Lisa Thunnissen
Binnen de grenzen zijn nog meer grenzen
DOOR Ahmed Naje
29-11-2012

Op de laatste dag in die kleine Belgische stad, nadat de druk van de aanleverdeadlines voor de columns was weggevallen, had onze groep schrijvers meer tijd en ruimte om te ontspannen, onrustig te zijn, na te denken.

Wij – de deelnemende schrijvers en vertalers – hadden die dag meer tijd om te praten dan op andere dagen. Aan het einde van de nacht leek Yan eindelijk rustiger, minder bezorgd. Ik was verbaasd toen ze voor het eerst begon te praten over haar leven in China, over het gevoel van vervreemding en hoe moeilijk het was om een plek te vinden in een samenleving waarin psychologisch geweld een fundamentele waarde was. Het viel me op dat het erg leek op de sociale structuur waar ik zo aan gewend was in Egypte.

In het vliegtuig dacht ik weer aan mijn gesprek met Yan, vooral aan het gedeelte over het soort geloof dat een schrijver nodig heeft in maatschappijen als die waar wij in leven, waarin ambigue waarden de norm zijn. Toen ik in Cairo aankwam, werd ik, zoals gewoonlijk, een half uur op het vliegveld vastgehouden. Vanwege een stomme oude politieke kwestie is mijn naam op de zogenoemde ‘toezichtlijsten’ terechtgekomen. Dat betekent dat de douane en mensen van de paspoortcontrole al jarenlang, sinds 2008, elke keer dat ik het land in- of uitga de Nationale Veiligheidsdienst, de Inlichtingendienst en de Luchthavenbeveiliging op de hoogte moeten stellen dat ik de grenzen ben overgestoken, naar binnen of naar buiten.

Zo ging het tijdens de regeringsperiode van Mubarak, en tegenwoordig gaat het nog steeds zo. Op een keer vroeg ik de dienstdoende officier: “Ze zeggen dat er een revolutie is geweest in dit land – waarom gebeurt dit nog steeds?” Hij antwoordde dat er geen oplossing voor dit probleem was.

Ik kom terug van Crossing Border. Mijn herinneringen aan de dagen van het festival voelen bijzonder, intiem; Als het weer en de griep er niet geweest waren, had het gevoeld alsof ik thuis was met een groep fantastische gasten en vrienden. Maar hier, binnen de grenzen van wat we ‘geboorteland’ noemen, lijken de grenzen tussen groepen scherper en wreder dan de grenzen die op landkaarten getekend zijn.

Terwijl ik dit schrijf, zijn mijn gedachten overal, verdeeld tussen allerlei verschillende ideeën en gebeurtenissen. Ik probeer de paar dagen die we in Den Haag en in België doorgebracht hebben samen te vatten, denk aan de voorbereidingen voor de protesten van aanstaande zaterdag; en op het televisiescherm voor me legt een stel leugenaars, die deel uitmaken van een autoritaire Islamitische stroming, de laatste hand aan de tekst van wat zij ‘De nieuwe grondwet van Egypte’ noemen, terwijl het volk protesteert. In wezen legt die groep wetten alle vrijheden aan banden, van de vrijheid van geloof tot de vrijheid van meningsuiting: een autoritair document bij uitstek dat zelfs Hitler niet verzonnen had kunnen hebben.

Dit keer gaan de politieke verschillen verder dan de kringen van de politieke elite, en leiden ze tot een diepe breuk in de samenleving. Sinds ik teruggekomen ben van Crossing Border stromen er reportages binnen  over gewelddadige confrontaties in het hele land, niet alleen in de hoofdstad. De kranten spreken van voorbereidingen voor een burgeroorlog op zaterdag, wanneer confrontaties tussen degenen die de benoeming van een nieuwe dictator steunen en de tegenstanders daarvan verwacht worden.

Ik ga zaterdag de straat op om te protesteren tegen een nieuwe dictator. Tegelijkertijd denk ik aan mijn vader, die lid is van de Moslimbroederschap. Onze relatie is de afgelopen paar jaar in rustiger vaarwater gekomen, sinds we helemaal niet meer over politiek praten. Ik vraag me af of hij zaterdag echt de straat op zal gaan met de Broederschap om de decreten van de nieuwe dictator te steunen.

