Daphne Huisden
15-11-2013

Vanochtend vroeg -voor mijn doen althans- heb ik een rondje om het hotel gelopen. Een ommetje maken, iets wat ik thuis nooit doe, maar het hotel is nadrukkelijk rookvrij dus moest ik wel naar buiten met mijn ongezonde gewoontes.

Den Haag was al wakker. Fietsers, trams, bestelbussen, auto’s en aktetassen, iedereen was onderweg. Ik hoef nergens heen, ik ben al waar ik moet zijn.

Gistermiddag ben ik aangekomen met de trein uit Rotterdam. Ik zat met mijn reistas in een vrijwel lege coupé, wat erg jammer was. Het openbaar vervoer is namelijk een geweldige bron voor nieuwe personages en opmerkelijk gedrag.

Zo zat ik ooit, knie aan knie, tegenover een meisje dat besloten had dat het traject tussen Amsterdam en Leiden het uitgekiende moment was om haar hoofdhuid roosvrij te maken. Ze trok het elastiekje uit haar haren, parkeerde haar handtas buiten de sproeizone, bracht haar lange nagels naar haar hoofd en begon systematisch en fanatiek te krabbelen. Er ontstond een wit tapijtje op haar knieën en onwillekeurig trok ik mijn benen in. Het was fascinerend – op een ietwat onsmakelijke manier.

Maar gisteren gebeurde er niets bruikbaars in de trein. Ik kwam zelfs in één keer aan bij het hotel, zonder verkeerd te lopen of de weg te vragen. Heel teleurstellend. Efficiëntie is weinig verhaalbevorderend.

Verdomme, dacht ik. Ik moet toch ergens een stukje over schrijven!

Dat kwam gelukkig goed tijdens het eten. In het vele verdiepingen tellende Indonesische restaurant, tussen de wajangpoppen, schilderijen en kasten vol mysterieuze parafernalia, was een lange tafel gedekt voor ruim twintig man. Schrijvers, vertalers en taalliefhebbers, het levende mechanisme achter dit project; mensen die niet opkijken van een naamval meer of minder en wier hart sneller gaat kloppen van een ingewikkelde zinsconstructie.

Een divers en internationaal gezelschap, mooi om naar te kijken, maar nog mooier om naar te luisteren. De levensverhalen en anekdotes die werden opgedist, de schalen met saté en zoetzure groenten die in alle accenten van de regenboog werden doorgegeven – voor iemand die zelden buiten haar eigen stad komt was het een buitengewoon smaakvolle ervaring.

Het viel me op dat met name de vertalers zich op hun gemak leken te voelen. Zij (ja jongens, ik scheer jullie ten behoeve van dit stukje even over een kam) voelen zich thuis in meerdere talen, hebben een nieuwsgierigheid naar het onbekende en vaak een indrukwekkend reisverleden waar ze boeiend over kunnen vertellen.

En dat bood stof tot nadenken. Hoe komen ze zo reislustig? Zo avontuurlijk? Zo zonder heimwee?

Vragen waar ik vannacht mee in slaap ben gevallen, en waar ik pas vanochtend in het verhelderende licht van mijn eerste sigaret een enigszins bevredigend antwoord op kon verzinnen.

Misschien is het inherent aan hun vak. Een buitengewoon vak overigens, dat tijdens dit festival (en in het bijzonder dit project) de waardering en aandacht krijgt die het verdient.

Vertalers kijken over de grenzen van de taal heen, ze verbinden en maken de wereld kleiner met hun woordenboeken. Misschien, dacht ik terwijl ik een gulzige trek nam en de nicotine naar mijn hoofd voelde stijgen, misschien vrezen ze daarom de heimwee niet, misschien zijn vertalers overal thuis.

Hoe het ook zij, hun enthousiasme heeft vooralsnog een aanstekelijk effect. Ik heb absoluut geen last van heimwee. Ik heb zin in een ommetje.

 

Alle verhalen van Daphne Huisden
Epiloog
30-11-13

Goed, ik zal er niet om liegen: natuurlijk was ik opgelucht toen de trein Rotterdam Centraal binnenreed. Mijn hart gaat altijd sneller kloppen als ik thuiskom in deze cynische stad, met zijn torenhoge gebouwen, futuristische -en soms krankzinnige- ontwerpen, mengelmoes van stijlen. Er wordt hier altijd gebouwd, herschikt, alsof we sinds het bombardement van 1940 nog altijd rusteloos op zoek zijn naar de identiteit van onze stad. Het werk is hier nooit af – de mensen nooit helemaal tevreden.

