Taco Schreij
Het einde, het begin
DOOR Tatiana Salem Levy
30-11-2013

Spinoza ligt begraven op het terrein van de kerk tegenover ons hotel. Het enige geluid in deze donkere ochtend komt van onze voetstappen op de herfstbladeren die de tuin bedekken. Taco heeft me voor zessen gewekt om samen met Lucy naar het graf van de filosoof te gaan. Zijn naam, Benedicti de Spinoza, verschijnt tussen het rood en geel van de bladeren, alsof iemand nog eerder dan wij is opgestaan om het marmer schoon te vegen.

Door de slaap duurt het even voor het tot me doordringt dat Baruch is veranderd in Benedicti. Werd Spinoza katholiek nadat hij verstoten was uit de Joodse gemeenschap? En waarom ligt hij in godsnaam bij een kerk begraven? Ik kijk om me heen en zie geen enkel ander graf. Is hij bekeerd en is hij daarvoor geëerd?

‘Ongelooflijk dat hij zo dicht bij het hotel ligt,’ merkt Lucy op.

Het werd me al vroeg duidelijk dat schrijven altijd een zekere mate van hekserij met zich meebrengt. Telkens als ik met een tekst begin word ik door raadselachtige gebeurtenissen dichter bij het onderwerp gebracht, alsof de echte wereld samenzweert met de verbeelding. Ook deze keer is het niet anders. Sinds ik begon aan de eerste column ben ik door alles in de richting van Spinoza en Salom Salem geduwd. Op de een of andere manier kom ik altijd uit bij het verleden.

In de tijd dat ik begon te schrijven aan mijn tweede roman, die zich gedeeltelijk afspeelt op Corsica, werkte ik tegelijkertijd aan een postdoctoraal over W.G. Sebald. In een Parijse boekhandel ontdekte ik een boek van de Duitse schrijver over precies dat eiland. Ik dacht dat ik gek werd. Het was te onwerkelijk om waar te zijn, het leek een aan mij persoonlijk gerichte boodschap. Nu, in het bijzijn van Spinoza, denk ik weer aan Sebald: door hem heb ik de stad ontdekt waar we straks, als het licht wordt, in een bus vol muzikanten, schrijvers en vertalers naartoe rijden.

Voordat ik Austerlitz las was Antwerpen alleen een naam, verder niets. Door Sebalds roman ging ik op zoek naar informatie over het ontstaan van de stad, haar inwoners en haar belangrijke handelspositie. Meer nog dan dat: Antwerpen kreeg een plaats in mijn hart omdat het de stad is waar de verteller het personage Austerlitz voor het eerst ontmoet. Hij zit op het station te wachten op een trein die hem ver weg van een dan nog onbestemde kwelling moet brengen. De oorsprong van die kwelling achterhaalt hij pas jaren later: op zijn vijfde werd Austerlitz op de trein naar Engeland gezet en overgedragen aan een adoptiegezin om hem te beschermen tegen de nazi’s. Voordat hij zijn achtergrond ontdekt, doolt hij rond op treinstations zonder te weten waarom.

Zo gaat dat met het verleden: onzichtbare herinneringen beloeren je, blijven aandringen en openbaren zich op mysterieuze wijze. Geestverschijningen die je schrik aanjagen met de bedoeling je verder te brengen. Eerst is er de angst, dan komen de vragen en met die vragen de drang grenzen te doorbreken, tot het uiterste te gaan en verder, op zoek naar het onbekende. Op deze onrust volgt het daadwerkelijke schrijven, de zoektocht naar betekenis, de weg die soms leidt naar de verwachte bestemming, maar zich vaker opsplitst in verschillende richtingen, de weg die bedriegt en misleidt, zonder dat je er zeker van kunt zijn ooit bij een antwoord uit te komen. Het is een avontuur zonder grenzen dat juist door die vrijheid het plezier en de pijn van zijn eigen bestaan in zich draagt.

*

Eenmaal thuis kan ik niet zeggen dat ik terug ben met een kant-en-klare roman onder mijn arm. Ik heb nooit minder dan twee, drie jaar over een boek gedaan. Een verhaal heeft tijd nodig, moet rijpen. Ik weet zelfs niet of ik het ooit zal voltooien, maar terwijl ik op het vliegveld zat te wachten op mijn vlucht, glimlachte ik, want ik wist dat ik niet alleen met meer vragen wegging uit Nederland, maar vooral ook met meer geestdrift, ervan overtuigd dat ik over grenzen heen was gegaan en daar, aan de andere kant, onvergetelijke dingen had meegemaakt.

