Gister ben ik de grens van Nederland overgegaan. Ik heb kennis gemaakt met de andere deelnemers van het festival dat nu in Den Haag begint en dat het overschrijden van kunstzinnige grenzen tot hoofddoel stelt. Ik was niet uitgeslapen, ik volgde de beweging van het gesprek, dat overliep van het ene onderwerp in het andere, van de ene in de andere taal, de informatie zwierf geheel vrij van de één naar de ander, en ik realiseerde me ineens dat er de hele avond rondom mij niets anders gebeurde dan het overschrijden van allerlei grenzen.
Al in de hotellobby, tijdens het wachten op de anderen, gebeurde er iets vreemds, bijna als een of ander teken: tijdens een gesprek zag ik een reportage op televisie over aangespoelde walvissen op het strand. Een paar reusachtige wezens had om onduidelijke redenen de oceaangrens overschreden a keek nu verward en verraden door de zwaartekracht de nieuwe wereld in. Het gebeurt soms, maar niemand is er nog achtergekomen waarom. Met een zekere dosis romantiek wordt er wel gezegd dat ze zelfmoord plegen, dat ook voor hen de wereld soms te moeilijk is. Even is er ook gedacht, dat het door de sonar kwam, dat die hun communicatie en oriëntatievermogen verstoort, maar aangezien op het strand aangespoelde walvissen al voorkomen op tekeningen uit de renaissance, zal de reden waarschijnlijk compleet anders zijn.
Maar de walvissen hebben we aan hun lot op televisie in de hotellobby overgelaten en we zijn wat gaan drinken. Met Edgar de Bruin hebben we gister lang gesproken over wat literatuur eigenlijk is, waar het tegenwoordig goed voor is, en wat voor functie het vervult in de samenleving. Ik heb nooit gedacht dat kunst een vorm van vermaak is. In eerste instantie is het juist een manier om bepaalde grenzen te overschrijden. Hoe te begrijpen dat de wereld – zoals Witold Grombowicz zei – “honderdmiljoen keer rijker” is, “dan gezond zou zijn”. De wereld is in wezen al een bijster ingewikkeld iets, waar mensen met alle middelen proberen iets makkelijks en begrijpelijks van te maken. Reclame, popcultuur en politiek brengen de hele werkelijkheid terug tot frasen,bon mots en primitieve clichés. Kunst zou het tegengewicht moeten zijn van al deze dingen, het zou de mens moeten dwingen de grenzen van zijn egocentrisme te overschrijden, hem moeten leren dingen ook vanuit andere persperctieven te bekijken. Het zou hem (en dan denk ik nog steeds aan die arme walvissen) van tijd tot tijd eens aan moeten laten spoelen op het strand, hem laten zien dat het water waarin hij gewichtsloos drijft niet vanzelfsprekend is, dat zijn vooroordelen in feite honderd ton wegen.
’s avonds, toen we terugliepen van de kroeg en ik al bijna sliep onder het lopen (ik was al bezig de grens van het waken langzaamaan te overschrijden), vertelde dichter en vertaler Wiam ons over haar uitstapje naar zee. Dat ze door de straten van Den Haag liep en verrast was dat ze steeds maar omhoog liep, “de zee kan toch niet op een heuvel liggen”, lachte ze (maar ik wist dat het klopte, ten minste één van de zeeën moet op een heuvel liggen, er moet hier iets zijn dat ons aan het twijfelen brengt). Maar Wiam ging verder: toen ze op het strand kwam was de zee helemaal niet te zien, het was heel erg mistig en er was in de verste verte niemand te bekennen, alleen één of ander meisje dat met vastberaden stappen op de golven afliep. Wiam werd uiteindelijk bang dat het meisje hier was gekomen om zichzelf te verdrinken en liep haar kant op. Ik spitste m’n oren, want ik moest weer aan de walvissen denken, half in slaap vond ik het magisch – walvissen aangespoeld op het strand en een meisje dat de golven instapt, als een soort zelfmoordruilhandel tussen twee werelden. Maar alles was uiteindelijk anders. Het meisje liep maar tot aan de vloedgrens, ze stapte voorzichtig op het natte zand en draaide zich daarna om en liep weg, en ik ben op dat moment achter haar aangegaan, ik volgde dat meisje uit andermans verhaal ergens de mist in, waar ik haar definitief kwijt raakte.
Ik werd om zes uur ’s ochtends wakker door een ruzie in de hotelkamer naast me.