keep the bloody racket down
the bloody train is bloody late
you bloody wait you bloody wait
you’re bloody lost and bloody found
stuck in fucking chickentown
(John Cooper Clarke, Evidently Chickentown)
De laatste dagen heb ik vaak gedacht aan John Cooper Clarke en zijn kapsel. Dat klinkt misschien vreemd en grappig, maar ik bedoel het heel serieus.
‘s Avonds na mijn vertrek uit Antwerpen stond ik op een zeker moment aan het station van Appenzell, ver weg in het oosten van Zwitserland, er lag sneeuw en het was al bijna helemaal donker, bovendien was het erg stil. Op die plek herinnerde ik me een haast verloren gevoel, het had met het station in dit kleine dorp uit mijn kinderjaren te maken, met de verwachting waarvoor de treinen stonden, dat ze mij ergens heen zouden brengen, weg weg weg, waar er mensen zouden zijn en er van alles gebeurde, het had te maken met een gevoel van onrust en met het idee dat er niet ver van hier mogelijk vele dingen anders waren.
Sinds ik daar niet meer woon, maar ergens anders, bekruipt dit gevoel me steeds minder vaak, hoewel het onontbeerlijk is: het betekent een ontevredenheid met de werkelijkheid, het is een luide aanklacht tegen orde en rust, zoals die van John Cooper Clarke: the bloody neighbors bloody moan/keep the bloody racket down/this is bloody chicken town.
Sinds Evidently Chickentown uit 1980 is John Cooper Clarke ouder geworden, pas in die tussentijd ben ikzelf geboren, en toch herkende ik hem direct: in Den Haag zag ik hem een keer aan een tafel zitten, in zijn hand hield hij een vork. Een keer zag ik hem op een podium staan, zijn gedichten droeg hij in een plastic tas, genoteerd op losse fiches. Een keer zag ik hem op de rand van het podium zitten, hij had zijn benen over elkaar geslagen en knikte mee in de maat. Ik had hem direct herkend door zijn haar, tumultueus was het, het stond in alle windrichtingen. Totaal onmogelijk dat het dat vanzelf doet, dat haar, dacht ik, en die gedachte beviel me werkelijk bijzonder goed: John Cooper Clarke die elke dag opstaat en op zijn hoofd deze chaos aanricht, deze aanklacht tegen de orde of de werkelijkheid, en dat hij dit al zo lang doet, steevast, ontelbare jaren al en nog altijd, deze John Cooper Clarke. Het lijkt alsof hij tot op de dag van vandaag heeft geweigerd zich over te geven aan de orde en in te trekken wat hij lang geleden heeft gedacht: hij is er nog.
Drie dagen geleden stond ik ‘s nachts aan een toog; er was een feest geweest om iets tegenover de orde te plaatsen of beter: tegen de angst voor de wanorde die in Zwitserland om zich heen grijpt, die suf en vals maakt en zich altijd tegen die mensen keert die men zelf schijnbaar niet is. Het was al laat, de muziek was zachter gezet, binnen stonden maar een paar mensen meer en ik wachtte op de eerste trein, terug naar Chickentown. Misschien, dacht ik terwijl ik daar zo stond, kon zo’n kapsel je er omgekeerd ook voor behoeden tot de orde te vervallen, maar helemaal zeker was ik niet.
In elk geval hoorde ik die avond, er zat nog maar een slok whisky in mijn glas en mijn trein zou er gauw zijn, ten slotte zijn stem door de luidsprekers: O!, dacht ik, John Cooper Clarke is er ook nog.