Alle vertalingen van Taco Schreij
Het einde, het begin
30-11-13

Spinoza ligt begraven op het terrein van de kerk tegenover ons hotel. Het enige geluid in deze donkere ochtend komt van onze voetstappen op de herfstbladeren die de tuin bedekken. Taco heeft me voor zessen gewekt om samen met Lucy naar het graf van de filosoof te gaan. Zijn naam, Benedicti de Spinoza, verschijnt tussen het rood en geel van de bladeren, alsof iemand nog eerder dan wij is opgestaan om het marmer schoon te vegen.

Door de slaap duurt het even voor het tot me doordringt dat Baruch is veranderd in Benedicti. Werd Spinoza katholiek nadat hij verstoten was uit de Joodse gemeenschap? En waarom ligt hij in godsnaam bij een kerk begraven? Ik kijk om me heen en zie geen enkel ander graf. Is hij bekeerd en is hij daarvoor geëerd?

‘Ongelooflijk dat hij zo dicht bij het hotel ligt,’ merkt Lucy op.

Het werd me al vroeg duidelijk dat schrijven altijd een zekere mate van hekserij met zich meebrengt. Telkens als ik met een tekst begin word ik door raadselachtige gebeurtenissen dichter bij het onderwerp gebracht, alsof de echte wereld samenzweert met de verbeelding. Ook deze keer is het niet anders. Sinds ik begon aan de eerste column ben ik door alles in de richting van Spinoza en Salom Salem geduwd. Op de een of andere manier kom ik altijd uit bij het verleden.

In de tijd dat ik begon te schrijven aan mijn tweede roman, die zich gedeeltelijk afspeelt op Corsica, werkte ik tegelijkertijd aan een postdoctoraal over W.G. Sebald. In een Parijse boekhandel ontdekte ik een boek van de Duitse schrijver over precies dat eiland. Ik dacht dat ik gek werd. Het was te onwerkelijk om waar te zijn, het leek een aan mij persoonlijk gerichte boodschap. Nu, in het bijzijn van Spinoza, denk ik weer aan Sebald: door hem heb ik de stad ontdekt waar we straks, als het licht wordt, in een bus vol muzikanten, schrijvers en vertalers naartoe rijden.

Voordat ik Austerlitz las was Antwerpen alleen een naam, verder niets. Door Sebalds roman ging ik op zoek naar informatie over het ontstaan van de stad, haar inwoners en haar belangrijke handelspositie. Meer nog dan dat: Antwerpen kreeg een plaats in mijn hart omdat het de stad is waar de verteller het personage Austerlitz voor het eerst ontmoet. Hij zit op het station te wachten op een trein die hem ver weg van een dan nog onbestemde kwelling moet brengen. De oorsprong van die kwelling achterhaalt hij pas jaren later: op zijn vijfde werd Austerlitz op de trein naar Engeland gezet en overgedragen aan een adoptiegezin om hem te beschermen tegen de nazi’s. Voordat hij zijn achtergrond ontdekt, doolt hij rond op treinstations zonder te weten waarom.

Zo gaat dat met het verleden: onzichtbare herinneringen beloeren je, blijven aandringen en openbaren zich op mysterieuze wijze. Geestverschijningen die je schrik aanjagen met de bedoeling je verder te brengen. Eerst is er de angst, dan komen de vragen en met die vragen de drang grenzen te doorbreken, tot het uiterste te gaan en verder, op zoek naar het onbekende. Op deze onrust volgt het daadwerkelijke schrijven, de zoektocht naar betekenis, de weg die soms leidt naar de verwachte bestemming, maar zich vaker opsplitst in verschillende richtingen, de weg die bedriegt en misleidt, zonder dat je er zeker van kunt zijn ooit bij een antwoord uit te komen. Het is een avontuur zonder grenzen dat juist door die vrijheid het plezier en de pijn van zijn eigen bestaan in zich draagt.

*

Eenmaal thuis kan ik niet zeggen dat ik terug ben met een kant-en-klare roman onder mijn arm. Ik heb nooit minder dan twee, drie jaar over een boek gedaan. Een verhaal heeft tijd nodig, moet rijpen. Ik weet zelfs niet of ik het ooit zal voltooien, maar terwijl ik op het vliegveld zat te wachten op mijn vlucht, glimlachte ik, want ik wist dat ik niet alleen met meer vragen wegging uit Nederland, maar vooral ook met meer geestdrift, ervan overtuigd dat ik over grenzen heen was gegaan en daar, aan de andere kant, onvergetelijke dingen had meegemaakt.