Er wordt verwacht dat de protesten op zaterdag alles behalve vreedzaam verlopen. Ik weet dat wel zeker, en toch kom ik niet uit mijn persoonlijke crisis. Ik weet niet hoe ik de grenzen tussen mezelf en hem over kan steken, in een ruimte waarin geen van ons beiden de ander probeert te domineren.

Alle vertalingen van Lisa Thunnissen
Binnen de grenzen zijn nog meer grenzen
29-11-12

Op de laatste dag in die kleine Belgische stad, nadat de druk van de aanleverdeadlines voor de columns was weggevallen, had onze groep schrijvers meer tijd en ruimte om te ontspannen, onrustig te zijn, na te denken.

Wij – de deelnemende schrijvers en vertalers – hadden die dag meer tijd om te praten dan op andere dagen. Aan het einde van de nacht leek Yan eindelijk rustiger, minder bezorgd. Ik was verbaasd toen ze voor het eerst begon te praten over haar leven in China, over het gevoel van vervreemding en hoe moeilijk het was om een plek te vinden in een samenleving waarin psychologisch geweld een fundamentele waarde was. Het viel me op dat het erg leek op de sociale structuur waar ik zo aan gewend was in Egypte.

In het vliegtuig dacht ik weer aan mijn gesprek met Yan, vooral aan het gedeelte over het soort geloof dat een schrijver nodig heeft in maatschappijen als die waar wij in leven, waarin ambigue waarden de norm zijn. Toen ik in Cairo aankwam, werd ik, zoals gewoonlijk, een half uur op het vliegveld vastgehouden. Vanwege een stomme oude politieke kwestie is mijn naam op de zogenoemde ‘toezichtlijsten’ terechtgekomen. Dat betekent dat de douane en mensen van de paspoortcontrole al jarenlang, sinds 2008, elke keer dat ik het land in- of uitga de Nationale Veiligheidsdienst, de Inlichtingendienst en de Luchthavenbeveiliging op de hoogte moeten stellen dat ik de grenzen ben overgestoken, naar binnen of naar buiten.

Zo ging het tijdens de regeringsperiode van Mubarak, en tegenwoordig gaat het nog steeds zo. Op een keer vroeg ik de dienstdoende officier: “Ze zeggen dat er een revolutie is geweest in dit land – waarom gebeurt dit nog steeds?” Hij antwoordde dat er geen oplossing voor dit probleem was.

Ik kom terug van Crossing Border. Mijn herinneringen aan de dagen van het festival voelen bijzonder, intiem; Als het weer en de griep er niet geweest waren, had het gevoeld alsof ik thuis was met een groep fantastische gasten en vrienden. Maar hier, binnen de grenzen van wat we ‘geboorteland’ noemen, lijken de grenzen tussen groepen scherper en wreder dan de grenzen die op landkaarten getekend zijn.

Terwijl ik dit schrijf, zijn mijn gedachten overal, verdeeld tussen allerlei verschillende ideeën en gebeurtenissen. Ik probeer de paar dagen die we in Den Haag en in België doorgebracht hebben samen te vatten, denk aan de voorbereidingen voor de protesten van aanstaande zaterdag; en op het televisiescherm voor me legt een stel leugenaars, die deel uitmaken van een autoritaire Islamitische stroming, de laatste hand aan de tekst van wat zij ‘De nieuwe grondwet van Egypte’ noemen, terwijl het volk protesteert. In wezen legt die groep wetten alle vrijheden aan banden, van de vrijheid van geloof tot de vrijheid van meningsuiting: een autoritair document bij uitstek dat zelfs Hitler niet verzonnen had kunnen hebben.

Dit keer gaan de politieke verschillen verder dan de kringen van de politieke elite, en leiden ze tot een diepe breuk in de samenleving. Sinds ik teruggekomen ben van Crossing Border stromen er reportages binnen  over gewelddadige confrontaties in het hele land, niet alleen in de hoofdstad. De kranten spreken van voorbereidingen voor een burgeroorlog op zaterdag, wanneer confrontaties tussen degenen die de benoeming van een nieuwe dictator steunen en de tegenstanders daarvan verwacht worden.