Het duurde daarom ook niet lang (ik had mijn tas nog niet uitgepakt) of een nieuw gevoel van rusteloosheid diende zich aan. Een knagend, ontevreden gevoel van gemis. Was het heimwee?

Ik probeerde het van me af te schudden en stortte me volledig in de dagelijkse sleur; boodschappen, saaie post, de bekende verplichtingen van het huishouden, maar het hielp allemaal niet. Wat voor Crossing Border zo vertrouwd voelde, de geborgenheid van de routine, benauwde me. Ik moest naar buiten.

Dus trok ik mijn jas aan en ging ik de stad in. Ik voelde me anoniem. Slenterend door het ‘oude vertrouwde’ dacht ik aan de nieuwe mensen die ik had ontmoet; het inspirerende en ongedwongen gezelschap van The Chronicles waar ik een paar dagen deel van mocht uitmaken. Wat zouden zij nu doen? Zouden zij ook weer moeten wennen aan de regelmaat van het alledaagse?

Ik stelde me voor dat Alice, mijn onvolprezen vertaalster, naast me liep. Ik liet haar mijn ‘thuis’ zien. We lieten ons over de Erasmusbrug waaien, inspecteerden de beveiliging van de Kunsthal, gingen een biertje drinken op de Binnenweg en lachten om Santa Claus, de reusachtige sculptuur van Paul McCarthy, die pontificaal in het centrum poseert – en in de volksmond beter bekend staat als Kabouter Buttplug.

Wat was eigenlijk haar favoriete Nederlandse woord?* vroeg ik me af. En: zou ze weleens luisteren naar de Jeugd van Tegenwoordig?

Crossing Border ging in een roes voorbij. Te snel om de vragen te stellen die nu pas door mijn hoofd stromen. Zo snel dat je je af zou kunnen vragen of het echt was. Ik heb me voor het eerst sinds jaren weer op mijn gemak gevoeld in onbekend gezelschap. En, vol van vertrouwen als ik ben, vraag ik me natuurlijk meteen af of ik het me niet heb verbeeld. Ben ik dan toch een sentimentele geurkaars geworden?

Maar eenmaal op mijn werkkamer, omringd door speelkaarten, goocheltrucs en ander researchmateriaal voor mijn nieuwe boek, klap ik mijn laptop open. Ik zie de nieuwe namen in mijn mailbox en dan weet ik het zeker: de kluizenaar heeft een glimp opgevangen van de wereld, en kan niet anders dan blijven kijken.

Tartuffe ligt spinnend op mijn schoot. Hij begrijpt er weinig van. Als ik een pen laat verdwijnen kijkt hij even op. Dan rekt hij zich nog eens uit. Hij heeft deze truc al te vaak gezien.

We moeten weer aan de slag, miauwt hij klagelijk. Er staat ons een nieuw boek te wachten, een nieuw avontuur. Op papier. Lekker binnen.

Hij heeft gelijk. Het werk is nooit af.

Maar dit keer wordt het anders, dit keer wordt het magisch.

 

*Noot van de vertaalster: Invullen! 🙂

17-11-13

Nou, het is ze gelukt.

Mijn mede-schrijvers en de vertalers hebben het voor elkaar gekregen dat ook deze kluizenaar gisteravond aanwezig was op de afterparty. De kans hierop was ongeveer even groot als de kans dat Arjen Robben het Nederlands elftal volgende zomer met een panenka tot wereldkampioen schiet – dus dat biedt hoop voor de toekomst.

De vraag is: hoe hebben ze dit geflikt?

Aan het begin van de avond zag het er namelijk geenszins naar uit dat ik het al te laat zou maken. Vanochtend stond er een busreis naar Antwerpen op het menu en het nieuwe, verstandige stemmetje in mijn hoofd zei dat het wijs zou zijn (of erger nog: volwassen) om met een fris en uitgeslapen hoofd de grens over te steken.

