De laatste nacht
BY Sacha Sperling
20-11-2011

’s Nachts in Den Haag was ik een cowboy die op het diffuse licht van de straatlantaarns zweefde. De lucht rook naar ozon en er was geen stoep. Er reden trams, gesloten geraamten. Metalen beesten die voortdurend heen en weer reden, waardoor de grond trilde.

In een rococotheater heb ik naar muziek geluisterd. Veel muziek. In het rococotheater heb ik teksten voorgelezen in een taal die niemand begreep. Ik voelde me een beetje belachelijk. Maar dat waren nu eenmaal de spelregels.

Gisteravond op straat heb ik het gezicht van Mickey Mouse in de lucht zien zweven. Het was een leeggelopen, door de wind misvormde ballon die aan een tak hing.

Gisteravond, op de terugweg naar het hotel, ben ik voor een restaurant blijven staan. Voor mijn ogen was het een drukte van belang. Silhouetten van obers die achter het raam eindeloos heen en weer liepen. Er heerste de koortsachtige bedrijvigheid van vlak voor sluitingstijd. Het was laat en de silhouetten zouden terugkeren naar hun huizen, naar hun gezinnen, ergens in de nacht, ergens in die mij nog altijd onbekende stad. In het restaurant gingen alle lichten uit. Je zag alleen nog maar het rode neonlicht van het bordje boven de ingang. Een geheimzinnige, geometrische vorm. Ik ben teruggegaan naar het hotel.

Midden in de nacht keek ik uit het raam. De uitgestorven straat. Spui. Eigenlijk meer een grote weg. Ik hoorde de echo van auto’s, schimmen in de nacht. Ik keek naar de maan (ze was roodachtig) en toen weer naar de straat. Er reed een vrachtwagen voorbij. Een enorme vrachtwagen. Ik kon zo snel niet lezen wat er op de zijkant stond. Het was een dertigtonner met genadeloos felle koplampen. Ik kon mijn blik er niet van afwenden. Hij reed langzaam door de mist. Alsof hij gewichtsloos was. Ik dacht aan de weg. Doorgangsgebied. Non-plaats. Geordende woestenij. De weg die de indruk geeft dat alles erboven zweeft. Dat je heel goed zelf zou kunnen zweven. Nu stond het raampje van de vrachtwagen open. Ook al was ik ver weg, ik kon de zilverkleurige rook uit het raam zien kringelen. De sigaret van de grote reiziger. De trucker bleef onzichtbaar in zijn gevaarte zitten. En ik stelde me het leven van die kerel voor. Elke keer dat hij door een stad rijdt die hij niet kent, of maar al te goed kent. Elke keer dat hij een stop maakt langs de snelweg. De ochtenden met zwarte koffie. Als hij een stop maakt en de eindbestemming nog lang niet in zicht is. Ik keek naar de vrachtwagenchauffeur, die zijn peuk uit het raam gooide. Ik keek naar de smeulende, aardbeikleurige peuk op het asfalt. Ik sloot mijn ogen. Ik dacht aan het epos van de ontdekkingsreiziger die niets meer te ontdekken heeft. Hij deed zijn raampje dicht en trok op onder het lawaai van omvallende vuilnisbakken. Nog éénmaal zag ik het genadeloze licht van de koplampen.

Het was mijn laatste nacht in Den Haag.