De festivalorganisatie heeft mij gevraagd deze eerste tekst te laten fungeren als een – mijn vertaling is geïmproviseerd – ‘soort proloog, zodat je je voor kunt stellen, vertellen waar je nu bent, et cetera.’
Ook als we de dreiging die in iedere ‘et cetera’ schuilt even buiten beschouwing laten, is dit geen onschuldig verzoek en roept het een vraag op (waarom is het belangrijk om mij te leren kennen, of te weten op welke plaats ik ben?) die op zijn beurt weer een andere, algemenere vraag impliceert: wat is de waarde van de identiteit of plaats van een schrijver?
Het makkelijke antwoord is een laffe, barthesiaanse bewering: die waarde bestaat niet omdat die plaats niet bestaat, het geschrevene gebeurt buiten de schrijver om. Maar ze hebben mij uitgenodigd voor dit festival als auteur van Levende dingen, dat wil zeggen: van een ‘autobiografische’ roman (aldus het cliché), oftewel een roman die de eigen ervaring als materiaal gebruikt.
Of de eigen ervaringen (eigenlijk moet ik schrijven: de eigen herinneringen) een oneindig veel rijker resultaat opleveren dan welk verzinsel ook heeft op een heimelijke manier veel te maken met de achtergrond van de schrijver. Er lijkt een consensus te bestaan – waar ik me bij aansluit – dat een witte, cisgender heteroman afkomstig uit de middenklasse nooit dezelfde roman zal schrijven als een lgbti-persoon van kleur uit de arbeidersklasse. En zelfs als we buiten beschouwing laten dat je dat ook kunt omdraaien (dat we door een roman te lezen kunnen zeggen wat voor iemand de schrijver is) lijkt de bewering te kloppen, ook al dreigt die de literatuur te reduceren tot een afzetmarkt van ervaringen. Jaren geleden verbaasde een van mijn docenten, Eduardo Becerra – het lijkt erop dat ik nu toch eindelijk over mezelf ga praten –, mij en mijn medestudenten door te vertellen dat iconische auteurs uit de nieuwe generatie iconische auteurs (ik herinner me namen als Philip Roth en Roberto Bolaño) veel bijbaantjes hadden gehad, zoals ober of bewaker op een camping. Wat heeft het cv – herinner ik me te hebben gedacht – te maken met literatuur?
In politieke zin (in de breedste betekenis van het woord) is de ervaringsgerichte wending van de literatuur tegenstrijdig en brengt deze volgens mij een crisis teweeg in het romangenre. Is ‘Tlön, Uqbar, Orbis Tertius’ van Borges minder ‘biografisch’ dan De wilde detectives van Bolaño? Als ervaring herinnering is en verbeelding een combinatie van die twee, zijn beide teksten dan mozaïeken van de herinneringen van hun auteurs?
Naast dat alle herinnering uiteindelijk collectief is, lijkt hier een idealistische opvatting van literatuur te botsen met een materialistische, wat ons terugvoert naar een uitgekauwd debat. Het interessante eraan is dat de waarde van literatuur in mainstream-kringen momenteel wordt bepaald door de waarde van de ervaringen die erin worden beschreven. Ik herinner me een inmiddels mythisch verleden waarin de niet geringe hoeveelheid mensen met literaire pretenties die we tijdens protesten tegenkwamen op pleinen door heel Spanje ons vroegen wat een van de zogenaamde leiders van de 15 mei-beweging bedoelde toen die het had over ‘de roman van 15-M die elk moment geschreven kon worden (het lijkt erop dat schrijver Alberto Olmos zich later het auteurschap heeft toegeëigend). Hebben we het over een roman die gaat over de ervaring(en) van 15-M? Of beschikte de beweging over een eigen grammatica, vocabulaire en een concrete reeks discursieve vormen? Was het echt mogelijk dat wij niet de roman van 15-M zouden schrijven?
Misschien kan deze gordiaanse knoop worden doorgehakt met een zwaard dat ik niet kan optillen, maar als ze me vragen wie ik ben – als schrijver – dan antwoord ik: iemand die de druk voelt van de tegenstelling tussen de verkoopbare ervaring en de speculatieve fictie, tussen schrijven voor of tegen een literatuurmarkt die ik nodig heb om te bestaan. Waar ik ben? In dit conflict, in deze knoop die me gevangen houdt en me onderwerpt, of liever, mij tot onderwerp maakt.