Zaterdag 22 november. 15.00 uur
Mercure Hotel. Kamer 606
Ik ben niet alleen.
Sinds gisteren sneeuwt het af en toe kortstondig en heel eigenaardig in Den Haag. Het waait ook, hard, heel hard.
Het wordt ingewikkelder. Inmiddels is het alsof we in een film van David Lynch zitten. Achter de spiegel. In de spiegel. Hester Tollenaar, die mijn kronieken in het Nederlands vertaalt, zou het zeker met me eens zijn. Gisteren hebben we er samen over kunnen praten voor de camera van Peter Rheijn, die een korte film maakt over ons, over onze groep. I am completely lost in translation. Hoe meer ik nadenk over de vreemde ervaring die Crossing Border voor me is, hoe meer de vermeende controle die ik over mezelf en mijn schrijven heb, verdampt. Ik ben geen schrijver meer. Ik ben het nooit geweest, zeker niet wanneer wat ik geschreven heb, wordt gepubliceerd. Een boek is nooit het eigendom van degene die denkt het te hebben geschapen. Een boek is een compleet mysterie – ik weet het, het is een cliché, maar wel met een zekere kern van waarheid.
Ik schrijf mijn kronieken in het Frans. Hester Tollenaar (eindelijk weet ik vandaag weer aan wie ze me doet denken: de Australische actrice Cate Blanchett) vertaalt ze in het Nederlands. De lieve en hartelijke Shailoh Phillips (die me gisteren zeer verraste toen ze me vertelde dat ze uit een Amerikaanse Amish-familie komt) vertaalt de versies van Hester in het Engels. Waar ben ik in dat alles, in die transactie? Wat blijft er over van mij, van mijn gekte, van mijn oorspronkelijke twijfel? Ben ík het nog in die andere talen? Bestaat in die teksten nog dezelfde tijdsontwikkeling van wist ik maar welke stem binnenin mij die in mijn plaats schrijft?
Ik ben te ernstig. Sommige mensen verwijten me dat ik alles veel te letterlijk neem. Is het waar? Eén ding is zeker, de Britse humor van Chris Killen heb ik niet. Schrijven en lachen kunnen voor mij niet samengaan. Waanzin is het, schrijven. Een tragedie. Ik denk aan Brecht: “De lacher/ Is simpelweg nog niet op de hoogte/ Van het vreselijke nieuws”. En ik denk steeds meer aan Francis Bacon, met afstand de westerse schilder die me het meest aanspreekt. Op Crossing Border is het alsof ik me in een van de schilderijen bevindt van die geniale, duistere kunstenaar: verwrongen, ontwricht, als deel van de bruutheid, van de explosiviteit, zonder gezicht, gekooid, een passage voor de eerste mens, voor de prehistorie. Ik heb niets aan de gesprekken met de vertaalsters (de positieve uitwerking die dit festival op me heeft, zal later pas tot me doordringen, over een week, een maand misschien). Ik leg me erbij neer. Ze krijgen van mij alle vrijheid om mijn teksten te mishandelen, te verdraaien, te verminken, uit te benen, en ze ten slotte op de site van Crossing Border te zetten. Het allerallerbelangrijkst is dat ik op hen reken om me te laten zien of ik een ‘slechte auteur’ ben, of mijn talen (het Arabisch, het inmiddels vergeten Berbers, het Frans en hier het Engels) uiteindelijk niet één taal vormen. Welke?
De vertaalsters hebben een bepaalde afstand ten opzichte van het geschrevene, van de schrijver. Ze kennen een andere, onverbiddelijke intimiteit met de woorden. Ik wil dat ze gemeen zijn, dat ze noch mij noch mijn teksten beschermen. Ik wil dat ze om me lachen, zoals in mijn droom van gisteren (een nachtmerrie?). Ik wil ooit met hen Mulholland Drive van David Lynch nog een keer zien.
Gisteravond, wachtend op de liefde, voelde ik me triest, heel triest. Zonder te weten waarom. In de Schouwburg opende ik een van de vele deuren van de Royal Room. Een vrouw met lang haar zong, alleen, en daarna met een man (ik stelde me voor, verheugd, dat hij haar broer was). In het Engels. Niet het Engels dat ik spreek. Ze zongen, ze schreeuwden. Het was mooi en triest. Zo mooi en zo triest. Leave. Happiness… Ik kende ze niet. Een grote ontdekking voor me: The Swell Season.
Diep in de nacht, met de duisternis, na de liefde, neuriede ik stilletjes nog hun muziek. Die leidde me naar een vredige, diepe, vulkanische slaap. Ik stond op het kruispunt van mijn leven. Van mijn schrijven. Zonder tranen.
Abdellah Taïa