Thomas Heerma van Voss
De Amerikaan
21-11-2009

Hij zat er ontspannen bij. Wie hij was wist ik niet, ik wist alleen dat hij uit Amerika kwam. En dat hij een nieuw boek had geschreven, een verhalenbundel. Daarom werd hij geïnterviewd. Iedere vraag ontving hij met dezelfde innemende glimlach, al zijn antwoorden waren doorspekt met een aanstekelijk, ongeremd enthousiasme.

Gisteren is Crossing Border echt van start gegaan. Elf zalen, bijzonder veel schrijvers, interviewers, muzikanten. Het waren er zo veel dat ik voor mezelf op het programma de nodige namen omcirkeld had, om die hoe dan ook niet te missen. Bij dergelijke voornemens is het altijd de vraag wanneer je beseft dat je je er niet aan kan houden. Soms komt dat besef pas als je na afloop het programma er nog een keer bijhaalt, soms komt het als iemand anders over een bepaald optreden begint dat je per se bij had moeten wonen. Dit keer kwam het aanzienlijk eerder, toen ik ondanks alle omcirkelde optredens ging luisteren naar de mij onbekende Amerikaan en dat een klein uur lang bleef doen.

Hij scheen bekend te zijn, al viel dat uit de halfgevulde zaal niet af te leiden. Uit zijn glimlach misschien wel, maar die leek een tamelijk vast onderdeel van zijn gezicht. Toen ik hem later bij de wc’s tegenkwam was de glimlach in elk geval onverminderd aanwezig.

Tijdens het interview sprak de Amerikaan vooral over het schrijfproces. Hij was bijzonder eerlijk. Zo zei hij dat hij zich soms ineens realiseert dat het verhaal dat hij schrijft ‘total shit’ is, hoezeer hij nog probeert er iets van te maken. Een tafereel dat hij beeldend omschreef als lippenstift opdoen bij een dode baby.

Volgens mij weerhield die raadselachtige zin me er definitief van weg te gaan om de omcirkelde optredens bij te wonen.

Kort daarna zei de Amerikaan dat het schrijven van een boek hem ongeveer drie uur kost. Voor de duidelijkheid herhaalde hij een paar keer dat hij geen grap maakte. Ik probeerde het me voor te stellen en zag ineens voor me hoe hij dan achter zijn computer zit, in moordend tempo op zijn toetsen rammend. Hoe overal te wereld mensen bezig zijn met slapen, het bereiden van een matige maaltijd, het kijken van een anonieme actiefilm, en hoe hij in dezelfde tijd een nieuw boek schrijft.

Toch, zei hij, duurt het al met al vaak aanzienlijk langer voor zijn boeken voltooid zijn. Revisie kost hem bijvoorbeeld zes maanden. En tijdens het schrijven zelf zijn er dagen waarop hij weliswaar achter zijn computer zit, maar enkel naar Facebook gaat, een computerspelletje speelt of zijn e-mail checkt. Interessant hoe technologische ontwikkelingen steeds meer mensen afleiden van wat ze eigenlijk willen doen. Een paar dagen geleden hoorde ik een Duitse schrijver in dit verband zeggen: ‘Kafka had geluk, hij had geen Twitter, Facebook of e-mailadres. Hij kon gewoon onbekommerd schrijven.’

De Amerikaan zei echter dat dit alles hem juist helpt zijn gedachten te ordenen, hij zag het als een zegen. Maar hij zag alles als een zegen, zo leek het. Want hij bleef alsmaar glimlachen. En ik bleef alsmaar kijken.

Uren later vertelde een groepsgenoot mij over de bands die hij had zien optreden. Ik bekende dat ik alle muziek had gemist. Enigszins verbaasd vroeg hij wat ik dan al die uren had uitgevoerd. Ik somde een rijtje schrijvers op die ik aan het woord had gezien, ik wilde er een leuke anekdote aan toevoegen, een one-liner van de Amerikaan, maar ik realiseerde me dat ik niet eens wist hoe hij heette.

