Donderdag 20 november. 00.45 uur
Mercure Hotel. Kamer 606
Hij stond op. Eigenlijk was hij best groot. Ik had me hem klein voorgesteld. Hij kwam de trap van de aula afgelopen. Ging naast de piano staan. Nu was hij niet ver van ons, van mij. Zijn aanvankelijke verlegenheid verdween meteen toen hij begon te lezen. Toen hij de literatuur binnenging. Toen hij de zijne, heel jong nog, overbracht. Hij trilde niet meer. De vastberadenheid overwon. Evenals de poëzie. De woorden die hij had geschreven en nu voorlas bereikten ons, duidelijk, snel. Ik hoorde ze; ik begreep ze niet. Waren ze in het Engels? Ik geloof van wel, maar dat deed er niet toe. Ik, een meter of twee bij hem vandaan, was overrompeld. Door hem. Een jongen tussen de jongeren van de International School of The Hague, die we vanmorgen bezochten om met hen te praten over schrijven, over boeken en over talen die zich vermengen, binnenin je en buiten je.
Hij was deel van de groep. Nu was hij alleen. Zichzelf. Rechtopstaand gaf hij zich vorm. Hij liet zien wie hij was. Met de woorden van zijn leeftijd. Zijn woorden, vervuld van wat hem eigen maakte, van zijn ontluiking, van wat hij op een dag zal worden, wat hij op een dag zal begrijpen. Morgen… morgen al. Hij verwoordde zichzelf openlijk. Tegenover de rechters die wij verondersteld werden te zijn.
Ik was geen rechter. Ik was, ik herhaal het, overrompeld. Door hem en door degenen die ik in hem herkende. De gekwelde charme van de adolescentie: dat was wat ik in hem zag; dat was waar hij me aan deed denken. Ik, op zijn leeftijd, ongelofelijk warrig, op blote voeten, al te vaak met een lege buik. Ik, degene die ik graag had willen zijn, hem. Op zijn leeftijd droomde ik, net als hij en anders dan hij. Vagelijk ontwaarde ik een jongen die op hem leek: mezelf en mijn dubbelgangers. In een andere taal, vooral niet in het Arabisch, de taal van de controle, van mijn analfabetische moeder. Die droom is deze ochtend waarheid geworden. Ik ben geen jongen meer. Ik ben nog een jongen.
Ik ben Engels. Ik draag geen naam. Ik ben zonder naam, zonder voornaam. Ik ben die Engelse jongen die naar Den Haag geëmigreerd is. Onbewust. Ruwe materie. Lijnen volgen. Liefde vinden. Van binnen. Naar buiten. Miskende charme. Onbezorgde charme deze ochtend. Rebel? Ziener? Dichter? Arthur Rimbaud?
Gus van Sant interesseert zich voor jongeren en hij heeft groot gelijk. Ik ga zijn films weer eens kijken: My own private Idaho, Gerry en Paranoid Park.
Natuurlijk heb ik niet met hem gepraat. Wat zou ik moeten zeggen? Zou ik hem raad moeten geven? Wat voor raad? Hij had mij niet nodig. Hij is op weg, zijn weg. Ik benijd hem.
Ik vond het leuk op de International School of The Hague. Heel even dacht ik dat ik er wilde blijven, er wilde werken, als docent, als meester. Overstappen naar de andere kant. Overdragen op een andere manier.
Weer droom ik. Ik doe niets anders. Het schrijven, in mijn hoofd en vooral mijn hart, van mijn verhalen. Mijn liefdes. De aanbidding.
Ik val in slaap. Ik schrijf slapend. In bed, onder de deken. Ik denk weer aan de Engelse jongen. En opeens heb ik zin om Oscar Wilde te zijn. Ik graaf in mijn geheugen. Ik zoek en vind dit moment: het Engelse mannetje dat me aankeek. Even voor het middaguur. Het duurde twee seconden. Dat is snel. Dat is voldoende voor de inspiratie.
Abdellah Taïa
PS. De vertaalsters die bij ons zijn praten onderling erg veel over hun werk, vergelijken zonder enige schroom hun technieken. Ze zijn niet bang. Dat verbaast me enorm. De schrijvers die ik ken, mezelf inbegrepen, houden vast aan hun zwijgen en hun bijgeloof.
PPS. Heel jammer: ik heb vanavond het optreden gemist van de geweldige zangeres Alela Diane.
PPPS. In het restaurant van het hotel heb ik een fles mineraalwater van Sourcy gestolen die ik prachtig van vorm vind.