17-11-13

Buiten is het ijskoud. De Haagse gebouwen gaan in de mist gehuld en het regent zachtjes. Een uitstekende dag om op mijn hotelkamer te blijven en de nieuwe roman van Juan Pablo Villalobos te lezen. Helaas heb ik beloofd iedere dag een column in te leveren en als ik Eduardo, de inquisitie-specialist, niet ga opzoeken heb ik niets om over te schrijven. Ik verzin geen verhalen. Zonder iets mee te maken schrijf ik niet. Als ik dus wil voorkomen dat ik mijn hele tekst moet wijden aan het lezen van een boek op een hotelkamer, erg vernieuwend, moet ik de miezer en de kou te lijf, de ergste vijanden van iemand die is opgroeid in de tropen.

Zonder paraplu of capuchon vertrek ik richting station. Google zegt dat het negen minuten lopen is, ik doe er zestien over. Als ik níet verdwaald was, was ik aan mezelf gaan twijfelen. Ik kijk naar welk perron ik moet en voel me, eenmaal in de wagon, weer een beetje thuis. Als het zou kunnen bracht ik mijn hele leven door in een trein, zwijgzaam de wereld aan de andere kant van het raam en de in- en uitstappende reizigers bestuderen. Tussen Den Haag en Amsterdam is het land vlak, de horizon strakgespannen.

Een treinreis is waardevoller dan een uur bij de therapeut. Ik keer terug naar mijn kindertijd, stel me betere dagen voor, gedenk mijn doden en vertel ze wat niemand anders te horen krijgt. De logische tijd verandert in de tijd tussen twee steden en gaat onverwacht snel voorbij.

Mijn telefoon stond op stil, pas als ik in Amsterdam ben zie ik het sms’je van Eduardo: hij komt een kwartier later. Ik doe er mijn voordeel mee, koop een Le Monde en ga koffie drinken. Na een kwartier krijg ik opnieuw een sms’je: of ik vast een restaurant wil kiezen en daar op hem kan wachten. Stilaan word ik onrustig, want ik kan er met mijn tropische hoofd niet bij dat ook Europeanen te laat kunnen komen. Toch blijf ik hoopvol: Eduardo komt heus wel opdagen, hij vertelt me alles, tot in de kleinste details, over Salom Salem en ik ga naar huis met een kant-en-klare roman onder de arm.

Omdat het ook in Amsterdam regent ga ik het eerste het beste café in, The Doors, typisch zo’n tent waar je als toerist afgezet wordt. Op mijn iPhone luister ik naar de Villagers, die gisteravond mijn hart hebben veroverd. Het album heeft de rake titel Awayland. In dat verre land woon ik als ik niet thuis ben.

Ik laat Eduardo weten waar ik zit en bestel thee met gember en citroen. Daarna appeltaart. Als ik weer op mijn telefoon kijk is het al laat. Drie kwartier in dit café en ik heb nog steeds niets gehoord van Eduardo. Ik bel hem, maar zijn telefoon staat uit, of hij heeft geen bereik. Misschien is zijn batterij leeg.

Het probleem met wachten is dat het een oneindige spiraal is. Je stopt pas met wachten als de ander er is. Als die niet komt opdagen blijf je wachten. Altijd is er die twijfel: als ik nu wegga, komt hij vast alsnog. Ik besluit het nog vijftien minuten vol te houden. Dan nog eens vijftien, en nog eens vijftien, en nog eens vijftien. Om vijf uur is het duidelijk dat hij niet meer komt, en ik neem de trein terug naar Den Haag. Ik mag niet te laat te komen voor mijn lezing vanavond.

Alles is relatief
16-11-13

Ik schrik wakker uit een nachtmerrie: mijn vader is veroordeeld tot gevangenisstraf en hij vertelt me dat hij zelfmoord gaat plegen. Ik probeer hem ervan te overtuigen het niet te doen, maar hij houdt voet bij stuk.

Nog steeds ben ik versuft door de jetlag, en hoewel ik opsta blijven mijn gedachten rondwaren door het rijk van de losse beelden. De stem van mijn vader komt en gaat. Wilde ik met de droom wraak nemen op hem omdat hij me heeft vergeleken met Spinoza? Of komt het doordat ik me schuldig blijf voelen over het feit dat ik hem publiekelijk ben afgevallen?

