Hester Tollenaar
Proloog
DOOR Jean-Baptiste Del Amo
10-11-2010

Ik heb altijd gedacht dat schrijven een egoïstische beweging moest zijn, dat je nooit moest schrijven voor de lezer, of misschien alleen tégen hem, en volgens mij waren de teksten die me het meest hebben geraakt diep verankerd in de obsessies van de schrijvers, obsessies waarvan ik vermoedde dat ze mij, als mogelijke lezer, op afstand hielden van de tijd waarin geschreven was. Een genadeloos en dus exclusief, volmaakt schrijven. Wat niet wil zeggen dat het boek zodra ik het las mij niet toebehoorde of niet voor mij bestemd was. Integendeel, ik geloofde stellig van wel ! En misschien zit de vreemde magie van het schrijven, de alchemie tussen een schrijver en zijn lezer, juist in die illusie dat het boek voor ons bestemd was, soms alleen voor ons en niemand anders.

We hebben allemaal weleens ervaren, hoop ik, hoe het voelt om samen te smelten met een tekst, de euforie over die onwaarschijnlijke weerklank, alsof het boek als geroepen kwam op dat punt in ons leven waarop we het onbewust verwachtten. De schrijver fluistert ons in het oor en zijn hand zou vriendschappelijk op onze schouder kunnen liggen. Zie daar een van de begoochelingen van het lezen, want dat boek dat ons werkelijk toebehoort en op dat moment duidelijk voor ons is bestemd, is dan al niet meer van de auteur. En alles wat wij ervan verwachten, wat we tussen de regels denken te gaan ontdekken (want we geven de auteur bewust of onbewust een gezicht, een wereld, we trekken hem naar ons toe) is dan al een weergave, een schijnbeeld. Ik ben eens hevig teleurgesteld geraakt toen ik een auteur wiens boek ik geweldig vond zijn tekst hoorde voordragen, op een toon of met een mimiek die in de verste verte niet leek op het ritme dat ik bij het lezen had ervaren of op de manier waarop de personages spraken. Toen werd ik me, met een gevoel van verraad, bewust van de kloof die er kon zijn tussen zijn intentie als schrijver en mijn intentie als lezer.

Dat wanbegrip tegenover dat diepe verlangen naar begrip beangstigt me en fascineert me tegelijkertijd, en het perspectief van een vertaling van een tekst maakt dat fenomeen volgens mij nog ingewikkelder. De vertaler wordt, nog afgezien van de cultuurverschillen die de manier kunnen beïnvloeden waarop een tekst wordt gelezen, de vertolker van een verhaal en een taal die hij zich eigen moet maken en dus niet helemaal getrouw kan zijn, hoe knap zijn werk ook mag zijn. Want anders dan in de fotografie of de muziek bestaat er geen universele taal in de schrijfkunst. Die maakt gebruik van slingerende sluipwegen om bij beelden, gevoelens en obsessies te komen die ze wil oproepen. Misschien lukt het de poëzie, maar wat weet ik eigenlijk echt van de gedichten van Whitman of de stukken van Shakespeare als ik ze in het Frans lees ? En zouden bepaalde gedichten of dialogen me net zo diep hebben geraakt als ik ze eerst in het Engels had gelezen ? En wat als ik Engelsman in plaats van Fransman was geweest ? Zo was ik erg ontroerd door een passage uit de dagboeken van Virginia Woolf in het Frans en trof die me veel minder toen ik de Engelse versie had ontdekt!

Het is waarschijnlijk zaak om, wederom, te aanvaarden dat tussen de lezer en de auteur – ongeacht hun nationaliteit en respectieve intenties – een ondefinieerbare ruimte bestaat van verlangens en projecties, tijden en plaatsen, historische of persoonlijke geschiedenissen en culturen waarin de tekst eindeloos reist en verandert. Misschien neemt de lezer de tekst, in al zijn vormen, op die doeltreffende en diepgaande manier tot zich die ons zo van lezen heeft doen houden. Wat doet gezichtsbedrog er dan toe. ‘Wat doet de fles ertoe, zolang we maar dronken worden’, luidt een Frans spreekwoord. Zit er niet inderdaad een onbeschrijfbare schoonheid in die begoocheling en in het volledig aanvaarden van de misleiding, door jezelf, door de auteur, door de vertaler, en zijn we in die grote goocheltruc niet allemaal zowel de kunstenmaker als het kind in verwondering ?