Dus zat ik braaf met mijn opschrijfboekje op mijn schoot bij het graphic novel-blokje; een bonte  verzameling van tekeningen, (spot)prenten en beeldverhalen uit alle delen van de wereld trok aan aan me voorbij. Tijdens de interviews werd er live getekend door de Stalinski’s, de ontwapenende zusjes Staal uit Groningen die net als ik de inspiratie voor hun werk halen uit het onder de loep leggen van het alledaagse. Ik zag werk voorbijkomen uit New York en een prachtige samensmelting van beeld, geschiedenis, muziek en literatuur uit Tsjechië. Heel indrukwekkend.

Tot dusver was er niets aan de hand.

Maar ja, toen moesten we zelf aan de bak.

Je weet pas hoe comfortabel het is om onderdeel uit te maken van een publiek als je zelf geacht wordt iets interessants te doen achter een microfoon. Nu zijn schrijvers meestal niet zo verzot op optredens en interviews. Ze laten zich niet graag bekijken; datgene dat ze aan de wereld willen laten zien, verwerken ze in hun boeken.

Ik had dus eigenlijk beter moeten weten, en toch… Toch was ik er om de een of andere reden van uitgegaan dat de anderen stalen zenuwen hadden, hun hand niet omdraaiden voor een simpel vraag-en-antwoord-spelletje.

Ik had het mis.

Niet alleen de schrijvers, maar ook de vertalers begonnen één voor één pips te zien toen het moment van literair voyeurisme dichterbij kwam. En daar begon het: we deelden onze onzekerheden, onze angsten, onze wens om dit onderdeel van het festival zo snel mogelijk achter de rug te hebben.

Natuurlijk waren deze angsten niet reëel en uiteindelijk ging het zoals dat altijd gaat wanneer je van het ergste uitgaat: het viel alleszins mee.

Toen ik aan de beurt was en plaatsnam achter het katheder en ik mijn trillende zweethandjes probeerde te bedwingen, keek ik naar de eerste rij. Daar zaten ze; de bekende, welwillende gezichten; gezichten die precies wisten wat er op dat moment door mijn hoofd ging (paniek!) – en op dat moment viel de ergste spanning van me af. Ik zal niet beweren dat ik daar op mijn gemak stond, maar bang was ik niet meer. Ik stond er niet langer alleen.

En zo kwam het dat ik na afloop geen zin meer had om verstandig te doen. Ik kon me niets fijners bedenken dan met ze mee te gaan naar de afterparty, de drukte in. Daar stonden we; in een dampend cafe, dansend, lachend, en vergetend dat we ooit zenuwachtig waren geweest.

We waren de verlenging manmoedig doorgekomen – we waren klaar voor de finale.

16-11-13

Fuck, ik ben mijn paracetamol vergeten.

Dat was het zinnetje dat door mijn hoofd schoot toen Menno Pot gisteravond het eerste optreden van Crossing Border in Den Haag aankondigde. Het is een gewoonte die ik mezelf in de loop der jaren heb aangeleerd: nooit zonder paracetamol naar de schouwburg. En niet zonder reden. Hoe vaak ben ik al niet met een dreunend hoofd en half misselijk van een “gezellig” avondje onder de mensen thuisgekomen? Te vaak dus.

Maar ik had niet lang de tijd om mezelf dit kwalijk te nemen. Het zaallicht veranderde en Lucius kwam op. Ik had geen idee wie ze waren. Net zoals ik van het overgrote deel van de programmering geen idee heb wie het zijn, laat staan wat ze doen. Voor mij is het blind kiezen tijdens dit festival en in het geval van Lucius pakte dat verrassend goed uit: twee stemmen, twee lichamen, één geluid.

Ik vergat alles om me heen, kon me zelfs niet ergeren aan de laatkomers die zich een weg naar binnen wrongen om ook naar deze hypnotiserende band te luisteren. Het uur vloog voorbij.

In een prettige duizeling liet ik me met de zaal mee naar buiten voeren. Het viel me op hoe divers het publiek was. Jong, oud, excentriek, ingetogen; een interessante mix die aansluit op een festival waar zowel het subtiele als het bombastische vertegenwoordigd is.

In de hal pakte ik het schema er weer bij en mijn kompas. En zo vond ik Dorien Meijsing die een paar verdiepingen hoger haar werk liet horen. De Haagse muzikante had een zelfgemaakt instrument bij zich. Moeilijk om uit te leggen, het deed me nog het meest denken aan het muziekdoosje dat ik vroeger op mijn kamer had staan. Haar optreden was klein, fragiel en magisch tegelijk. Ik zat op het puntje van mijn stoel om maar niets te missen en wederom kon ik me niet storen aan het publiek dat later binnenkwam en als een stel roestige ninja’s onhandig krakend op hun plek ging zitten.

