Ik sta op het vliegveld van Bratislava in de rij voor de bagagecontrole, achter mij m’n zus van twintig, voor mij m’n moeder. Mijn moeder is nerveus, op haar hoede, in staat van paraatheid, ze volgt wat er om haar heen gebeurt, wie wat doet, om zonder het te vragen, te weten wat ze zelf moet doen. Ze is voor het eerst op het vliegveld, wacht op haar eerste vlucht. Rome, een grote stad, een grote droom, staat haar te wachten.
Ik zie haar onzekerheid en verborgen angst. De angst om iets anders te doen dan ze zou moeten doen – om haar koffer op de verkeerde band te leggen, om in de koffer iets te vergeten dat er niet in mag zitten, om in de verkeerde rij te gaan staan, om uitleg te moeten geven, want daar houdt ze niet van. Praten, daar houdt ze niet van, niet met vreemde mensen. En dan zijn we nog maar op een piepklein vliegveld in Bratislava, waar het personeel een taal spreekt die ze verstaat. Zelf spreekt ze dialect.
In haar hand houdt ze enkel haar identiteitskaart, een simpel pasje en één klein koffertje. ‘Mam, je moet niet te veel spullen meenemen, hoor, mocht er iets ontbreken, dan hebben we een pasje, dan kopen we het wel,’ hebben we haar voor de reis gezegd. Ze vroeg of er in Rome pinautomaten zijn.
Toen ze twintig was, zoals mijn jongere zus nu, was het toenmalige Tsjecho-Slowakije omheind met prikkeldraad, omsingeld door controleposten, ingeklemd tussen andere landen in de wurggreep van het communistische regime. Haar werkzame leven bracht ze door in een land dat slechts zelden de grenzen openstelde voor zijn inwoners, slechts voor enkelen en slechts naar enkele landen. Als je naar westerse, democratische landen wilde reizen, moest je een geldig paspoort hebben, een visum, een uitreisvergunning, een schriftelijke toezegging van de bank voor deviezen, een douane- en valutaverklaring en nog meer papieren, waarvan de toekenning afhankelijk was van de goede wil van de bureaucraten. Je moest melden waar je zou verblijven, bij wie, wat je daar zou gaan doen en wanneer je terug zou komen. Bij terugkomst werd je bagage doorzocht, en boeken en tijdschriften die de mensen in Tsjecho-Slowakije zouden kunnen laten zien dat er over de grens een andere wereld bestond, werden in beslag genomen. In 1989, na de Fluwelen Revolutie knipte men het prikkeldraad door, vertrapte de zorgvuldig aangeharkte grensstrook, waarlangs soldaten tot die tijd gespeurd hadden naar voetafdrukken van emigranten in de aarde. Men opende de grensbunkers, verbrandde de uitreispapieren en ging begerig de wereld in, waarvan het regime jarenlang had beweerd dat die kwaadaardig en verdorven was. Men sprak geen vreemde talen, alleen Russisch, want het regime beweerde ook dat Russisch de taal van de toekomst was, dat het niet nodig was andere talen te spreken. Stel je eens voor hoe men zich gevoeld moeten hebben, als dieren die uit een donkere kist het daglicht zien.
Nu kan men reizen, vreemde talen leren, gaan waarheen men wil zonder aan wie dan ook iets uit te leggen. Iedereen. Maar terwijl ik achter mijn moeder sta, zie ik dat het geheugen te diep is, dat er vele schuilplaatsen en hoekjes zitten, waarin herinneringen van lang geleden, beperkingen, angst en gewoonten sluimeren. En ik weet dat je dit alles niet kunt uitwissen, zoals je grenzen wel uit kunt wissen, controleposten op kunt heffen, grenswachters naar huis kunt sturen en van de bunkers musea kunt maken. Je kunt je eigen grens niet overschrijden, de grens van je innerlijke vrijheid.
Over enkele weken stap ik weer in het vliegtuig, richting Amsterdam. Ik neem één koffertje mee en een paar kleine pasjes in mijn portemonnee. Het zal één van de vele keren zijn dat ik dit jaar de grens over ga, maar terugdenkend aan de eerste reis van mijn moeder, krijgt het deze keer een heel andere dimensie.