Op de gang kom ik Daphne tegen, de mooie schrijfster die niet graag haar huis uitkomt. Ik weet niet hoe ik me moet gedragen in haar gezelschap. Moet ik mijn mond houden? Weggaan om haar eenzaamheid niet te verstoren? In haar eerste column schreef ze immers dat ze niet graag onder de mensen komt. Toch is zij het die het gesprek aangaat, zonder omhaal zegt ze dat ik er moe uitzie. Zou ze mijn nachtmerrie ook al hebben ontrafeld? Zou ze ontdekt hebben dat ik schuldig ben aan de arrestatie en zelfmoord van mijn vader?

Terwijl Daphne een broodje salami eet en ik yoghurt met muësli, praten we over onszelf en we ontdekken overeenkomsten en verschillen. Als ze zegt dat ze naar Museum de Gevangenpoort wil, om de verhalen achter de politieke intriges, de strafmethoden en de folteringen te leren kennen, moet ik denken aan het laatste wat ik las voor ik naar bed ging: een artikel over de veroordeling van betrokkenen bij een groot corruptieschandaal in Braziliaanse kabinetskringen. Dankzij Daphne wordt het me duidelijk: het had allemaal niets met schuld, noch met wraak te maken, en al helemaal niet met Spinoza.

*

Telkens als ik iemand ontmoet uit Oost-Europa bedenk ik hoe relatief alles is. Terwijl in de jaren zestig en zeventig in Brazilië het communisme synoniem was aan vrijheid – of in ieder geval aan het bevrijd raken van de gruwelijke militaire dictatuur – was in Slowakije, waar Monika vandaan komt, het communisme juist de grondslag voor de dictatuur. Daar betekende vrijheid het bereiken van het vliegveld en de grens oversteken.

*

Veel van de tot gevangenisstraf veroordeelde politici maakten deel uit van het verzet in Brazilië, ze hadden idealen en vochten voor een betere wereld. Zo ook mijn vader en daarom ben ik, in ballingschap, geboren in Lissabon. Onderweg naar mijn kamer, na het gesprek met Daphne, voel ik me opgelucht over mijn vader, die zijn politieke activiteiten al lang geleden heeft laten varen. De gevangenis is een ongegronde angst die zich alleen in dromen openbaart.

*

Bij de receptie pak ik een plattegrond van de stad, ik vraag naar de bezienswaardigheden en hoop een perfecte wandeling uitgestippeld te krijgen. Eenmaal op straat vergeet ik de kaart in mijn jaszak, ik slenter zonder doel en let niet op straatnamen, ervan overtuigd dat ik straks niet meer weet hoe ik terug bij het hotel kom.

Bij toeval kom ik aan bij de Gevangenpoort. In het museum bekijk ik martelwerktuigen, strafbanken en teksten over de verschillende strafmethoden uit vervlogen eeuwen: oog om oog, tand om tand. Het museum zelf is niet bijster interessant, maar bewijst me toch een dienst: het brengt me naar de galerie ernaast, waar het schilderij “Een jongen gebeten door een hagedis” van Caravaggio hangt. Als er één schilder in de wereld is waarvoor ik kilometers zou lopen om een enkel doek van te zien is hij het wel.

*

Eenmaal achter de computer besef ik dat ik Spinoza ben vergeten, ik ben niet op zoek gegaan naar zijn sporen. En ik bedenk dat reizen, net als schrijven, bestaat uit het vergeten van bepaalde dingen om weer andere te ontdekken.

*

Zojuist kreeg ik een mailtje van de Portugese vriend in Amsterdam, hij schrijft dat hij vandaag een literatuurdocent heeft ontmoet die gespecialiseerd is in de inquisitie. Hij weet alles over de joden uit de zeventiende en achttiende eeuw in Nederland en heeft een boek geschreven over de rabbijnen die van over de hele wereld het land bezocht hebben. Hij stelt voor morgenmiddag met hem af te spreken, dan kan hij me alles vertellen over Salom Salem.

Een boek, wat voor boek?
15-11-13

De omstandigheden zitten niet mee: het is al over tienen in de avond, en ik werk nooit na zeven uur. Deze column moet morgenochtend af zijn en ik weet nog steeds niet waar ik moet beginnen. Ik wilde schrijven over Den Haag, maar daarvan heb ik alleen nog maar het hotel, een theaterfoyer en een Indonesisch restaurant gezien. Ik zou het kunnen hebben over mijn vertalers, de andere columnisten of de organisatoren van het festival, maar die waren allemaal te aardig om te veranderen in personages. Het enige wat ik dus kan doen ligt – voor wie de eerste column heeft gelezen – voor de hand: vertellen wat er in Amsterdam is gebeurd.