En dan was er nog een interview zoals een interview moet zijn. Auke Hulst stelde de juiste vragen en Patrick DeWitt gaf openhartige antwoorden. Eerlijk, ongedwongen, simpel en heel fijn om naar te kijken. Soms weet je gewoon dat een gesprek klopt.

En toen.. Ja, toen had ik er genoeg van. Maar wacht, dat klinkt te negatief. Mijn hoofd zat vol, op een prettige manier, en ik besloot een lange omweg te maken, terug naar het hotel.

Onderweg, met de indrukken nog vers in mijn hoofd, kwam ik een man tegen die druk in gesprek was met een overvolle prullenbak. Hij leunde op zijn fiets en vertelde het vuil wat zijn moeder ervan gevonden zou hebben.

Dat ervan werd me niet duidelijk noch het wat – maar mooi was het wel. Net zoals de avond. Het was nieuw, het was veel, en het was meer dan genoeg.

Misschien heb ik van alles gemist, misschien heb ik het hoogtepunt van deze eerste avond wel aan me voorbij laten gaan, maar ik dacht aan het credo van Martin Bril en toen wist ik weer:

Je mist meer dan je meemaakt, helemaal niet erg.

 

 

15-11-13

Vanochtend vroeg -voor mijn doen althans- heb ik een rondje om het hotel gelopen. Een ommetje maken, iets wat ik thuis nooit doe, maar het hotel is nadrukkelijk rookvrij dus moest ik wel naar buiten met mijn ongezonde gewoontes.

Den Haag was al wakker. Fietsers, trams, bestelbussen, auto’s en aktetassen, iedereen was onderweg. Ik hoef nergens heen, ik ben al waar ik moet zijn.

Gistermiddag ben ik aangekomen met de trein uit Rotterdam. Ik zat met mijn reistas in een vrijwel lege coupé, wat erg jammer was. Het openbaar vervoer is namelijk een geweldige bron voor nieuwe personages en opmerkelijk gedrag.

Zo zat ik ooit, knie aan knie, tegenover een meisje dat besloten had dat het traject tussen Amsterdam en Leiden het uitgekiende moment was om haar hoofdhuid roosvrij te maken. Ze trok het elastiekje uit haar haren, parkeerde haar handtas buiten de sproeizone, bracht haar lange nagels naar haar hoofd en begon systematisch en fanatiek te krabbelen. Er ontstond een wit tapijtje op haar knieën en onwillekeurig trok ik mijn benen in. Het was fascinerend – op een ietwat onsmakelijke manier.

Maar gisteren gebeurde er niets bruikbaars in de trein. Ik kwam zelfs in één keer aan bij het hotel, zonder verkeerd te lopen of de weg te vragen. Heel teleurstellend. Efficiëntie is weinig verhaalbevorderend.

Verdomme, dacht ik. Ik moet toch ergens een stukje over schrijven!

Dat kwam gelukkig goed tijdens het eten. In het vele verdiepingen tellende Indonesische restaurant, tussen de wajangpoppen, schilderijen en kasten vol mysterieuze parafernalia, was een lange tafel gedekt voor ruim twintig man. Schrijvers, vertalers en taalliefhebbers, het levende mechanisme achter dit project; mensen die niet opkijken van een naamval meer of minder en wier hart sneller gaat kloppen van een ingewikkelde zinsconstructie.

Een divers en internationaal gezelschap, mooi om naar te kijken, maar nog mooier om naar te luisteren. De levensverhalen en anekdotes die werden opgedist, de schalen met saté en zoetzure groenten die in alle accenten van de regenboog werden doorgegeven – voor iemand die zelden buiten haar eigen stad komt was het een buitengewoon smaakvolle ervaring.

Het viel me op dat met name de vertalers zich op hun gemak leken te voelen. Zij (ja jongens, ik scheer jullie ten behoeve van dit stukje even over een kam) voelen zich thuis in meerdere talen, hebben een nieuwsgierigheid naar het onbekende en vaak een indrukwekkend reisverleden waar ze boeiend over kunnen vertellen.

En dat bood stof tot nadenken. Hoe komen ze zo reislustig? Zo avontuurlijk? Zo zonder heimwee?

