In Amsterdam heb ik de tentoonstelling over Vivian Maier bezocht. Ook ben ik naar het Van Gogh-museum geweest. Na de eerste roes van enthousiasme (waarin ik mijn denkbeeldige kinderen Vivian en Vincent had genoemd) drongen vragen over erkenning zich onvermijdelijk op. Onvermijdelijk omdat beide kunstenaars – grootheden, en vandaag de dag alom bewonderd – stierven zonder bij leven ooit de waardering te hebben gekregen die ze verdienden.
De hele treinreis van Amsterdam naar Den Haag vroeg ik het me af: hoe belangrijk is erkenning voor mij, en waarom, en wat voor erkenning, wat zou erkend worden voor mij inhouden in een ideale wereld? En in de echte wereld?
Altijd als ik hierover nadenk, al sinds ik vijftien jaar geleden begon met schrijven, kom ik tot dezelfde nuchtere conclusie: het is belangrijk, natuurlijk, maar blijven schrijven is veel belangrijker.
Vivian Maier overleed aan een val op haar hoofd. Ze gleed uit over een bevroren stoep. Tragisch is dat niet. Integendeel: op haar 83ste liep ze ondanks het ijs in de straten nog rond om – zo stel ik het me graag voor, al kan ik het niet bewijzen – nog één extra foto te maken. Nog eentje. Altijd nog eentje. Voor mij is dat het belangrijkste: niet op je lauweren rusten, de teugels niet laten vieren. Doorgaan, polijsten, opnieuw beginnen.
En toch, ik weet het niet, maar ik geloof niet dat ik zou kunnen leven zoals zij, met al mijn werk in een grote doos die ik nooit aan iemand liet zien. Ik bewonder haar, maar die neiging om alles wat je maakt voor jezelf te houden deel ik niet. Delen is veel te leuk, dat hebben we gisteren maar weer eens kunnen vaststellen.
Op een van haar filmpjes die ze hebben gevonden, zegt Maier: ‘We moeten plaats maken voor de rest. Zie het als een is een rad dat ronddraait: je stapt in en uiteindelijk weer uit, iemand anders krijgt dezelfde kans als jij en neemt jouw plaats in, tot het einde, en nog een keer, steeds weer hetzelfde. Niets nieuws onder de zon.’
Het rad van The Chronicles zal als alle raderen blijven draaien zonder ons. Anderen zullen onze plaats innemen er zullen andere talen klinken in de merkwaardige ondergrondse gangen die de twee theaters met elkaar verbinden. Dialecten en misverstanden, r’en die anders rollen, hardere of zachtere g’s al naar gelang de breedtegraad, tildes die in andere talen onbekend zijn, onvertaalbare zinswendingen, ingewikkelde toespelingen, inclinaties, declinaties, veronderstellingen. Wij gaan nu naar huis met nieuwe vriendschappen, Nederlandse woorden die we proberen te onthouden (hagelslag!) en de fijne ervaring om een aantal teksten en een podium met elkaar gedeeld te hebben.
Gisteren hebben we, de zeven vertalers en vier schrijvers, een presentatie gegeven en vragen beantwoord in een zaaltje genaamd Heaven. Dat bevindt zich op de zevende en hoogste verdieping van de Koninklijke Schouwburg in Den Haag. Een uur lang was het een kleine toren van Babel. Daarna, toen ons optreden afgelopen was, hadden we het podium nog niet verlaten of er werd alweer een drumstel klaargezet voor het concert dat erna kwam. (Een mooi beeld om dit festival te omschrijven, vind ik: de manier waarop literatuur en muziek het podium delen, elkaar opvolgen in een duizelingwekkende estafette.)
Wat ik gisteren beleefd heb valt zonder twijfel onder het soort erkenning waarnaar ik wél verlang. Het geeft voldoening om werk van mensen zoals jij te zien en te voelen hoe je vervuld raakt van respect voor hen. Mij overkwam het met zowel de schrijvers als de vertalers. Ik was verrast door het krachtige proza van Bregje Hofstede, de scherpe humor van Vea Kaiser, het feilloze ritme van Guillaume Vissac.
Terwijl ik hen zag voorlezen uit hun werk dacht ik aan de woorden die ik ergens in de loop van deze lange week heb opgevangen: One remarkable image taken by the mothership Rosetta shows Philae as a tiny speck, headed for history. ‘Daar gaan ze dan,’ zeiden mijn innerlijke oma en ik, onder de indruk, ontroerd.
Ik wens jullie een goede reis en nog vele pagina’s, lieve vrienden, en laten we elkaar niet uit het oog verliezen: voortzetting gezocht.