‘s Nachts in mijn hotelkamer haalde ik het programma er bij. Zijn naam was als een van de weinigen niet omcirkeld. Ik legde het weer weg en wierp een blik op de klok. Het was al laat. Tussen het moment waarop ik de Amerikaan voor het eerst had horen praten en het moment waarop ik wist dat hij Kevin Canty heette had hij met gemak twee boeken kunnen schrijven.

Thomas Heerma van Voss
EPILOOG: DE DETAILS
01-12-09

Een epiloog, een slotwoord, een terugblik op Crossing Border: dat is wat dit hoort te zijn. Maar waar moet ik dan over schrijven? Over de muzikanten die ik heb horen spelen? De mensen die ik heb ontmoet? De interviews die ik heb bijgewoond? Ik zou niet weten welke dan. Sinds ik terug ben in Amsterdam zijn alle optredens en gesprekken stukje bij beetje verworden tot één grote herinnering. Een bijzonder aangename herinnering, dat wel, maar het blijft één herinnering.

Details blijven mij over het algemeen aanzienlijk sterker bij dan hoofdzaken. Wat ik bijvoorbeeld drie jaar geleden op vakantie in Engeland allemaal heb gedaan: geen flauw idee, maar dat op de bootreis een man naast mij met een glas bier in zijn hand bloedserieus tegen zijn zoon zei: ‘Ik ben een beetje een alcoholist’ – dat zal ik niet snel vergeten.

Hetzelfde geldt voor nagenoeg al mijn uitstapjes, en Crossing Border vormt daar geen uitzondering op. Urenlang heb ik mijn best gedaan het mooiste optreden, de boeiendste spreker, de sterkste interviewer en het interessantste citaat op te schrijven, maar het is me geen van allen gelukt. Hiermee wil ik niet zeggen dat ze er niet waren, maar simpelweg dat ze niet zijn blijven hangen. Als ik denk aan Crossing Border, dan denk ik aan het haarscherpe televisiescherm in mijn hotelkamer, de gezamenlijke busreis naar Antwerpen, de gezichtsuitdrukking van de schoonmaakster toen ze mijn kamer binnenliep terwijl ik nog lag te slapen; aan de gigantische schaal donuts die ons toelachte bij een lunch met ‘internationale pers’ (dat internationale bleek achteraf reuze mee te vallen), of de keiharde croissants bij het ontbijt in Antwerpen. En niet te vergeten aan de DJ die tijdens de afterparty vrij plotseling de Star Wars-tune inzette, waarna de geringe sfeer die er was definitief verdween.

Het zijn dergelijke details die me te binnen schieten als ik aan Crossing Border denk. Dit realiseerde ik me al op de terugreis uit Antwerpen, toen ik tevergeefs enkele kernwoorden van mijn verblijf probeerde op te schrijven.

Ik keek om me heen, op zoek naar een centraal begrip, een gezicht dat me op een idee zou brengen. Maar de bus was nagenoeg leeg, alleen de Nederlanders waren nog overgebleven: de rest verliet Antwerpen op eigen gelegenheid. Van ongeveer de helft van het Chronicles-groepje heb ik zodoende geen afscheid genomen. Van de overigen kwam dat afscheid wel, in de vorm van een onwennige handdruk of nog onwenniger gezoen.

Al klinkt ‘afscheid nemen’ eigenlijk te definitief, ik ga er namelijk vanuit dat ik het project niet snel zal vergeten. Hiermee suggereer ik niet dat ik het in mijn hart met me mee draag, ik doel eerder op praktische zaken, zoals de gedrukte versie van de columns die in aantocht is, en vooral: internet. Zo stond het grootste gedeelte van de Chronicles-collega’s een dag na afloop al in mijn Facebook-‘vriendenlijst’; deze vrienden hebben inmiddels foto’s online gezet van het festival, waarop de meeste deelnemers zijn getagd; het zijn veel foto’s, het zijn leuke foto’s, het zijn foto’s die ik zal opslaan en waar ik tot het moment dat mijn computer het begeeft geregeld naar zal kijken. Alleen de details die ik me het levendigst herinner, die ben ik nog altijd nergens tegengekomen.