*

Aan het begin van de middag loop ik het station uit, de stad baadt in een zachte herfstzon. Als ik om me heen kijk herinner ik me de kleine huizen, de fietsen en de overdreven lange mensen. Slepend met mijn koffer wandel ik naar het huis van een Portugese vriend waar ik kan blijven slapen. Onderweg raak ik er steeds meer van overtuigd dat ik hier best zou kunnen wonen.

Ik heb niet veel tijd, dus eet ik snel een kleine salade en neem de taxi naar het Joods Museum. Als ik mijn entreekaart aan de receptionist geef waarschuwt hij me: ‘U kunt beter eerst naar de Portugese Synagoge gaan, die gaat al om vier uur dicht.’ Dat was ik eigenlijk niet van plan, maar ik voel me opgelaten en loop toch gauw een rondje door de synagoge. Ik heb er geen spijt van.

Als ik een halfuur later het museum binnenstap, komt er een vrouw op me af die vraagt of ik wil meewerken aan een enquête. Ze wil weten waar ik vandaan kom, hoe oud ik ben en waarom ik in het museum ben. Ik twijfel tussen de waarheid en een halfslachtig, kortaf antwoord om niet nog langer te hoeven wachten op de ontmoeting met mijn voorouder. Toch kies ik voor het eerste en ik zie de tranen bij haar opwellen. Ze verwachtte natuurlijk een antwoord als alle andere, maar nu staat ze plotseling oog in oog met een echt verhaal, een verhaal met een eigen geur en een fysieke aanwezigheid.

Ze legt me uit hoe het museum is ingedeeld en ik ga rechtstreeks naar de tweede verdieping, waar het materiaal uit de zestiende tot de negentiende eeuw is geëxposeerd. Ik bekijk de schilderijen en gravures en lees rustig een paar informatieborden, want ondanks de opgebouwde spanning wil ik het langverwachte moment nu toch nog even uitstellen. Vaak is het uitzien naar een gebeurtenis waardevoller dan de gebeurtenis zelf. In je fantasie is weinig ruimte voor teleurstelling.

Daar ligt hij dan, in een vitrinetafel, exact gelijk aan de door mijn opa geërfde gravure, met dezelfde lange baard en de doek die om zijn torenvormig haar gebonden zit. In tegenstelling tot wat ik dacht is Salom Salem geboren en gestorven in Turkije, hij is in 1652 naar Amsterdam gekomen om zijn boek te laten drukken. Daar had ik niet op gerekend: een boek? Wat voor boek?

Ik ga naar beneden en knoop opnieuw een gesprek aan met de vrouw van het museum, ze adviseert me naar het informatiecentrum te gaan. Daar word ik geholpen door een bijzonder vriendelijke jongen die in de archieven op zoek gaat naar Salom. Hij ontdekt alleen maar dat hij rabbijn was in Adrianopolis (later kom ik via Google aan de weet dat er in het zuiden van Brazilië ook een stad is met die naam). Teleurgesteld met de karige resultaten geeft hij me twee telefoonnummers en voegt eraan toe: ‘Bent u al in de Portugese Synagoge geweest? Daar hebben ze veel materiaal uit die tijd. Met een beetje geluk vindt u daar een exemplaar van het boek. Als het überhaupt gedrukt is natuurlijk…’

Ik kijk op mijn horloge, het is half vijf, de synagoge is al gesloten. Morgen vertrek ik naar Den Haag en ik ben niet van plan terug te komen. Het is altijd hetzelfde: ik ga op zoek naar antwoorden en kom terug met nieuwe vragen. Plotseling doemen er allerlei nieuwe mogelijkheden op. Meestal is dat het eerste teken van een roman die zich aandient. En ik denk: ja, een roman. Iemand vertrekt halverwege de zeventiende eeuw vanuit Turkije naar Nederland, steekt grenzen over, maakt een lange reis om een boek gedrukt te krijgen en een portret te laten maken dat jaren later terechtkomt in een huis in Rio de Janeiro – de plot staat me aan. Om nog maar te zwijgen van de mogelijkheid dat Salom Salem en Spinoza elkaar gekend hebben.

*

En nu ik het toch over Spinoza heb, ik kwam ook van hem een portret tegen. Mijn vader moet het me vergeven, maar ik lijk in de verste verte niet op hem.

