Gisteravond, onderweg naar de Koninklijke Schouwburg, voelde ik dat er iets mis was. Ik herkende het benauwde gevoel in mijn keel – de griezelige maand november is tenslotte aangebroken.
Ik was er pas laat; ik had er meer dan twintig minuten over gedaan om de goede deur te vinden. Uiteindelijk werd ik gered door iemand van de festivalcrew, die me door lange gangen leidde, door grote en kleine zalen. Om elke hoek werden mijn oren gebombardeerd met een ander soort muziek.
Het was er net een jungle, verwarrend en ingewikkeld en vol mensen. Het zou me nooit gelukt zijn om zelf de weg te vinden, maar dankzij de hulp van die vrouw (wier naam onbekend bleef) kwam ik precies op tijd aan in de Victoriazaal, waar ik samen met de andere schrijvers en vertalers een lezing moest geven.
Toen ons programmaonderdeel afgelopen was, liep ik de zaal uit zonder plattegrond en zonder enig idee van waar ik naartoe ging. Ik probeerde de schouwburg uit te komen. Langzamerhand raakte ik uitgeput van de griep en de oplopende koorts. Ik deed een enorme deur open en ontdekte dat ik op de tweede verdieping van de grote schouwburg was. Ik ging in een van de stoelen zitten om uit te rusten. Een oude man kwam binnen, vergezeld door een pianist. Hij zong met een verdrietige stem, als Celine Dion die verdronk in een schip pal voor de kust van Den Haag. Mijn koorts liep verder op. Ik wist nu zeker dat ik griep had en de nacht door zou brengen tussen de wc en mijn bed, zonder mijn medicijnen, in de greep van koorts en de bijbehorende hallucinaties.
Ik begon aan alles te twijfelen. Ik liep de zaal uit, op zoek naar een uitgang, en kwam terecht in een andere zaal. De ritmes die eruit ontsnapten deden denken aan rockmuzikanten die probeerden blues te spelen.
In een hoek stond een tafel vol cd’s, de meeste van Nederlandse artiesten. Ik kon de namen niet lezen maar ik denk dat ik meer dan een halfuur bleef staan peinzen over de posters en foto’s, voordat ik besefte dat alle muren van de schouwburg vol hingen met afbeeldingen: niet alleen foto’s, maar ook olieverfschilderijen.
Ik kreeg steeds meer last van mijn keel en het voelde alsof er een kleine rivier uit mijn neus stroomde. Het enige waaraan ik kon denken was teruggaan naar het hotel. Weer zocht ik een uitgang, maar telkens wanneer ik door een deur liep, kwam ik in een gang terecht die naar een klein podium of nog een zaal leidde.
Zo ziet de wereld er dus uit nadat je grenzen overschreven hebt: feiten en fantasie versmelten en de betekenissen van talen raken kwijt, maar de beelden die ze oproepen, blijven.
Eindelijk vond ik de uitgang – maar bij mijn eerste stap buiten moest ik keihard niezen. Ik had het flink te pakken. Het was koud, maar ten slotte bereikte ik het hotel weer. ’s Ochtends werd ik wakker met het gevoel dat er een steen in mijn keel zat. Ik ging naar de ontbijtzaal, waar ik Wiam tegenkwam, die wist te vertellen dat ik niet de enige van de groep was die kou gevat had. Maar het probleem is dat ik mijn medicijnen niet bij me heb. Na een voor haar gebruikelijke aarzeling raadde ze me aan om met warm water en zout te gorgelen.
Ik vind het heel jammer: ik was van plan om vandaag naar het strand te gaan. Nu kan ik alleen nog maar hopen dat ik mijn stem op tijd terug heb voor mijn lezing vanavond.