DE BUS
22-11-09

De tocht naar Antwerpen deed me een beetje denken aan een schoolreisje. Met een presentielijst werd gecontroleerd of iedereen aanwezig was; een begeleidster sprak de groep gezamenlijk toe en vertelde hoelang de reis in beslag zou gaan nemen; er waren mensen die meteen met elkaar in gesprek raakten,en mensen die zich juist van de eerste tot de laatste minuut afzijdig hielden door te slapen – terwijl anderen iets ertussenin deden en voornamelijk zwijgend voor zich uit keken. Het waren precies dezelfde verschijnselen als bij alle uitstapjes met school die ik tot nu toe heb gemaakt, volgens mij kunnen het gerust de eigenschappen van elk uitstapje met een groot gezelschap worden genoemd.

Zo vertrok de bus uit Den Haag. Ik keek om me heen en herkende enkele gezichten. Een zanger die ik de avond ervoor had zien optreden, een schrijver die had voorgelezen uit eigen werk. Ongemerkt dwaalden mijn gedachten af, naar een verjaardag waar ik onlangs was. Daar sprak ik een man, of eigenlijk moet ik zeggen: daar begon een man zomaar tegen mij te praten. Hij droeg een vreemde, paarse colbert en had een merkwaardig vlassnorretje. Ik schatte hem ongeveer vijftig jaar oud en vroeg me af of hij niet met iemand van zijn eigen leeftijd kon praten. Hij stelde zichzelf voor als professor. Een wat rare introductie, vond ik zelf, vooral omdat hij niet vertelde welk vak hij doceerde of wat zijn naam was. Waarschijnlijk was het de bedoeling dat ik daarnaar vroeg, maar ik zweeg. Ik zweeg ook toen hij na een korte stilte vol enthousiasme uiteenzette dat hij na onderzoek tot de conclusie was gekomen dat de literatuur stervende is, dat boeken stukje bij beetje vervangen worden door andere media.

Hij leek tevreden met zijn hypothese, een tevredenheid die me deed besluiten hem zo snel mogelijk te vergeten. Dat lukte goed, tot op dit moment, tot ik deze vereniging van literatuur en muziek om me heen zag. Ik werd benieuwd wat de professor hiervan zou vinden; zou hij zeggen dat bij dergelijke festivals over een paar eeuwen de schrijvers het toneel definitief hebben verlaten, dat er alleen nog maar plaats is voor muzikanten?

Ik schrok, mijn telefoon trilde. Een sms. Iemand vroeg hoe het ging, wat ik van Crossing Border vond. Ik dacht na, ik hou er gewoonlijk niet zo van om mijn mening te geven. Meestal zie ik het nut er niet van in, iedereen heeft tenslotte wel een mening. Afgelopen vrijdag zei Thomas Rosenboom tijdens zijn interview niet voor niets dat hij zelden een mening over moderne verschijnselen in zijn boeken stopt. Dat vindt hij namelijk weinig interessant, hij heeft het liever over karakters, over dingen die juist losstaan van deze tijd.

Zonder te antwoorden op het sms’je liet ik mijn blik nog een keer door de bus gaan. Een dichter aan de andere kant was in slaap gevallen. Ik dacht weer aan de professor op de verjaardag; toen hij klaar was met zijn verhaal, dat minstens twintig minuten duurde, vroeg ik hem of hij niet dacht dat er bepaalde schrijvers waren die over eeuwen nog steeds gelezen zouden worden. Maar eeuwigheid leek hij een nogal onzinnig begrip te vinden. Hij lachte schamper en zei: ‘Over duizend jaar kent niemand schrijvers van nu. Dan is alles visueel en auditief.’ Hij schepte zichtbaar genoegen in het woord ‘auditief’.

De bus stopte. Net zoals bij schoolreisjes van vroeger pakte iedereen zijn eigen bagage en liep daarmee richting de gereserveerde overnachtingsplaats; schrijvers en muzikanten wederom door elkaar heen. We passeerden de ruimte waar het festival later die dag plaats zou vinden. Er hingen al posters. Er zouden cd’s verkocht worden, en boeken, het zou zijn zoals Crossing Border het beoogt: literatuur en muziek samen. En ineens dacht ik: hopelijk zegt dit festival niets over deze tijd, hopelijk kunnen over duizend jaar nog steeds bussen muzikanten en schrijvers samen zalen uitverkopen. Al is het maar om de professor met de paarse colbert en het vlassnorretje ongelijk te geven.