*

Zojuist heb ik ontdekt dat Spinoza in Den Haag is overleden. Misschien struin ik morgen de stad wel af op zoek naar sporen van hem.

Grenzen van het verleden
02-11-13

Ik zat op de bank toen ik plots merkte dat mijn vader me aan het bestuderen was, alsof hij iets bij me had ontdekt dat hem nooit eerder was opgevallen. Ik vroeg of er iets was en hij zei: ‘wacht even. Hij verdween in de donkere gang van het huis waar hij nog steeds woont en kwam terug met een encyclopedie. Hij gaf me het zware boek opengeslagen aan: ‘kijk nou, dat ben jij.’ Ik zag het portret van Spinoza en zei resoluut: ‘echt niet!’ Ik was twaalf, hoe kon ik het eens zijn met zo’n onzin? Wat had ik nou gemeen met die man met zijn holle ogen, zijn grote neus en dat haar dat meer weg had van een pruik?

Een paar jaar later ontdekte ik wie de man was en ben ik hem gaan lezen. Toen maakte het me niets meer uit dat hij lelijk was, ik genoot er zelfs van te pas en te onpas te vertellen dat ik inderdaad op Baruch Spinoza leek.

Mettertijd werd me duidelijk dat de opmerking van mijn vader steek hield: Spinoza en ik hadden dezelfde oorsprong, beiden stamden we af van Portugese joden die gevlucht waren voor de inquisitie. Zijn familie vestigde zich in Amsterdam, die van mij in İzmir, waar mijn opa’s van beide kanten een huis deelden. Ze waren dikke vrienden, maar emigreerden op verschillende momenten uit Turkije en verloren elkaar uit het oog, totdat hun kinderen elkaar bij toeval ontmoetten op een bijeenkomst van linkse militanten tegen de militaire dictatuur in Brazilië.

In dat verhaal zat een roman. Hoewel ik niet precies over dit verhaal geschreven heb, ben ik er nooit ver vandaan gebleven. Mijn eerste boek gaat over de huissleutel die gevluchte Sefarden van generatie op generatie overdroegen in de hoop ooit terug te kunnen keren naar Portugal.

In de familie van mijn moeder werd niet alleen die sleutel doorgegeven, maar ook een gravure uit de zeventiende eeuw. Die gravure, van een rabbijn uit de Portugese gemeenschap van Amsterdam, tijdgenoot van Spinoza, was als erfstuk overgegaan van stamhouder naar stamhouder en zo uiteindelijk bij mijn opa terechtgekomen.

Zou ik dan, buiten het feit dat ik op hem lijk, meer met de filosoof gemeen hebben? Zou een van mijn voorouders hem gekend hebben? Misschien waren ze wel vrienden. Of vijanden. Misschien is er zelfs sprake van bloedverwantschap. En waarom is die rabbijn eigenlijk van Amsterdam naar İzmir gegaan? Had Spinoza daar iets mee te maken?

Bijna twintig jaar geleden kwam mijn moeder een afdruk van precies dezelfde gravure tegen in het Joods Historisch Museum van Amsterdam. En toen ik na de middelbare school zelf voor de eerste keer naar Europa ging, zei ze voor mijn vertrek: ‘Denk erom dat je niet vergeet naar onze voorouder te gaan kijken.’ Dat beloofde ik, maar, volledig in beslag genomen door Van Gogh, Rembrandt en de coffeeshops, stelde ik het uit tot de laatste dag. Alleen was het toen net Jom Kippoer en het museum dus gesloten. Vanuit Brugge belde ik mijn moeder om haar te vertellen dat het helaas niet gelukt was.

Twee jaar later overleed ze. Mijn opa was er inmiddels ook niet meer en het verhaal verdween in een ver verleden. Nu ik ben gaan zitten om te beginnen aan deze eerste column voor Crossing Border, komt het allemaal weer terug, scherp, helder, alsof ik de stem van mijn moeder weer hoor: ‘Denk erom…’

In mijn mail zie ik dat ik op 13 november in Amsterdam aankom, en ik vraag de organisatie of het goed is als ik pas op de 14e, de dag dat het festival begint, naar Den Haag ga. ‘Ik heb nog iets belangrijks te doen in Amsterdam’, leg ik uit. Zo gaat het altijd als ik achter de computer ga zitten: een verhaal uit het verleden fluistert in mijn oren dat het verteld wil worden, alsof het zegt: ‘Jij gaat nergens heen zonder eerst terug te keren.’