Eenmaal terug op de juiste tijd en plaats door uiteindelijk toch Den Haag te bereiken, heb ik gister precies het tegenovergestelde ervaren van de dag ervoor. Waar donderdag werd overheerst door een gevoel van vervreemding, was dit op vrijdag een gevoel van verdieping. Er waren nieuwe mensen die ik moest leren kennen, namen om te onthouden, festivallocaties die gevonden moesten worden. Maar er was vooral muziek.
Voor mij is muziek altijd een belangrijk onderdeel geweest van zowel het schrijf- als het leesproces. Het komt maar zelden voor dat ik een woord schrijf zonder dat er muziek aan staat. Wanneer ik een boek onder ogen krijg dat ik niet goed kan omschrijven, van mij of van een ander, komt haast vanzelf de vraag in me op: hoe zou dit klinken? Het is dan ook niet echt verbazingwekkend dat, terwijl ik van de ene locatie naar de andere zwierf in een poging zo veel mogelijk te zien, de volgende vraag het vaakst kwam bovendrijven: hoe zou dit lezen?
De relatie tussen literatuur en muziek ligt vaak voor de hand: deze zit in de teksten, de narratieve vorm, het gevoel voor dramatiek. Het hoogtepunt van mijn dag was een fantastisch optreden van Villagers, begeleid door strijkers en blazers. Het was een concert waarin opvallend veel elementen aan bod kwamen, zonder ook maar iets aan samenhang in te boeten. De nummers van Villagers – van ingetogen, schrijnende ballads enkel begeleid door zijn akoestische gitaar, tot aan een complete wall of sound – werden bij elkaar gehouden door de wisselwerking tussen scherpzinnige, speelse teksten en hun gewaagde, ingewikkelde arrangementen. Voor mij had deze balans in stijl en opbouw tegenover zo’n gepolijst en verrassend tempo veel weg van een roman. Maar zijn zelfverzekerdheid bij het schakelen tussen emotionele registers, bijvoorbeeld door schurend kabaal op te volgen met een allerlieflijkste melodie, maakte weer eens duidelijk dat de roman in vorm nog steeds veel kan leren van een concert. Gelijkmatigheid en continuïteit worden bij fictie vaak meer gewaardeerd dan energie, lef en inventiviteit. Hoeveel romans zijn er nou eigenlijk die veranderingen van toon omarmen op de manier van, bijvoorbeeld, een album waarbij de volgorde van liedjes helemaal klopt? Naar mijn mening te weinig.
Ook al was Villagers mijn hoogtepunt, het was eerder die dag bij Ghostpoet dat mijn aandacht op een ander soort afwezigheid werd gevestigd. Tijdens het schrijven van mijn boek, Idiopathie, luisterde ik bijna uitsluitend naar dancemuziek. Ik wilde dat het boek waar mogelijk op zinsniveau iets van het stuwende van dance zou overdragen. Ik wist dat het geen ‘couplet-refrein’ roman zou worden, maar juist iets soepelers, opgebouwd rond een enigszins afwijkende verwachting in hevigheid van opbouw-en-ontlading. Hoe goed dat gelukt is, weet ik niet. Sterker nog: het feit dat ik er nog steeds over nadenk wijst erop het helemaal niet gelukt is, want vooralsnog lijkt het een onopgeloste kwestie. Kijkend naar Ghostpoet besefte ik plotseling dat ik een hoofdingrediënt van dance was vergeten. In fictie bestaan wel degelijk equivalenten van strak ritmische loop-muziek. Je hoeft je slechts vol op Don DeLillo’s werk te storten om erachter te komen dat doordachte herhalingen een fascinerend en hypnotiserend effect kunnen hebben. Maar waar zijn de lage tonen in fictie? Waar is die dreunende, donkere bas? Kijkend naar de muziek van Ghostpoet (en hem voelend), kwam er geen antwoord.
Misschien iets om me in een volgend boek op te richten.