De Amerikaan
21-11-09

Hij zat er ontspannen bij. Wie hij was wist ik niet, ik wist alleen dat hij uit Amerika kwam. En dat hij een nieuw boek had geschreven, een verhalenbundel. Daarom werd hij geïnterviewd. Iedere vraag ontving hij met dezelfde innemende glimlach, al zijn antwoorden waren doorspekt met een aanstekelijk, ongeremd enthousiasme.

Gisteren is Crossing Border echt van start gegaan. Elf zalen, bijzonder veel schrijvers, interviewers, muzikanten. Het waren er zo veel dat ik voor mezelf op het programma de nodige namen omcirkeld had, om die hoe dan ook niet te missen. Bij dergelijke voornemens is het altijd de vraag wanneer je beseft dat je je er niet aan kan houden. Soms komt dat besef pas als je na afloop het programma er nog een keer bijhaalt, soms komt het als iemand anders over een bepaald optreden begint dat je per se bij had moeten wonen. Dit keer kwam het aanzienlijk eerder, toen ik ondanks alle omcirkelde optredens ging luisteren naar de mij onbekende Amerikaan en dat een klein uur lang bleef doen.

Hij scheen bekend te zijn, al viel dat uit de halfgevulde zaal niet af te leiden. Uit zijn glimlach misschien wel, maar die leek een tamelijk vast onderdeel van zijn gezicht. Toen ik hem later bij de wc’s tegenkwam was de glimlach in elk geval onverminderd aanwezig.

Tijdens het interview sprak de Amerikaan vooral over het schrijfproces. Hij was bijzonder eerlijk. Zo zei hij dat hij zich soms ineens realiseert dat het verhaal dat hij schrijft ‘total shit’ is, hoezeer hij nog probeert er iets van te maken. Een tafereel dat hij beeldend omschreef als lippenstift opdoen bij een dode baby.

Volgens mij weerhield die raadselachtige zin me er definitief van weg te gaan om de omcirkelde optredens bij te wonen.

Kort daarna zei de Amerikaan dat het schrijven van een boek hem ongeveer drie uur kost. Voor de duidelijkheid herhaalde hij een paar keer dat hij geen grap maakte. Ik probeerde het me voor te stellen en zag ineens voor me hoe hij dan achter zijn computer zit, in moordend tempo op zijn toetsen rammend. Hoe overal te wereld mensen bezig zijn met slapen, het bereiden van een matige maaltijd, het kijken van een anonieme actiefilm, en hoe hij in dezelfde tijd een nieuw boek schrijft.

Toch, zei hij, duurt het al met al vaak aanzienlijk langer voor zijn boeken voltooid zijn. Revisie kost hem bijvoorbeeld zes maanden. En tijdens het schrijven zelf zijn er dagen waarop hij weliswaar achter zijn computer zit, maar enkel naar Facebook gaat, een computerspelletje speelt of zijn e-mail checkt. Interessant hoe technologische ontwikkelingen steeds meer mensen afleiden van wat ze eigenlijk willen doen. Een paar dagen geleden hoorde ik een Duitse schrijver in dit verband zeggen: ‘Kafka had geluk, hij had geen Twitter, Facebook of e-mailadres. Hij kon gewoon onbekommerd schrijven.’

De Amerikaan zei echter dat dit alles hem juist helpt zijn gedachten te ordenen, hij zag het als een zegen. Maar hij zag alles als een zegen, zo leek het. Want hij bleef alsmaar glimlachen. En ik bleef alsmaar kijken.

Uren later vertelde een groepsgenoot mij over de bands die hij had zien optreden. Ik bekende dat ik alle muziek had gemist. Enigszins verbaasd vroeg hij wat ik dan al die uren had uitgevoerd. Ik somde een rijtje schrijvers op die ik aan het woord had gezien, ik wilde er een leuke anekdote aan toevoegen, een one-liner van de Amerikaan, maar ik realiseerde me dat ik niet eens wist hoe hij heette.

