Ik ben vertaald naar het Japans en het Duits.
Naar het Japans – toen ik eens vragen stelde aan een videogame-ontwerper die
zelf geen Engels sprak. Zelfs mijn huis-tuin-en-keuken-Engels niet. Een tolk nam
deze taak voor zijn rekening, in realtime. Het was snel voorbij, maar het viel niet
te ontkennen: ik was vertaald.
Naar het Duits – met een heel boek tegelijk, toen mijn debuut ‘Toiletten’ net uit
was in Nederland. Ik heb dit altijd gezien als een cadeautje, want ik hoefde er niks
voor te doen. Niemand terugbellen, geen verkooppraatje houden, geen teksten
nakijken. Ineens was daar een groen-met-roze boekje met harde kaft – mooier
uitgevoerd dan het origineel – en stond er extra geld op mijn bankrekening.
Vaag herinner ik me een kopje thee gedronken te hebben met de vertaler. De
zon scheen, het was warm en ik hoefde alleen wat vragen te beantwoorden. Wat
ik nou bedoelde met dat rare grapje. Zulke dingen. Over de titel was nooit enige
discussie: ook in het Duits werd het ‘Toiletten’. Je sprak het alleen iets anders uit.
In Duitsland verkocht mijn boek beter en, zo lijkt het soms, had het ook meer
effect. Nog steeds krijg ik mailtjes van meisjes – altijd meisjes – die melden dat
mijn boekje ze aan het huilen heeft gebracht. Van Nederlanders heb ik zoiets
geks nog nooit gehoord. Misschien omdat Nederlanders minder vaak huilen of het
liever niet toegeven. Misschien zijn er zoveel Duitsers dat er altijd wel een paar
ontroerd raken. Of misschien is de vertaling beter dan het origineel.
Naar het Engels ben ik nooit vertaald, tot nu. (Op moment van schrijven loop ik
even vooruit op de feiten.)
Wel schreef ik ooit een Engels verhaal. Ik werkte tijdelijk in Frankfurt en had
bier gedronken met een collega – een Japanse Brit. Zo zie je dat alle talen in deze
column samenkomen alsof het niets is: een Nederlandse jongen in een Duitse
stad die bier drinkt met een Engelsman met Japanse ouders. Prachtig. Anyway,
als je een tijdje intensief Engels spreekt, krijg je het idee dat je zelfs in het Engels
denkt. Dus ik kwam thuis, aangeschoten, en besloot ook eens in het Engels te
schrijven. Geen succes. Daarvoor zijn mijn woordenschat en taalgevoel te klein.
Andersom geldt hetzelfde. Volgens mij denken veel Nederlandse jongeren dat
ze prima Engels kunnen. Vertalingen vinden ze stom, want Nederlands klinkt
kinderachtig en Engels stoer. Zelf maak ik me hier ook schuldig aan. Boeken
van Engelsschrijvende auteurs lees ik het liefst in de brontaal. Toch kan het niet
anders of ik krijg maar een deel van de nuance mee. Als ik een Nederlands boek
lees, dringt misschien 90% van de betekenis tot me door. Als ik een Engels boek
lees, schat ik, 70-80%. Behalve als de auteur James Joyce heet. Dan mag je er twee
nullen afhalen.
Laatst ondervond ik dit aan den lijve, dankzij ‘Guts’, van de Amerikaan Chuck
Palahniuk. Zo’n beetje het smerigste verhaal ooit geschreven. Er wordt gezegd
dat als Palahniuk dit verhaal voorleest, er altijd wel iemand flauwvalt. Maar toen
ik het een paar jaar terug las, dacht ik alleen: ja, het is smerig, maar toch niet zó
smerig?
Een tijd later kwam ik in contact met Palahniuks Nederlandse vertaler. Die wilde
mijn mening over zijn Guts-vertaling voordat het gedrukt zou worden en gaf
het me te lezen. Ik kan je vertellen, het sloeg in als een bom. Zorgvuldig naar
het Nederlands vertaald was Guts meer dan smerig: zelfs ik, met mijn maag
van staal, werd er misselijk van. Dat was dus die 10-20% extra woordenschat en
taalgevoel: het verschil tussen knal en KABOOOOOOM!!!!
Als iedereen elkaar net zo goed begrijpt als ik het Palahniuk-verhaal na
tussenkomst van een vakman, ligt wereldvrede binnen handbereik. Vandaar dat
ik wil voorstellen alle Engels-Nederlandse en Nederlands-Engelse communicatie
tijdens ons verblijf in Londen en Den Haag via geschreven briefjes en vaardige
vertalers te laten verlopen. Het verschil zal significant zijn.