Midden in de nacht, om vier uur, word ik wakker van mijn zoon, die ik door de babyfoon om me hoor roepen. Ik loop naar zijn kamer, kruip bij hem in bed – hij is één jaar en tien maanden en dicht tegen elkaar aan passen we nog net op zijn piepkleine matras. ‘Ik wil chichile,’ zegt hij. In Mexico noemen we borsten chichis, het geven van borstvoeding chichi krijgen. Het woord chichi schijnt uit het Maya en Nahuatl te komen, en betekent in deze talen broodkruimels.
Alejandro, Silvestres vader, is Chileens, dus we hebben het natuurlijk vaak over Chile; we zijn een paar keer met Silvestre naar de hoofdstad Santiago geweest, en lange tijd was Chile voor hem een synoniem voor op reis gaan. Ik weet niet meer wanneer ik voor het eerst de woorden chichi en Chile speels samenvoegde, maar we hebben het erin gehouden. Vanaf dat moment vroeg hij altijd om chichile. Dat neologisme leek het tweede vaderland van mijn zoon perfect te beschrijven, de andere cultuur, het andere, Chileense Spaans dat hij en ik voortdurend in ons opzuigen. Misschien is dat tweede vaderland vooral ons tweede moederland.
Het is bijna twee jaar geleden dat ik meer dan drie uur aan een stuk heb geslapen. Sinds januari ben ik op alle mogelijke manieren aan het proberen om de borstvoeding af te bouwen: stapje voor stapje, van de ene op de andere dag, door me in te smeren met aloë vera en te zeggen dat de chichi kapot is. Tot nu toe had niets gewerkt. Hij gaf niet op en ik gaf te snel toe.
Een paar dagen geleden werd de arme schat ziek. Hij kreeg blaren in zijn mond en kon geen vast voedsel eten of aan mijn borst zuigen om melk te drinken. Hij is aan de beterende hand en het is uiteindelijk ergens goed voor geweest, want nu, hier naast hem in zijn bedje, zeg ik zachtjes en lief dat ik hem geen chichi meer kan geven en dat hij het niet meer nodig heeft, want hij is gegroeid, hij is nu een grote jongen. Er volgt geen gekrijs, in tegenstelling tot wat ik verwachtte. Hij huilt even en pakt de mouw van mijn pyjama stevig vast. Dat doet hij al maanden telkens wanneer hij chichi krijgt: hij klemt zijn vingers om de zoom van mijn pyjama en dat stelt hem gerust, troost hem, sust hem. Dat is deze keer genoeg. Hij stopt bijna meteen met huilen en valt in slaap. Mijn borsten doen een beetje pijn, want ze zijn nog niet gewend aan hun herwonnen nutteloosheid, maar het is een kortstondige, tijdelijke pijn en algauw val ook ik in slaap.
Ik word haast euforisch wakker: het is ons gelukt. We zijn nu echt van elkaar losgekomen. De borstvoeding was een zegening en een marteling, een genot en slavernij. We zijn vrij. En precies op tijd, want al maanden is mijn streven om met borstvoeding te stoppen vóór mijn reis naar Den Haag,
om naar het Crossing Border Festival te kunnen gaan. Om hem die vier dagen bij mijn moeder te kunnen laten logeren en met Alejandro te kunnen reizen (die ook voor het festival is uitgenodigd). Een paar weken geleden wist ik zeker dat het niet zou lukken. Ik heb lang zitten broeden op alternatieven:
1. Hem meenemen (hoewel dit zou betekenen dat we hem blootstelden aan het tijdsverschil en de Europese winterkou).
2. Op het laatste moment een vreselijke ziekte voorwenden en niet naar het festival gaan.
3. Sowieso gaan en mijn arme moeder opzadelen met een ontroostbare baby.
Maar het is ons gelukt. Borstvoeding was voor ons al die tijd de intiemste manier om van elkaar te houden. Die hebben we nu niet meer nodig. Nu we taal hebben, hebben we, en ontdekken we, steeds nieuwe manieren om van elkaar te houden.