou ook wel afgekund.’
En uiteindelijk maken de auteur en haar boek er samen nog een leuke boel van. ‘s Avonds gaan ze dansen. Ze zijn niet meer een moeder met haar onbeschofte dochter – van ver lijken ze eerder zussen. Als ze naar hun tafel terugkeren, praten ze met elkaar. Dat is hedendaagse literatuur. Een roman draagt argumenten en tegenargumenten in zich – een auteur gaat het gesprek aan.