Alle vertalingen van Hester Tollenaar
Proloog
10-11-10

Ik heb altijd gedacht dat schrijven een egoïstische beweging moest zijn, dat je nooit moest schrijven voor de lezer, of misschien alleen tégen hem, en volgens mij waren de teksten die me het meest hebben geraakt diep verankerd in de obsessies van de schrijvers, obsessies waarvan ik vermoedde dat ze mij, als mogelijke lezer, op afstand hielden van de tijd waarin geschreven was. Een genadeloos en dus exclusief, volmaakt schrijven. Wat niet wil zeggen dat het boek zodra ik het las mij niet toebehoorde of niet voor mij bestemd was. Integendeel, ik geloofde stellig van wel ! En misschien zit de vreemde magie van het schrijven, de alchemie tussen een schrijver en zijn lezer, juist in die illusie dat het boek voor ons bestemd was, soms alleen voor ons en niemand anders.

We hebben allemaal weleens ervaren, hoop ik, hoe het voelt om samen te smelten met een tekst, de euforie over die onwaarschijnlijke weerklank, alsof het boek als geroepen kwam op dat punt in ons leven waarop we het onbewust verwachtten. De schrijver fluistert ons in het oor en zijn hand zou vriendschappelijk op onze schouder kunnen liggen. Zie daar een van de begoochelingen van het lezen, want dat boek dat ons werkelijk toebehoort en op dat moment duidelijk voor ons is bestemd, is dan al niet meer van de auteur. En alles wat wij ervan verwachten, wat we tussen de regels denken te gaan ontdekken (want we geven de auteur bewust of onbewust een gezicht, een wereld, we trekken hem naar ons toe) is dan al een weergave, een schijnbeeld. Ik ben eens hevig teleurgesteld geraakt toen ik een auteur wiens boek ik geweldig vond zijn tekst hoorde voordragen, op een toon of met een mimiek die in de verste verte niet leek op het ritme dat ik bij het lezen had ervaren of op de manier waarop de personages spraken. Toen werd ik me, met een gevoel van verraad, bewust van de kloof die er kon zijn tussen zijn intentie als schrijver en mijn intentie als lezer.

Dat wanbegrip tegenover dat diepe verlangen naar begrip beangstigt me en fascineert me tegelijkertijd, en het perspectief van een vertaling van een tekst maakt dat fenomeen volgens mij nog ingewikkelder. De vertaler wordt, nog afgezien van de cultuurverschillen die de manier kunnen beïnvloeden waarop een tekst wordt gelezen, de vertolker van een verhaal en een taal die hij zich eigen moet maken en dus niet helemaal getrouw kan zijn, hoe knap zijn werk ook mag zijn. Want anders dan in de fotografie of de muziek bestaat er geen universele taal in de schrijfkunst. Die maakt gebruik van slingerende sluipwegen om bij beelden, gevoelens en obsessies te komen die ze wil oproepen. Misschien lukt het de poëzie, maar wat weet ik eigenlijk echt van de gedichten van Whitman of de stukken van Shakespeare als ik ze in het Frans lees ? En zouden bepaalde gedichten of dialogen me net zo diep hebben geraakt als ik ze eerst in het Engels had gelezen ? En wat als ik Engelsman in plaats van Fransman was geweest ? Zo was ik erg ontroerd door een passage uit de dagboeken van Virginia Woolf in het Frans en trof die me veel minder toen ik de Engelse versie had ontdekt!

Het is waarschijnlijk zaak om, wederom, te aanvaarden dat tussen de lezer en de auteur – ongeacht hun nationaliteit en respectieve intenties – een ondefinieerbare ruimte bestaat van verlangens en projecties, tijden en plaatsen, historische of persoonlijke geschiedenissen en culturen waarin de tekst eindeloos reist en verandert. Misschien neemt de lezer de tekst, in al zijn vormen, op die doeltreffende en diepgaande manier tot zich die ons zo van lezen heeft doen houden. Wat doet gezichtsbedrog er dan toe. ‘Wat doet de fles ertoe, zolang we maar dronken worden’, luidt een Frans spreekwoord. Zit er niet inderdaad een onbeschrijfbare schoonheid in die begoocheling en in het volledig aanvaarden van de misleiding, door jezelf, door de auteur, door de vertaler, en zijn we in die grote goocheltruc niet allemaal zowel de kunstenmaker als het kind in verwondering ?