Ik ga zaterdag de straat op om te protesteren tegen een nieuwe dictator. Tegelijkertijd denk ik aan mijn vader, die lid is van de Moslimbroederschap. Onze relatie is de afgelopen paar jaar in rustiger vaarwater gekomen, sinds we helemaal niet meer over politiek praten. Ik vraag me af of hij zaterdag echt de straat op zal gaan met de Broederschap om de decreten van de nieuwe dictator te steunen.

Er wordt verwacht dat de protesten op zaterdag alles behalve vreedzaam verlopen. Ik weet dat wel zeker, en toch kom ik niet uit mijn persoonlijke crisis. Ik weet niet hoe ik de grenzen tussen mezelf en hem over kan steken, in een ruimte waarin geen van ons beiden de ander probeert te domineren.

Crossing Borders afgelopen…wat nu?
18-11-12

Mijn verkoudheid gaat zo langzamerhand over, dankzij Jessa en die vreemde doorzichtige capsules die ze me gegeven heeft.

Gisteren heb ik het grootste deel van de dag in bed doorgebracht en de artikelen van de andere schrijvers gelezen. Ik was onder de indruk van de verschillen: Yan’s spontane humor; Marek’s aanleg voor culturele en historische analyse; Kaweh’s fascinerende narratieve spelletjes en de ingewikkelde relaties tussen hemzelf en de personages waarover hij schrijft.

Ten slotte, rond vijven, besloot ik m’n kamer te verlaten om te gaan lunchen en een korte wandeling te maken voordat mijn lezing begon. Al bij het eerste vleugje koude lucht op mijn gezicht moest ik hard niezen.

Bah, niet weer.

Ik dacht dat ik een tijdreis gemaakt had, of dat mijn koorts weer terug was – wat ik zag konden alleen maar hallucinaties zijn. Op straat was een enorme optocht: honderden mensen met felgekleurde kleren uit vroeger tijden. De meesten hadden om de een of andere reden gouden oorbellen in hun rechteroor. Ze liepen langs en werden toegejuicht door de toeschouwers.

Er was muziek en allerlei vreemde dieren, waaronder een kruising tussen een ezel en een geit. De paarden waren kleiner en dikker dan ik gewend ben. Midden tussen dit alles reed een stoomauto voorbij.

Het was de intocht van Sinterklaas.

Ik deed hetzelfde als iedereen om me heen: ik haalde mijn mobieltje uit m’n zak en maakte foto’s, terwijl ik glimlachte, en snoepjes en cadeautjes van de zwarte slaven kreeg. Dat is toch hoe interactie met de ander, en het leren kennen van andere culturen en beschavingen werkt?

Moet je, voor interactie met de ander, echt eerst iets vreemd vinden, dan een poging om het te begrijpen voorwenden, en het vervolgens imiteren?

Het snoep dat ik kreeg, vond ik niet lekker – het smaakte naar kaneel – en ik voelde me ongemakkelijk bij het zien van honderden zwartgeschminkte mensen in een land met een lange geschiedenis van handel in Afrikaanse slaven.

Ik had ergens al gelezen dat rondom dit feest elk jaar een controverse ontstaat. Daar bleef ik aan denken, het onderwerp spookte door mijn hoofd terwijl ik de trappen naar de Koninklijke Schouwburg op klom, op weg naar de bovenste verdieping, naar het paradijs…of de Paradijszaal.

Het overschrijden van grenzen betekent helemaal niet dat je het eens bent met alles wat je vindt, of dat je alles tolereert – net zoals je nooit helemaal tevreden en in perfecte harmonie bent met de plaats waar je vandaan komt. Soms is kritisch zijn, dieper kijken naar wat onder de oppervlakte ligt, de manier om een andere grens die binnenin je ligt te overschrijden – de grenzen van je noties van de wereld en je begrip daarvan, verder gaan dan bestaande beelden van die wereld.

