Marije Kok
Het vreemde en mooie lijden van Ava Lavender
17-09-2015

Proloog

Voor veel mensen was ik een vleesgeworden mythe, de belichaming van een buitengewone legende, een sprookje. Sommigen beschouwden me als een monster, een mutatie. Tot mijn grote pech ben ik ooit aangezien voor een engel. Voor mijn moeder was ik alles. Voor mijn vader helemaal niets. Voor mijn grootmoeder was ik een dagelijkse herinnering aan lang verloren liefdes. Maar ik kende de waarheid – diep vanbinnen heb ik het altijd geweten.

Ik was gewoon een meisje.

Ik ben als Ava Wilhelmina Lavender geboren op een uitzonderlijk heldere avond in Seattle, op 1 maart 1944. Mijn geboorte werd later herinnerd om het effect ervan op de vogels in de straat waar ik woonde, een straat met de veelzeggende naam Pinnacle Lane, straat van het ‘hoogst haalbare’. Op de dag dat mijn moeder weeën kreeg, verzamelden de kraaien bergen kersenpitjes in hun snavels en bekogelden daarmee de ramen van het huis. Mussen streken neer op vrouwenhoofden en pikten plukjes haar los om in hun nesten te weven. ’s Nachts verzamelden nachtvogels zich op de gazons om luidruchtig te eten, het krijsen van hun prooi als een echo van dat van mijn moeder tijdens haar zware bevalling. Vlak voordat zij verzonk in een diepe sluimering – een verlichting toegediend door een verpleegster en een koude injectiespuit – opende mijn moeder haar ogen en zag enorme veren van het plafond naar beneden dwarrelen. Zijdezacht streken ze langs haar gezicht.

Meteen na mijn geboorte haalden de verpleegsters me weg uit de verloskamer om te onderzoeken wat later alleen in een anoniem medisch rapport werd beschreven als een kleine lichamelijke afwijking. Het duurde niet lang of de devoten verzamelden zich in het licht van de ziekenhuisramen, met kaarsen in hun handen en hymnes zingend, vol lof en angst. En dat allemaal omdat ik na mijn geboorte mijn ogen opende, en vervolgens de twee gespikkelde vleugels openvouwde die me als een gevederde cocon omhulden.

Zo gaat het verhaal tenminste.

Waar de vleugels vandaan kwamen, kon geen enkele dokter vaststellen. Mijn tweelingbroer (want er was een tweelingbroer, Henry) was er in elk geval niet mee geboren. Tot op dat moment was er nog nooit in de geschiedenis een mens geboren met dierlijke lichaamsdelen – van vogels noch van andere dieren. Voor velen in de medische wereld bleek de zaak van Ava Lavender de eerste keer te zijn dat de wetenschap tekortschoot. Voor deze ene keer bekeken de dokters de devoten dan ook met jaloezie in plaats van met medelijden of verachting, toen de religieuze mensenmenigtes zich met hun koortsachtige gebeden en flakkerende kaarsen onder het raam van mijn moeders ziekenhuiskamer verzamelden.

‘Stel je voor,’ zei een jonge coassistent tegen een andere, ‘dat je gelooft dat het kind goddelijk is.’ Het was een gedachte die hij maar één keer uitsprak. Daarna wreef hij in zijn vermoeide ogen en boog hij zich weer over zijn medische boeken alvorens terug te keren naar mijn moeder en te bevestigen wat iedere andere specialist al had geconcludeerd – er was niets wat ze konden doen. Niet op medisch gebied, althans.

`Ik heb nog nooit zoiets gezien,’ zei hij, en hij schudde zijn hoofd om aan mijn familie te laten zien dat hij met ze meeleefde. Een gebaar dat hij in de loop der tijd wel onder de knie zou krijgen.

Mijn complete skelet, spier- en bloedvatenstelsels waren onherroepelijk afhankelijk van mijn vleugels. De optie ze te verwijderen werd al snel uitgesloten. Ik zou te veel bloed verliezen. Ik zou verlamd raken. Of sterven. Het leek onmogelijk het meisje van de vleugels te scheiden. Het een kon niet voortleven zonder het andere.