Laatst in augustus lag ik met koorts in bed. Voor het raam floten de vogels gedurig klaarwakker en schril, zo leek het. Op een van die koortsige dagen zag ik Gimme Shelter, de documentaire over het ofptreden van de Rolling Stones bij de Altamont Speedway: het is december 1969 en de mensen komen uit alle windrichtingen aan in het noorden van Californië, te voet en met bussen, ze dragen dekens over hun schouders, plunjezakken en brandhout, ze nemen plaats op de heuvel en wachten, en na een poos komen de Rolling Stones het podium op. Aan de zijkanten ervan staan er Hells Angels: zij moeten de veiligheid garanderen – met een ontzettende lach rolt een van hen totaal gestoord met zijn ogen, ik zie het nog voor me, een bad trip. Het optreden eindigt wanneer een jongeman in een lichtgroen pak door Alan Passaro, Hells Angel, met een lang mes wordt neergestoken, terwijl de band net Under My Thumb aan het spelen is. In mijn koortsige toestand was ik er daarna helemaal ondersteboven van, van dat waanzinnige concert, gevaarlijk en wild en vooral zonder duidelijk stramien, een ongeregeld tumult tussen schraal begroeide woestijnheuvels.
Gisteren zat aan een tafeltje in de Koninklijke Schouwburg Sam Cutler, in 1969 de tourmanager van de Rolling Stones. Hij heeft een boek uit over toen, over die periode. Hij draagt zware ringen aan zijn hand en het verwondert me dat deze Sam Cutler daar zo levendig op dat podium zit te vertellen en toch ook al in 1969 levendig heeft meegemaakt wat voor mij als te laat geborene al verre geschiedenis is.
Aan Altamont moet ik ook later op de avond af en toe denken, moet ik sowieso vaak denken als ik in concertzalen sta. Soms maken ze me woest of misschien gewoon moe, die concertzalen en de ermee verbonden rituelen die elke keer weer worden gereproduceerd – van het binnenkomen van de ruimte tot en met het laatste applaus – elke keer opnieuw uitgevoerd, geënsceneerd misschien: als een groot spektakel. Soms zou ik willen dat de choreografie van de spots een ogenblik stopt, dat er iets onverwachts gebeurt (ik herinner me Scout Niblett, die het podium eens na vier songs alweer verliet), dat het publiek een paar stoelen kapotslaat of minstens toch eens kort aarzelt voor het volgende applaus, dat een vermetele het podium op klautert en iets in de microfoon roept.
Het concert bij de Altamont Speedway is daarvoor misschien een slecht voorbeeld. De Hells Angels met hun aangepunte biljartkeus, hun in zichzelf gekeerde gezichten, dan die wijd opengesperde ogen, die tomeloze chaos joeg mij die dag in m’n zomerse sluimering angst aan. Toch zijn voor mij vandaag vaak dat de dierbaarste ogenblikken, wanneer het perfecte spektakel verstoord wordt, voor een korte tijd onderbroken – zoals het ook in het theater net dan het spannendst is als ik niet zeker ben of een actrice nu haar rol speelt of zichzelf als de souffleur een woord de stille ruimte in fluistert. Een kleine struikeling in de enscenering zo nu en dan.
Toen ik gisterenavond dus piekerend naar het hotel slenterde, denkend aan Altamont en aan Scout Niblett, aan Sam Cutler en de Hells Angels, aan het jaar 1969 en het jaar 2010, aan de mooie optredens van die avond, toen ik nadacht over het grote aantal mogelijke combinaties van de witte, rode en gele spots en over hoe die geritualiseerde handelingen in directe relatie staan met de menselijke behoefte aan zekerheid (ja, zo laat ‘s nachts was ik zeer filosofisch te moede!), dacht ik ook dat het beste moment van de avond misschien was toen Jesse Malin & The St. Marks Social hun instrumenten stemden, af en toe een paar woorden in de microfoons brulden en een, twee keer op de drums hieuwen bij wijze van soundcheck, tsjak tsjak tsjak. Hun kapsels waren op een bepaalde manier best cool en eigenlijk waren ze op en top cool, met hun opgezette kragen en zo. Een kleine show vóór de show was het, een toevallige, ongeplande, en ieder van hen gaf het beste van zichzelf. Het was erg eenvoudig geweest mijn stoute schoenen aan te trekken, het podium op te klauteren en iets in de microfoon te roepen, ik was mijn jas al uit en had mijn mouwen opgestroopt, maar het moment was al voorbij.