Toen ik de Paradijszaal inliep, werd Kaweh Modiri’s film vertoond op een klein scherm. De film vertelt het verhaal van een schrijver die in Amsterdam woont en die – alsof hij een huurmoordenaar is – een onruststoker volgt die zijn laptop gestolen heeft. Modiri’s film, met zijn complexe plot en het spel van de personages in een absurdistisch doolhof in de straten van Amsterdam, lag me nader aan het hart. Ik zag in de film een ingewikkelder en stimulerender beeld dan het beeld dat naar voren komt op festivals en in reisgidsen.

Bij mijn vertrek uit het hotel in Den Haag, wierp ik een blik op de ansichtkaarten voor toeristen, want ik heb al een tijdlang de gewoonte die te verzamelen in elk land waar ik kom. Er waren foto’s van windmolens en groene weiden, landschappen en standbeelden van historische figuren. Geen van de kaarten sprak me aan en ik kocht er uiteindelijk geen. Ik wou dat ik in plaats daarvan een foto kon vinden van Ome Omar, de hoofdpersoon van Modiri’s film. Misschien zou die voor mij Nederland beter vertegenwoordigen.

De zoutwaterkuur
17-11-12

Gisteravond, onderweg naar de Koninklijke Schouwburg, voelde ik dat er iets mis was. Ik herkende het benauwde gevoel in mijn keel – de griezelige maand november is tenslotte aangebroken.

Ik was er pas laat; ik had er meer dan twintig minuten over gedaan om de goede deur te vinden. Uiteindelijk werd ik gered door iemand van de festivalcrew, die me door lange gangen leidde, door grote en kleine zalen. Om elke hoek werden mijn oren gebombardeerd met een ander soort muziek.

Het was er net een jungle, verwarrend en ingewikkeld en vol mensen. Het zou me nooit gelukt zijn om zelf de weg te vinden, maar dankzij de hulp van die vrouw (wier naam onbekend bleef) kwam ik precies op tijd aan in de Victoriazaal, waar ik samen met de andere schrijvers en vertalers een lezing moest geven.

Toen ons programmaonderdeel afgelopen was, liep ik de zaal uit zonder plattegrond en zonder enig idee van waar ik naartoe ging. Ik probeerde de schouwburg uit te komen. Langzamerhand raakte ik uitgeput van de griep en de oplopende koorts. Ik deed een enorme deur open en ontdekte dat ik op de tweede verdieping van de grote schouwburg was. Ik ging in een van de stoelen zitten om uit te rusten. Een oude man kwam binnen, vergezeld door een pianist. Hij zong met een verdrietige stem, als Celine Dion die verdronk in een schip pal voor de kust van Den Haag. Mijn koorts liep verder op. Ik wist nu zeker dat ik griep had en de nacht door zou brengen tussen de wc en mijn bed, zonder mijn medicijnen, in de greep van koorts en de bijbehorende hallucinaties.

Ik begon aan alles te twijfelen. Ik liep de zaal uit, op zoek naar een uitgang, en kwam terecht in een andere zaal. De ritmes die eruit ontsnapten deden denken aan rockmuzikanten die probeerden blues te spelen.

In een hoek stond een tafel vol cd’s, de meeste van Nederlandse artiesten. Ik kon de namen niet lezen maar ik denk dat ik meer dan een halfuur bleef staan peinzen over de posters en foto’s, voordat ik besefte dat alle muren van de schouwburg vol hingen met afbeeldingen: niet alleen foto’s, maar ook olieverfschilderijen.

Ik kreeg steeds meer last van mijn keel en het voelde alsof er een kleine rivier uit mijn neus stroomde. Het enige waaraan ik kon denken was teruggaan naar het hotel. Weer zocht ik een uitgang, maar telkens wanneer ik door een deur liep, kwam ik in een gang terecht die naar een klein podium of nog een zaal leidde.

Zo ziet de wereld er dus uit nadat je grenzen overschreven hebt: feiten en fantasie versmelten en de betekenissen van talen raken kwijt, maar de beelden die ze oproepen, blijven.

