Woensdag 19 november. 22.07 uur
Mercure Hotel, Kamer 606
Ik zit op bed. Alleen. Ik schrijf. Het rode polsbandje van de eerste dag, dat me toegang geeft tot alle plaatsen van het festival, zelfs backstage, heb ik zojuist afgedaan. Eindelijk voel ik me vrij. Vrij? Ja, vrij.
Ik ben met mezelf, in de avond. De kamer is donker. Ik ben niet bang: de uit Parijs meegebrachte amberkaars van Diptyque brandt. Ik ga de strijd aan met mijn angst. De angst die me achtervolgt sinds ik in Den Haag ben aangekomen (gisterenmiddag): mijn eerste kroniek voor Crossing Border te schrijven. Wat moet ik vertellen? Tja, wat zal ik eens vertellen?
Toe maar Abdellah, toe maar, vind maar iets gevoeligs, iets intelligents te zeggen, te delen. Niet zo verlegen doen.
Ik ben niet verlegen. Ik heb niets te vertellen.
Heeft dan niets van het festivalprogramma van vandaag indruk op je gemaakt?
Niets… Niets bijzonders! Echt!
Kom op, kom op, niet zo nukkig. Vertel. Niet teveel de bangerik uithangen die twijfelt, die huivert. Vertel. En niet weer alleen over jezelf. Van Abdellah T. hebben we echt genoeg. Abdellah hier, Abdellah daar. Hem kennen we nu wel. Zijn autobiografische romans hebben we allemaal gelezen. Tijd voor iets nieuws. Move on, man.
Maar dit is het enige dat ik kan: Abdellah blootgeven, dag na dag, jaar na jaar, boek na boek. Gekke Abdellah.
Vanavond heb ik geen zin om te luisteren naar het gejammer van die jongen die denkt dat hij een held is omdat hij in zijn moederland, Marokko, als eerste openlijk sprak over zijn homoseksualiteit.
Waar moet ik het dan over hebben?
Over de anderen. De andere mensen die je hier gisteren hebt ontmoet. De nieuwe gezichten. De onbekenden met wie je opeens vertrouwd bent.
Als dat is wat je wilt.
Dat is wat ik wil. Toe nou maar !
***
Helen Preston lijkt op de Amerikaanse actrice Sissy Spacek. Ze is er voor ons, de vier kroniekschrijvers. Voortdurend met een glimlach. Een mooie glimlach waarin haar wezen besloten ligt. Een glimlach die ik de hele dag door steeds weer zocht wanneer ik verdwaalde in het doolhof van gangen op het festival. Die brede, oprechte, misschien wel verlegen glimlach die nooit ver weg was. Die mij/ons de weg wees. Meer niet. Meer dan genoeg.
Helen is de heldin van het prachtige Badlands, de eerste film van de Amerikaanse regisseur Terrence Malick.
De vertaalsters. Alleen vrouwen. Alleen vrouwen! Shailoh. Rhian. Hester. An. Liesbeth. Anna. Met elkaar spreken we Engels. Ik spreek Engels, naar men zegt vrij goed. Maar ik heb het gevoel, in die taal, dat ik het niet ben die praat. Ik word een andere ik, een vreemde, geheel nieuwe ik: een acteur in een banale Amerikaanse film, een schreeuwerige uitslover. Dat maakt me allesbehalve trots. De complexen (minderwaardigheid, enz.) en neuroses (paniekaanvallen, tientallen keren per dag mijn handen wassen…) zijn er nog steeds: iedere keer dat ik in het Engels moet praten (geen keuze: er dient gepraat te worden), moet ik ze overwinnen, een opgave waarin ik echter nooit slaag. Slopend is het. Ik ben niet op mijn plek. Ik ben als een operazanger die op het podium staat en geen adem meer krijgt, maar ik moet blijven zingen. Anders blijven schrijven.
Mijn collega-kroniekschrijvers
Laia Fabregás, de Spaanse, maakt indruk. Toen ze tien jaar geleden in Nederland aankwam, sprak ze geen woord Nederlands. Nu spreekt ze de taal niet alleen vloeiend, maar heeft ze er zelfs haar eerste boek in geschreven, met de intrigerende, poëtische titel Het meisje met de negen vingers. Binnenkort verschijnt de Franse vertaling. Ik weet zeker dat ik het goed zal vinden, dat ik het zal verslinden. Ik ben jaloers op haar.
Federica Manzon komt uit Italië. Haar zwarte haar is prachtig. Zowel gisteren als vandaag had ik een paar keer ontzettende zin om het te strelen, ermee te spelen… Zou ik vóór het eind van het festival durven?
Chris Killen, de Engelsman uit Manchester, heeft een grote kwaliteit: zijn voornaam is dezelfde als die van een jongen op wie ik nu verliefd ben. Binnenkort zal hij een onbeschrijfelijk geluk kennen: de publicatie van zijn eerste roman, The Bird Room.
Ik: Abdellah Taïa, de Marokkaan. De oudste van het stel: 35 jaar. En ook de moslim.
In een eigen vorm. Die ik me toe-eigen.
Het is 00.30 uur. Ik ga er een punt achter zetten. Slapen. Dromen. De dag herbeleven. Eindelijk Den Haag goed bekijken. Het Arabisch terugvinden. Mezelf, in primitieve vorm. Terug naar de strijd, de oorlog van de talen in mij. Denken aan Marcel Proust en de raadselachtige zin uit Op zoek naar die door mijn hoofd spookt, uitgesproken door de hertogin De Guermantes tijdens een mondain diner: « China verontrust me! » Verontrust de stad Den Haag me? Nog niet. En Crossing Border? Voorlopig ben ik verdwaald in diens oneindige gangen. De schok moet nog komen. Ik lach niet. Ik ben serieus.
Tijd om te slapen! Welterusten! Sweet dreams!
Abdellah Taïa
P.S. Morgen brengen we een bezoek aan The International School of the Hague. Waarom weet ik niet, maar ik stel me die voor als de school in Elephant van Gus van Sant.