Alles wat ik van Nederland weet, heb ik te danken aan mijn vriend Gonzalo, die een Duitse achternaam heeft, maar de enige is die ik ken die er ooit heeft gewoond, in een hippiedorp genaamd Nijmegen – de oudste stad van Nederland, heeft hij me eens verteld – waar hij lesgaf aan de universiteit. Of misschien stond die universiteit wel ergens anders, nu ik erover nadenk, in een andere stad, of in een ander land, want Gonzalo heeft een boek geschreven over een jonge Chileen die in Nederland woont, maar in België doceert, en die roman – laten we het zo maar noemen, al is het eigenlijk een prachtig, lastig te definiëren boek – speelt zich af tijdens een treinreis, een reis van België naar Nederland dus.
Diezelfde Gonzalo zei een tijd geleden tegen me dat ik Rudy Kousbroek eens moest lezen, want hij had gehoord dat een kleine Argentijnse uitgeverij een bloemlezing van zijn columns had uitgebracht. Uit het weinige dat ik op internet over hem kon vinden – want zijn werk was nooit eerder in het Spaans verschenen – kwam het beeld naar voren van een man die bijna zijn hele leven buiten Nederland had gewoond, maar desondanks tot de beste hedendaagse essayisten van het land werd gerekend. Het boek heette in het Spaans El secreto del pasado en bevatte een verzameling van zijn ‘fotosyntheses’, columns die hij in de laatste jaren van zijn leven had geschreven met een foto als uitgangspunt voor een korte overpeinzing, die op het beeld voortborduurde, maar er soms ook een heel andere draai aan gaf. Dit samenspel stelde Kousbroek in staat om het verleden op elegante, ontroerende wijze te onderzoeken, zoals in dat essay over de dood van de kat van een vriendin. Verpletterend.
Zal ik straks op mijn reis boeken van Kousbroek tegenkomen? Een exemplaar van Opgespoorde wonderen, waarin hij al die laatste essays heeft gebundeld? Wat zal er in de boekwinkels te vinden zijn?
Goed, het heeft weinig zin om boeken te kopen in een taal die je niet kent, maar die reis staat al vast. Steden zijn zoiets als dit: een optelsom van romans die we nooit zullen lezen, waar we nooit iets van zullen begrijpen. Een handvol gedichten die ons leven misschien hadden veranderd als we ze eerder hadden ontdekt, in onze jonge jaren, maar waar we nu geen touw aan vast kunnen knopen.
Als ik het programma van het festival doorneem, zie ik tot mijn verrassing dat Rebecca Solnit komt, die een schitterend boek heeft geschreven, Wanderlust, over de kunst van het wandelen. Misschien dat ik meteen na aankomst in Amsterdam alles zo plan dat ik naar haar kan gaan luisteren en dan stel ik me voor dat ik haar op een gegeven moment – vlak voor het donker misschien – stilletjes door het park zie lopen, ver weg van alles en iedereen, op zoek naar iets raadselachtigs. Een verborgen geschiedenis. Het begin van een onmogelijk verhaal. Maar dat gaat niet gebeuren. Ik weet niet eens of er veel parken zijn in Amsterdam. Gonzalo heeft er nooit een woord over gezegd. En ik kan het hem nu, terwijl ik dit diep in de nacht zit te schrijven, ook niet vragen, want hij ligt vast thuis te slapen.
Misschien moest ik ook maar eens gaan slapen. Binnenkort word ik wakker in Amsterdam en zal ik zelf wel merken hoe het is om door dat park te lopen, vlak voor het donker.