Eindelijk vond ik de uitgang – maar bij mijn eerste stap buiten moest ik keihard niezen. Ik had het flink te pakken. Het was koud, maar ten slotte bereikte ik het hotel weer. ’s Ochtends werd ik wakker met het gevoel dat er een steen in mijn keel zat. Ik ging naar de ontbijtzaal, waar ik Wiam tegenkwam, die wist te vertellen dat ik niet de enige van de groep was die kou gevat had. Maar het probleem is dat ik mijn medicijnen niet bij me heb. Na een voor haar gebruikelijke aarzeling raadde ze me aan om met warm water en zout te gorgelen.

Ik vind het heel jammer: ik was van plan om vandaag naar het strand te gaan. Nu kan ik alleen nog maar hopen dat ik mijn stem op tijd terug heb voor mijn lezing vanavond.

Van Den Haag naar La Hai
16-11-12

In het Arabisch heet Den Haag niet Den Haag of The Hague. Het staat bekend als ‘La Hai’ – een beroemde naam in de Arabische wereld omdat hij geassocieerd wordt met het Internationaal Gerechtshof. Nog maar een paar weken geleden heb ik een documentaire gezien over kunst en revolutie in Syrië, waarin de betogers zongen:

Bashar Bashar, bye bye
We zien je nog wel in La Hai

Maar hoe is Den Haag in het Arabisch ‘La Hai’ geworden, dat in niets lijkt op de Nederlandse of de Engelse naam?

Den Haag werd bekend bij  Arabieren in de negentiende eeuw, toen de stad bezet was door de Fransen. De naam werd dus niet door rechtstreekse vertaling uit het Nederlands overgebracht, maar via een tussentaal: het Franse La Haye werd La Hai in het Arabisch.

Deze korte anekdote is maar één voorbeeld van de spelletjes en risico’s die vertalen met zich meebrengt, vooral als het via een tussentaal gaat.

Hier heb ik gisteren nog iets over geleerd. Toen ik samen met de andere schrijvers en vertalers zat te eten, was Engels de voertaal. Maar namen kun je niet vertalen, en wanneer er vier schrijvers verschillende taalachtergronden hebben, wordt de situatie komisch, vooral als iedereen zijn naam minstens twee keer moet herhalen voordat de anderen hem goed uitspreken.

De grappigste was Yan Ge, die zichzelf zo voorstelde: “Yen…net als de Japanse munt.”

De misverstanden bij het vertalen van namen (hetzij van steden, hetzij van mensen) zijn een sleutel tot het overschrijden van grenzen. Namen, die niet vertaald kunnen worden en daarom in andere talen hun betekenis verliezen, hebben in hun oorspronkelijke taal wel betekenissen en connotaties. En daarom volgde op het beginstadium, het leren om ‘Yan Ge’ en ‘Kaweh’ goed uit te spreken, het stadium van het ontdekken van de betekenis van elke naam, de verhalen die erachter verscholen zijn. In feite  betekent Yan Ge helemaal niet Japanse munteenheid – het betekent ‘kleur lied’. En Kaweh’s naamgenoot is de held van een Perzische legende.

“Ben je Perzisch?”

“Ja, maar ik ben weggegaan toen ik  vijf was…”

Hij vertelt een verhaal, en iemand anders aan tafel beantwoordt dat met het zijne. Stukje bij beetje vallen de grenzen tussen de individuen weg. Vertalen mag dan risico’s met zich meebrengen, en uitdagingen, en fouten, maar de verhalen die schuilgaan achter deze valkuilen zijn ook een ervaring met het oversteken van grenzen.

Het leven van schoften
05-11-12

Op een muur tegenover het politiebureau in Zamalek, een nette buurt in Cairo, heeft iemand geschreven:

Het leven van een moreel individu is gebaseerd op het volgen van
een
universele ethiek, maar het leven van schoften is gebaseerd op
het
omkeren van dat systeem

Naast deze zin prijkt een enorme graffiti van het gezicht van een stadslegende: Al-Haram, ‘De Piramide’. Hij rolt een joint met zijn vingers en om zijn hoofd heeft hij een grote aureool, alsof hij een heilige is.

