Gisteren sloot ik mijn blog af door te zeggen dat ‘Tlön, Uqbar, Orbis Tertius’ in zekere zin een zombieverhaal is. Daarmee wil ik niet zeggen dat het een woedend anticommunistisch pamflet is of iets dergelijks, maar dat het verhaal het onverwachtse verkent, de grenzen van het denken opzoekt tot het volstrekt buitenaards wordt, iets dat niet van deze wereld is, iets vreemds, iets van daarbuiten.
In het verhaal wordt een wereld getoond die door en door idealistisch is. Niet in de zin dat de bewoners van die wereld fanatieke idealisten zijn, maar in de zin dat de wetten van de werkelijkheid er worden bepaald door die filosofische stroming (Borges leunde hiervoor op het subjectief idealisme van Berkeley). Het is een geniale en zeer borgesiaanse wending, want in een idealistische wereld is dat onderscheid betekenisloos, en daarom is er geen enkele reden waarom de ‘buitenaardse’ werkelijkheid niet zou kunnen gaan heersen over de ‘onze’ naarmate de mensheid langzaam in de ban raakt van de ideeën van de idealisten. Een voorbeeld: in het verhaal komen voorwerpen voor die hrönir heten, die ontstaan door de verwachting van de ontdekking ervan. Iemand overtuigt een groep studenten ervan dat ze iets zullen vinden aan de oever van een rivier, en de studenten gaan erheen en stuiten erop. Het verhaal slaat talrijke gewaagde zijwegen in; ik raad u aan het te lezen of herlezen. Ik hoop het tweede.
In de vorige blog zei ik dat ik pas laat op de hoogte was van de debatten over utopieën, die zich vooral vanaf mei 1968 hadden ontwikkeld in de Verenigde Staten in verband met ‘sciencefiction’ literatuur. Die aanhalingstekens geven een persoonlijke tekortkoming aan: ik heb die categorie nooit begrepen. En dan heb ik het niet over het feit dat labels in het algemeen vaak laf zijn, maar bedoel ik specifiek dit label, dat van ‘sciencefiction’. Die term volstaat vast prima voor het genre waarbij het draait om roestbakken in de ruimte, maar een space opera als Star Wars heeft weinig gemeen met boeken als Ubik of Zenumagiër. Ik zie de rode draad in ieder geval niet. Toch zie ik wel een lijn die me eindeloos fascineert: die van de speculatieve literatuur.
Laten we bijvoorbeeld eens kijken naar De ontheemde van Ursula K. Le Guin. Ik weet dat het lijkt alsof deze redenering nergens naartoe gaat, dat ‘Tlön, Uqbar, Orbis Tertius’ niets te maken heeft met De ontheemde en nog minder met het verhaal waar ik nu aan werk, dat ik een onmogelijke driehoek probeer te construeren; nog even geduld. De ontheemde is een boek waar roestbakken in voorkomen; het zijn er maar een paar, het verhaal zou prima zonder kunnen. Het boek van Le Guin is een grootse literaire onderneming: ze bedenkt Anarres, een dorre, haast onvruchtbare planeet waarop zich een anarchistische gemeenschap heeft gevestigd die het al meer dan honderdvijftig jaar heeft weten uit te zingen. Daar blijft het echter niet bij; net als Borges waagt Le Guin zich aan alle zijtakken waar haar literaire logica haar naartoe leidt. Ze vertelt over de tegenstellingen op Anarres, het gevaar van instituties die hun burgers bespieden, de fundamentele verschillen tussen hen en ons. Ze beschrijft de reis van een prominente natuurkundige die van Anarres naar Urras reist, een planeet waar het kapitalisme heerst en waar mensen zijn theorieën proberen te kopen. Het is duidelijk dat de verschillende planeten met hun eigen systemen van pas komen voor Le Guin, wat overigens niet betekent dat ze er anders niet was uitgekomen.
Ik moet me inhouden. Ik zal de laatste blog nodig hebben om van mijn gedachten een samenhangende driehoek te maken. Tot vrijdag.