De vijfenvijftigjarige Australische schrijver, een prijswinnaar, een van die schrijvers die er echt als een schrijver uitziet, met afgedragen kleding, alsof hij net uit bed is gerold en zijn min of meer vieze vodden van gisteren heeft aangetrokken, omringd door een zweem van alcohol en shag, vertelt over zijn weg naar het schrijverschap. Op het podium voor ons, lichtjes achterover leunend, vertelt hij met een donkere, diep vibrerende stem, ook die lijkt intensief geleefd te hebben, over zijn opvoeding die begon met veel privileges en eindige in armoede en drugsmisbruik; hij vertelt zijn verhaal zonder veel pathos, alsof hij allang afstand heeft genomen van de oorsprong. Met gekruiste enkels, zijn knieën iets uit elkaar, straalt hij een soort donkerte uit die in verhouding staat tot de intensiteit van het licht waaraan hij wordt blootgesteld, hier in de blauwe kamer.
Hij is enorm voorspelbaar, de schrijver, zoals wanneer hij meerdere malen refereert aan gestorven collega’s: Bukowski, Hemingway. Het verveelt me, van die oudere schrijvers die, schijnbaar gespeend van zelfinzicht, beweren dat ze het beste schrijven met een prostitué tussen de benen, of wanneer ze hun eigen testikels stevig vasthouden. Deze schrijver lijkt toch iets sympathieker, hoewel zijn bescheidenheid een beetje nep overkomt, gemaakt, hij is wel echt geïnteresseerd in ons, de jonge schrijvers, luistert aandachtig, maar toch fungeren we vooral als spiegel, reflecteren alles wat hij niet probeert te zijn.
Af en toe schraapt de schrijver zijn keel, volkomen kalm, beheerst en ingeperkt, in contrast met het leven waar hij over vertelt, dat aantoonbaar chaotisch en vol van drugs moet zijn geweest.
Aura en ik ontmoeten elkaar voor het avondeten bij het Koorenhuis. Bulgur, hummus en tomaten. Bier. We zijn zenuwachtig voor onze lezingen straks, maar niet zo erg dat het de stemming drukt. De artiestencatering komt tot leven, na vijf minuten stromen de mensen binnen; muzikanten, schrijvers, vertalers. En langzaam verschuift onze aandacht zich, richt zich op, dringt door het lawaai van de ruimte heen; we staan op en gaan naar het accreditatiekantoor waar we informatie krijgen over de lezing. We moeten naar het Humanity House, een groot pand aan de Prinsegracht, met tentoonstellingen, arrangementen en een museum. Zoals altijd wanneer ik uit mijn boek voorlees, ben ik geneigd om hele zinnen weg te laten, stukken over te slaan waarvan ik vind dat het geen goede literatuur meer is, maar het resultaat van een jong iemand die zich probeert te oriënteren in een literair landschap, iemand die zichzelf en anderen te kijk zet, die te geforceerd probeert.
Later, op de dansvloer van Club Seven: omgeven door hoofden en lichamen. Ik denk dat ik neutraal overkom, misschien zelfs gezellig, ook al ben ik moe en heb ik teveel bier gedronken, ook al wil ik het liefste neutraal zijn. Mijn vriend, die muzikant is, moppert over de muziek. Ik draai wat met mijn rug, tegen de muur aan, centreer mijn eigen gewicht. Mijn borstkas bonkt als een wasmachine waar schoenen inzitten. We gaan naar huis, het regent, we kopen vier biertjes bij een snackbar die we in bed opdrinken. Later slapen we, maar dat kan ik me niet meer herinneren, nu ik het probeer te vangen: het moment waarop we in slaap vielen.