‘s Nachts in mijn hotelkamer haalde ik het programma er bij. Zijn naam was als een van de weinigen niet omcirkeld. Ik legde het weer weg en wierp een blik op de klok. Het was al laat. Tussen het moment waarop ik de Amerikaan voor het eerst had horen praten en het moment waarop ik wist dat hij Kevin Canty heette had hij met gemak twee boeken kunnen schrijven.

EEN VERPLICHT VAK
20-11-09

‘Vertel maar iets, ze luisteren wel. Jij bent de schrijver.’ Met deze woorden werd ik het lokaal binnengeleid. De leerlingen volgden, negen in totaal. Ze gingen zitten en keken afwachtend mijn kant uit. Ik stelde mezelf voor en vertelde over Crossing Border, het Chronicles-project, het uitbrengen van een boek, schrijven in het algemeen. De illusie ze in een uur tijd daadwerkelijk iets bij te brengen had ik niet, ik hoopte één zin uit te spreken die zou blijven hangen, één gedachte waar iemand ooit op wat voor manier dan ook iets aan zou hebben. Ook dat bleek hoog ingezet.

Mijn woorden hadden geen effect, de enige respons die ik kreeg was een wat kille, afstandelijke blik. Ik twijfelde of ik een grapje moest maken om het ijs te breken, maar zag ervan af, want terwijl ik daar stond en mijn verhaal deed, kon ik me ineens inleven in de leerlingen. Anderhalf jaar geleden was ik zelf namelijk nog een scholier, op min of meer dezelfde leeftijd; een leeftijd waarop je langzamerhand begint te beseffen dat je volwassen aan het worden bent, en daarom enerzijds niets te maken wil hebben met jongeren en anderzijds neerkijkt op ouderen om de simpele reden dat zij ouder zijn en daarmee meer hebben gezien dan jij. Maar nog meer dan dat is het een leeftijd van verveling. Als er iets van toepassing was op deze klas was dat het wel: een onmisbare, intense verveling.

Ik besloot het over een andere boeg te gooien en vroeg of ze iets specifieks wilden weten over schrijven, of over een ander onderwerp.

Stilte.

Ik praatte verder, enkele minuten lang. Toen kwam er alsnog een vraag, van achterin de klas. Of ik nog bij mijn moeder woonde. Een paar mensen gniffelden, iemand anders zag de vraag als aanleiding luidkeels te gaan praten, maar toen ik bevestigend antwoordde, verstrakten meteen alle gezichten en werd het weer volkomen stil.

De bedoeling van de workshop was dat iedereen aan het einde zelf iets geschreven zou hebben, dus deelde ik proefwerkblaadjes uit. Maar schrijven deden ze niet.

Ik probeerde ze te motiveren door met ze te praten over wat ze bezighield, over hun ergernissen in het dagelijks leven. Na een tijdje vroeg ik: ‘Houden jullie eigenlijk een beetje van schrijven, van boeken, van lezen?’

Behalve door een enkeling die zijn hoofd schudde werd er niet gereageerd.

‘Is dit een verplicht vak?’

Een volmondig ‘ja’.

Ik bleef doorpraten en gaf zo veel mogelijk tips, voor mijn doen werd ik tamelijk enthousiast. Er was zelfs een moment waarop ik dacht: dit gaat goed, deze afgezant van The Chronicles zet iets moois neer. Maar al snel merkte ik dat er bij de leerlingen niets veranderde, met moeite kwamen er bij de meeste uiteindelijk een paar regels uit.

Het woord ‘lui’ was hier niet misplaatst geweest. Ooit heb ik iemand horen zeggen dat luiheid een wenselijke eigenschap is, omdat die je zou dwingen op zoek te gaan naar creatieve oplossingen. Maar creatieve oplossingen kwamen er niet en bovendien bleek de luiheid van de leerlingen relatief: op het moment dat het seintje kwam dat we ons weer bij de rest van de klas konden voegen, sprongen ze op en maakten ze zich in rap tempo uit de voeten.