Al-Haram wordt in sommige gebieden gezien als de god van drugsdealers, van bedrog. In sha’bi (arbeiders)buurten worden kleine beeldjes van Al-Haram verkocht met daarop het volgende vers uit de Koran: “We hebben hen gesluierd, zodat zij niet kunnen zien.” Iedereen die zo’n beeldje bij zich draagt wordt dus door de schaduw van Al-Haram beschermd tegen de ogen van politieagenten, morele individuen en de honden van de universele ethiek.

Maar de diep filosofische stelling naast de graffiti is niet een van Al-Harams spreuken. De auteur van het citaat is onbekend…en waarom staat het naast deze tekening?

Dit is gebeurd in de periode na de gebeurtenissen van 25 en 28 januari 2011. De muren van Cairo bezweken bijna onder de – meestal politieke – opschriften en tekeningen. Maar de graffiti van Al-Haram met het raadselachtige citaat vormde nog steeds een diepe breuk met de harmonieuze stemming van revolutionair patriottisme die het land op dat moment in zijn greep had.

***

Er is meer dan één wereld.

Elk probleem kun je vanuit verschillende gezichtspunten bekijken, heeft meer dan één laag. In het systeem van de universele ethiek is men bezig met democratie, revolutie, de waardigheid van een profeet, blaffende honden, schulden en leningen en staten die hun faillissement verklaren, worstelingen die op een scherm en in het nieuws plaatsvinden. Maar wij, hier, in de wereld van de schoften, weten dat het waanvoorstellingen zijn, een leugenachtige weergave van het leven.

Wanneer zij het, in het systeem van de universele ethiek, hebben over het belang van muziek en literatuur in de ‘dialoog van beschavingen’, beseffen wij dat je literatuur en muziek niet hoeft bij te sturen om ze die richting op te laten stromen.

De afgelopen jaren is de muziek van schoften in Egypte steeds populairder geworden. Dit nieuwe genre, mahaganat (letterlijk: ‘straatfestivals’) genaamd, combineert hiphopritmes met elektronische geluiden en de stemmen van hun schofterige sterren. De liedjes worden opgenomen in huizen, in geïmproviseerde hutten, in donkere steegjes – en de teksten overschrijden alle gebruikelijke systematische en ethische grenzen.

Zonder bijgestuurd te hoeven worden, ontdekte ik laatst enorme overeenkomsten tussen deze muziek, die geboren werd in de sha’bi stegen van Cairo, en een muzieksoort afkomstig van bendes uit Brazilië die daar razend populair is.

Welke grenzen moeten er dan overschreden worden?

De echte grenzen liggen niet tussen twee talen of landen met verschillende visumprocedures. De echte grenzen liggen tussen twee systemen:

Het eerste, universeel en ethisch, schrijft een stereotype beeld van de mens voor – als individu en als volk – en claimt dan dat ze allemaal menselijk zijn, met gelijke rechten. Via ‘liefde voor het algemeen belang’ komen zij tot een ‘dialoog’, die gegrond is op eigendomsrecht en competitie.

Het tweede is de wereld van de schoften, waar het individu binnen hem/haarzelf al volledig is en zijn vrijheid en lust voor avontuur gebruikt om het leven te verkennen vanuit het tegenovergestelde van dat universele systeem– niet met het doel om het af te breken of in te doen storten, maar vanwege dat kleine heimelijke genoegen.

Maar dat heimelijke genoegen is niet alles. Het heeft nog een andere kant: als een van de inwoners van de wereld van de schoften zegt: “In deze staat is geen veiligheid, je leven is als een pokerspel, met zijn ups en downs. Als je de wind je heen en weer laat wiegen, als je achter je brood of de geur van gevaar aan rent, als je de hele nacht ronddoolt zonder even met je hoofd tegen een muur te kunnen leunen of je voeten op de grond te kunnen laten rusten, als tijd – voor jou – een meevaller is, en plaats een buitenkans…op dat moment, precies dat moment, weet je dat je een schoft geworden bent.

Maar vergeet niet: voor een pokerspel is moed nodig

Het soort moed dat stand houdt in een minderheid.

Het soort moed dat onontbeerlijk is voor vrijheid.