Toon Theuwis
Night At The Fiestas
30-05-2016

Frances deed alsof ze iemand anders was, iemand die geen dochter van de buschauffeur kon zijn. In plaats daarvan maakte ze zichzelf wijs dat ze alleen op de wereld was, een meisje op weg naar de stad. Bij elk gebaar stelde ze zich voor hoe ze eruitzag: terwijl ze de bladzijde van haar boek omsloeg, een bezwete haarlok achter haar oor duwde, haar kin ophief om uit het raam van de bus te staren. Maar Frances was niet alleen, en haar vader, die kennelijk het idee had dat ze vandaag meereed om hem gezelschap te houden, bleef dolenthousiast van alles naar haar roepen om boven het geronk van de motor uit te komen.

‘Hier kreeg ik in ’42 motorpech, Francy.’ Hij wees naar de eindeloze, gele grasvlakte, kurkdroog met hier en daar wat koeien en een enkele vervallen schuur, en Frances zuchtte en liet beleefd haar boek wat zakken om hem in de achteruitkijkspiegel aan te kunnen kijken. ‘Mijn bus zat vol kerels die allemaal op weg waren naar hun opleiding in Fort Bliss. Drie jaar lang heb ik elke dag in elke stad twee, drie jongens opgepikt en naar het zuiden gebracht.’ Hij grinnikte bij de herinnering. ‘Je gelooft nooit hoeveel ideeën twintig plattelandsjongens hebben over de motor van een bus.’

Frances niet meegerekend waren er vroeg die ochtend in Raton elf passagiers opgestapt en de meesten waren ook op weg naar de Fiestas in Santa Fe. Frances’ vader had hen een voor een joviaal begroet. ‘Prachtige dag, hè.’ ‘Mijn dochter is er ook bij.’ ‘Helemaal tot in Santa Fe? Mijn Frances ook.’ Telkens wanneer er een vrouw opstapte – drie keer – nam hij haar reistas in ontvangst, liep met haar mee tot aan haar stoel en borg de tas op in het net boven haar hoofd, terwijl zij haar handschoenen uitdeed en wat in haar handtas rommelde. Daarna deed hij een stapje opzij en drukte zijn lijf tegen de stoelen om de andere passagiers erlangs te laten. Frances merkte dat ze uit schaamte wegkeek van zijn trieste, onderdanige vertoon van vriendelijkheid.

De dag waarop hij motorpech kreeg, moet voor haar vader een leuke dag zijn geweest; hij had vast een kick gekregen van het kameraadschap en het mannen-onder-elkaar-gevoel met leeftijdsgenoten, al was het maar totdat de brandstofleiding of de verdeelkabel of wat dan ook weer was hersteld. Frances zag hem voor zich, twintig jaar jonger, tussen die jongens in uniform, grijnzend en enthousiast en met zijn mond vol tanden. Ze voelde een vlaag van medelijden en genegenheid opkomen.

Frances was toen nog niet geboren, maar ze was zich ervan bewust hoe zwaar de oorlogsjaren voor hem geweest moesten zijn, met onbekenden die hem van onder tot boven opnamen en zich afvroegen waarom hij niet in Europa of ergens op de Stille Oceaan zat. Frances had als kind ook zelf de schaamte gevoeld wanneer klasgenootjes vertelden over de diensttijd van hun vaders. Ze waren op de meest onwaarschijnlijke plekken geweest, die vaders – Japan en Singapore, Italië, Engeland, Frankrijk – en zij hadden thuis aandenkens om dat te bewijzen: vlaggen, medailles, een nazihelm, een blikken opwindkonijn uit de broekzak van een verdronken Jap.

‘Mijn vader was gewetensbezwaarde,’ had Frances op school gezegd toen ze elf was. ‘Wij zijn pacifisten.’ Ze had haar schouders opgehaald, verontschuldigend, zelfvoldaan. ‘Wij geloven niet in vechten.’ Maar toen haar moeder dat te weten was gekomen, had die haar hard in de bovenarm geknepen en mocht Frances dat niet meer zeggen.

‘Besef jij niet hoe je vader zich zou voelen als hij zou horen dat jij dit soort onzin loopt te verkopen? Hij is geen lafaard. Hij heeft een aandoening.’

De aandoening in kwestie was een hartruis en voor zover Frances kon opmaken, was het enige neveneffect dat hij een keer was flauwgevallen op het sportveld van de middelbare school. Nu ze bijna volwassen was, maakte Frances haar vader geen verwijten meer vanwege de oorlogsjaren, maar ze vond het een tragikomische vaststelling dat haar vader in het leger was afgekeurd op zijn zwakke hart, terwijl hij wel geschikt werd bevonden om met een bus vol mensen met tachtig kilometer per uur over de snelweg te denderen.

De passagiers zaten nu, anderhalf uur na vertrek, verspreid in de broeierige bus in te dommelen tegen een raam of ze lazen een krant; aan de andere kant van het gangpad zat een volslanke vrouw iets met roze acryl te haken. Zelfs met de raampjes omlaag trok er een hete en droge luchtstroom door de bus en Frances maakte zich zorgen over haar haar waarin ze gisteravond met lapjes stof krullen had gezet. Ze maakte de slappe krullen los van haar bezwete nek, schoof wat heen en weer in haar stoel en probeerde zich te concentreren op Tess van de D’Urbervilles. De ruwe bekleding prikte door het dunne katoen van haar nieuwe jurk.

Frances was zestien en popelde van ongeduld. Als het leven van Frances een roman mocht worden – zoals Frances het helemaal voor ogen had – dan ging er op de Fiestas eindelijk, ein-de-lijk, misschien iets gebeuren dat de eerste pagina kon worden.