Nathalie Tabury
The Natashas
13-06-2016

I

Ze heet Natasja

1

De kamer lijkt op een doos, zonder ramen, zonder meubilair. Op de vloer liggen dekens als strandlakens naast elkaar. Sommige zijn netjes tot een rechthoek gevouwen. Andere blijven op een hoopje liggen als uitgespuwde kauwgum. Een meisje zit op haar deken in een T-shirt en slipje met haar armen over haar knieën gekruist. Ze heet Natasja. Ze is vijftien.

Een ander meisje leunt tegen de muur en rookt. Ze ademt uit en blaast de rook naar de muur alsof er een open raam is. De rook spat uiteen als waterverf, dwarrelt dan terug in haar gezicht. Kruipt in haar gekortwiekte blonde haren en nestelt zich op haar hoofdhuid. Er hangt een waas voor haar ogen. Ze knijpt ze halfdicht en rookt. Ze heet Natasja. Wat een toeval. Maar ze is ouder dan het andere meisje. Bijna twintig. Misschien.

Naast haar zijn twee meisjes aan het kletsen. Koetjes en kalfjes. De kleinste heeft een plat gezicht. Haar leeftijd, moeilijk te zeggen – ofwel te jong, ofwel te oud. Sommige meisjes worden gewoon zo – in het zachte avondlicht is ze je engel, maar in een helverlichte wc wil je vragen waar haar dochter is gebleven. Hoe ze heten? Ongelooflijk: Natasja en Natasja.

De ene die in haar slipje op de grond zit, heeft ogen waarin niemand lijkt te wonen. Een roodharig meisje loopt voorbij en tikt haar op de schouder. ‘Rug recht, hoofd omhoog,’ zegt ze.

Het haar van de rooie is droog als twijngaren, maar ze heeft volle lippen en een neus als een druppel melk. Een streling voor het oog, vooral voor mensen die naar een vrouw willen kijken, maar graag een meisje zien. Hoe oud ben je, schatje? ‘O, je weet wel, snoeppapiertjes, haarstrikjes, wat ben je een dotje.’ Vind je dat een goede leeftijd? Hoe heet je, schatje? De ogen van het meisje schieten omhoog. ‘Natasja,’ zegt ze alsof ze een werkzame stof opleest van een bijsluiter. Vind je dat een goede naam?

De zittende Natasja recht haar rug niet zoals de rooie haar aanraadde. De roodharige Natasja zegt, ‘Bloemen die niet naar de zon reiken, worden platgetrapt,’ en wurmt zich langs de zittende Natasja. Ze heeft nog geen drie stappen gezet wanneer een slungelig meisje voor haar opduikt.

‘Ik ben een zonnebloem.’ Haar haren zijn vet. Haar hals is lang.

‘Rot op, zonnebloem,’ bijt de rooie haar toe en even snel als ze is opgedoken, buigt de zonnebloem weer naar de muur.

De zonnebloem is zesentwintig jaar. Eerst hield ze bij hoog en laag vol dat ze uit Moldavië kwam, maar we weten allemaal dat Moldavië niet zulke lange meisjes voortbrengt. Dat was toen de Natasja-tegen-de-muur lang, blond haar had in plaats van dat gekortwiekte vogelnest, en niet kon ophouden over de witte roos. Het oude liedje: het mistige stadje, de galante vreemdeling, de bushalte, witte tanden, witte auto … en de witte roos. Van alle meisjes op haar school koos hij haar, gaf haar het gevoel dat ze de enige was. Dat was jaren geleden. Nu blijft ze bij haar muur, ze rookt en zwijgt. Ze begint niet eens meer over de witte roos. Nou ja, met haar verknipte haar en vaal gezicht is herrie schoppen zinloos. Maar goed ook, want niets is erger dan een Natasja die herrie schopt.

2

Trouwens, Zonnebloem heet niet echt Zonnebloem. Ze heet Natasja. Soms kent het leven maar één akkoord …

3

Aan de andere kant van de kamer zit een meisje op haar hand te blazen, nagel per nagel. Op haar oogleden ligt een laagje babyblauwe oogschaduw, als stof op antieke meubels. Ze blaast op haar vingertoppen. Ze knippert. Babyblauw stof zweeft rond haar ogen.