Sinds vanochtend spreek ik hoofdzakelijk Engels. Zogenaamd is het niet de eerste keer van m’n leven, dus is het in principe niet zo sensationeel. De voornaamste sensatie is hier overigens niet de nieuwigheid, maar juist de herhaalbaarheid. Het begint ergens achter de controlepoortjes op het Krakause vliegveld. Je doet je riem af en schoenen uit (want je mocht eens een bijl bij jehebben), iedereen is onvriendelijk, kortaf en grotendeels geüniformeerd; en dan voelt het nog vertrouwd. Maar al twee stappen verder bevind je je in de duty free zone. Hier heb je geen ‘duties’ meer, geen verplichtingen. Hier begint het een paar dagen durende avontuur, waarvan het hoofdthema is om tegen iedereen Engels te spreken. Om te beginnen moet je in het vliegtuig in het Engels sap bestellen. En steeds weer dezelfde verrassing: dat ze het toch begrijpen, dat dat Engels ergens buiten de bladeren van grammaticahandboeken gewoon ook werkelijk bestaat.
Wanneer ik Engels begin te spreken, ervaar ik direct een verregaande persoonlijkheidsverandering: ik word grappig, wat me in het Pools eigenlijk nooit overkomt. Ik beheers gewoon min of meer dat kunstje dat Engelse humor heet. Dat zijn in principe twee technieken. Ten eerste: op doodernstige toon volstrekt absurde dingen zeggen. Ten tweede: op absurde toon doodernstige dingen zeggen. Op etentjes werkt dat uitstekend.
Het zich beperken tot afgezaagde clichés, het gebruik van gladde (Engelse) formules, het maken van makkelijke grappen is helaas ook de eenvoudigste weg naar een nederlaag als iemand toch iets dieps, echts en origineels wil zeggen. Over zichzelf bijvoorbeeld. Of over zijn schrijfwerk.
En juist deze nederlaag van vandaag probeer ik nu te compenseren in mijn feuilleton, dat zich trouwens vrijwel in z’n geheel heeft gevormd toen ik in het plaatselijke museum voor de schilderijen van Vermeer stond. Want bij mij is het helaas zo (en alleen wanneer ik Engels spreek schakelt dat even uit) dat ik onophoudelijk aan mezelf denk en onophoudelijk over mezelf praat, zelfs als ik dat soms probeer te verhullen met een maskerend onderwerp. Terwijl ik dus voor Vermeer stond, dacht ik voornamelijk aan mezelf: ik zocht zogenaamd een sleutel tot zijn werk, maar toch hoofdzakelijk tot mijn eigen werk. Ik dacht er helemaal niet na over wat voor goeds en origineels er in die buitengewone (en immers alom gewaardeerde) schilderijen van Vermeer zit. Ik vroeg me af waarom ze me zo bevallen, waarom de overige lokale meesterwerken me in principe niet interesseren, wat die schilderijen in zich hebben wat me persoonlijk aanspreekt, dat dat mij overtuigt, dat ik het ermee eens ben. Wat is eigenlijk die methode van Vermeer? En wat bevalt me zo in zijn methode?
Naar mijn mening gaat het erom dat Vermeer niet alleen het melkmeisje of alleen de brieflezende vrouw schildert (anderen hebben die ook geschilderd, sommigen vast kundiger). Vermeer schildert ook het licht; maar ook dat is niets nieuws, anderen hebben het licht ook geschilderd, sommigen vast kundiger. Goed, maar Vermeer schildert behalve het melkmeisje en het licht ook het venster waardoor het licht naar binnen valt. Het venster staat op bijna alle belangrijke schilderijen van Vermeer (hoewel er op drie schilderijen van Vermeer in het Haagse Mauritshuis nou net geen raam staat). Want op die schilderijen staat niet alleen een levenssituatie, maar ook een zekere narratieve situatie. Het zijn – tot op zekere hoogte – schilderijen over kijken, over belichting, over schilderen. Het zijn schilderijen die de ramen niet verbergen (en elke schilder moet er een in zijn atelier hebben), maar ze juist laten zien. En ik bedacht, dat ik altijd precies hetzelfde heb geprobeerd te doen in mijn verhalen. Om naast het melkmeisje ook het venster te laten zien. De naden niet weg te moffelen. De mond te laten zien waar het verhaal uit stroomt; het oor te laten zien, waar het verhaal in valt. Niet zozeer de levenssituatie beschrijven, maar eerder de narratieve situatie.
‘In mijn verhalen heb ik altijd geprobeerd om ook het venster te laten zien, waardoor de narratie naar binnen valt’. En hoewel ik alle woorden los van elkaar ken, heb ik geen idee hoe ik dat als geheel in het Engels zou moeten zeggen.