Terwijl ik vervolgens met de docente naar het verzamelpunt liep, vertelde ik hoe de les was gegaan, waar we het allemaal over hadden gehad, welke adviezen ik had gegeven.

Maar toen een leerlinge uit mijn groepje na afloop voor haar hele klas moest samenvatten wat we hadden gedaan, was het enige waar ze op kon komen: ‘De schrijver heeft veel gepraat en hij woont nog bij zijn ouders.’

PROLOOG
02-11-09

Ruim een jaar geleden zette ik mijn laptop aan en begon ik zomaar wat te typen. Ik was op vakantie in Frankrijk en ik verveelde me. Het regende, en de meeste boeken en films die ik bij me had kende ik ondertussen al. Lukraak schreef ik iets op, tamelijk snel ontstond er op die manier een korte alinea. Ik had er geen flauw vermoeden van dat die alinea vier maanden later het begin zou vormen van een novelle, en dat die novelle in oktober dit jaar uitgegeven zou worden.

De vraag wat ik ervan vind dat mijn werk vertaald zal worden klinkt me hierom nogal  vreemd in de oren. Anderhalf jaar geleden maakte ik mijn middelbare school af zonder enig gericht toekomstplan. Het is voor mij al wennen dat er überhaupt mensen zijn die de tijd nemen om te lezen wat ik schrijf, laat staan dat er iemand is die ieder woord weegt en vervolgens vertaalt. Ik ben geen persoon die snel ergens met open mond naar kijkt, maar als ik dat wel was geweest, dan had ik dat in dit geval ongetwijfeld gedaan.

Spannend is het ook wel, stel nou dat degene die zich over mijn columns moet buigen er nauwelijks iets aan vindt? Ik heb in mijn leven van alles gelezen over de betekenissen van vertalingen, over de schrijver en de vertaler die in dat proces één worden, en over de vertaler die zo eigenlijk ook een schrijver wordt, maar het enige wat ik me echt heb afgevraagd over dit onderwerp ben ik nooit tegengekomen: wat doen vertalers als ze direct merken dat de tekst waar ze mee bezig zijn eigenlijk niets is?

Behalve een antwoord op deze vraag is er niets waar ik bij Crossing Border concreet naar op zoek ben. Ik hou van lezen en ik hou van muziek, en er zijn weliswaar genoeg festivals waarbij één van de twee centraal staat, maar bij mijn weten geen waarop het draait om allebei. Dat is boeiend, of beter: dat kan boeiend zijn. Ik ben benieuwd naar de verhalen die de verschillende schrijvers zullen houden, en naar de optredens van de muzikanten, die ik overigens allemaal niet ken. Ik zou nu kunnen schrijven dat dat me juist aantrekt, om mijn horizon te verbreden, maar het lijkt me het verstandigst om in mijn eerste column de waarheid te spreken of tenminste niet te liegen: het liefst zou ik artiesten zien die ik wel goed ken, maar dat hiphop en literatuur niet samengaan is mij al langer bekend. Er zijn wel eens dagen dat ik zowel naar een ‘literaire’ aangelegenheid als naar een hiphopshow ga, en een groter contrast dan tussen die twee valt er nauwelijks te bedenken. Al moet ik wel zeggen dat ik er bij beide meestal op dezelfde manier en in dezelfde kleren rondloop.

Verder zal ik gedurende Crossing Border andere jonge of in elk geval nog niet oude schrijvers ontmoeten. Ik vraag me af wat zij te vertellen zullen hebben, hoe zij als buitenlanders van over de hele wereld naar Nederland zullen kijken. Voor mij zal het een treinreis van minder dan een uur zijn, in dat opzicht zal Crossing Border geen nieuwe ervaringen opleveren – maar in genoeg andere opzichten waarschijnlijk wel. Het hele gebeuren is voor mij namelijk nieuw en het voelt nog steeds lichtelijk onwennig aan, alsof het eigenlijk voor iemand anders bedoeld is; want nu word ik gevraagd om columns te schrijven als jonge, talentvolle auteur, terwijl het slechts een jaar geleden is dat ik tijdens een regenachtige vakantie uit verveling zomaar wat begon te typen.