Vragen waar ik vannacht mee in slaap ben gevallen, en waar ik pas vanochtend in het verhelderende licht van mijn eerste sigaret een enigszins bevredigend antwoord op kon verzinnen.

Misschien is het inherent aan hun vak. Een buitengewoon vak overigens, dat tijdens dit festival (en in het bijzonder dit project) de waardering en aandacht krijgt die het verdient.

Vertalers kijken over de grenzen van de taal heen, ze verbinden en maken de wereld kleiner met hun woordenboeken. Misschien, dacht ik terwijl ik een gulzige trek nam en de nicotine naar mijn hoofd voelde stijgen, misschien vrezen ze daarom de heimwee niet, misschien zijn vertalers overal thuis.

Hoe het ook zij, hun enthousiasme heeft vooralsnog een aanstekelijk effect. Ik heb absoluut geen last van heimwee. Ik heb zin in een ommetje.

 

Proloog
02-11-13

Laat ik beginnen met een bekentenis: eigenlijk ben ik totaal ongeschikt om naar het Crossing Border te gaan. Of welk festival dan ook wat dat betreft.

Toen ik mijn vrienden vertelde dat ik voor The Chronicles dagelijks verslag zal gaan doen van het festival en ik ze uitlegde dat ik -om dit avontuur ten volle te beleven- ‘s nachts in een hotelkamer zal overnachten om overdag Den Haag en Antwerpen af te struinen, omringd door onbekenden, op zoek naar onverwachte indrukken, keken ze me meewarig aan.

‘Jij?’ zeiden ze. ‘Zo lang van huis?’

Het waren dezelfde vrienden die ik het afgelopen jaar schaamteloos verwaarloosd heb omdat ik mezelf (in een hardnekkige en maandenlange vlaag van verstandsverbijstering) had wijsgemaakt dat het een goed idee zou zijn om mijn tweede roman in compleet isolement af te maken.

Kluizenaarschap. Ja, het leek destijds een goed idee. Ik kocht een spuuglelijke, maar o zo comfortabele ochtendjas, trok me terug op onze muffe, onverwarmde zolderkamer en bouwde daar in de loop der tijd een bijzonder goede verstandshouding op met mijn praatgrage kat Tartuffe. Daar had ik meer dan genoeg gezelschap aan. Zo vond ik, en Tartuffe stemde in.

Samen misten we een zomer, een winter, en toen nog een zomer. We vergaten welke dag het was en welke maand. Tartuffe lag spinnend op mijn schoot terwijl ik mijn personages vervloekte. Hij was een trouwe mascotte.

Om een lang verhaal kort te maken: het boek kwam af. Maar ik heb daarna plechtig beterschap moeten beloven. Ik slaap weer (bij voorkeur vòòr zonsopgang), ik leef niet langer op een dieet van tosti’s en nicotine, en ik kom zelfs weer buiten. Tartuffe en ik spreken elkaar nog regelmatig, maar ook hij vindt dat het tijd is om onze horizon te verbreden. We doen ons best.

Toch blijft de reactie van mijn vrienden terecht, want hoewel mijn ochtendjas inmiddels aan de kapstok hangt, ben ik nog steeds een huismus; een thuisblijver, een binnenzitter. Ik vermijd alle verjaardagen, feestjes, bijeenkomsten en borrels, elke gelegenheid waar netwerken gewenst is of polsbandjes vereist zijn. En als ik er een keer niet onderuit kan, zit ik in een hoekje: jas op schoot, blik op de uitgang, klaar om te gaan.

Nee, al met al ben ik niet gemaakt van het meest solide festivalmateriaal. Maar op dit moment, twee weken voor het werkelijk zover is, ben ik nog vol vertrouwen. Ik heb namelijk het sterke vermoeden dat ik juist op Crossing Border niet de enige zal zijn die zich wat sociaal onhandig voelt en dus zo gedraagt. En dat biedt troost.

Er moeten anderen zijn die, net zoals ik, hun spontane gezicht opzetten, maar zich eigenlijk ook geen houding weten “onder de mensen”. En ik zal mijn best doen om ze te vinden, die andere kluizenaars. Ik zal me niet opsluiten in mijn hotelkamer; ik zal me mengen in het publiek, laten verrassen door het mooie programma en op zoek gaan naar de eenlingen, de anderen die net zoals ik opnieuw willen leren praten.

Het wordt een avontuur.