Katinka Staals
Epiloog
DOOR Sacha Sperling
30-11-2011

Ik weet niet hoe de balans op te maken van mijn ‘Crossing Border-ervaring’.

Moeten we van alles wat we beleven de balans opmaken?

Het was verrassend, het was geinig, het was leuk. Buiten was het koud. Mijn hotelkamer keek uit op een straat met in het midden een trambaan. Er waren een Engelsman, een Argentijnse en een Nederlander, en nog een heleboel andere mensen. Een schouwburg die het midden hield tussen rococo en modern. Underground rockbandjes.

Overdag wandelde ik door de straten en keek ik naar MTV. Op een dag ben ik een winkelcentrum binnengegaan. Ik heb een pet en een T-shirt gekocht. Ik heb ook een coole trui gekocht. Een grijze, heel zachte, met daarop de afbeelding van een paars met blauw strand. Sinds ik terug ben draag ik niks anders meer… Deze informatie is cruciaal voor het vervolg van mijn epiloog…

Ik ben een boekwinkel binnengegaan. Het viel me op dat schrijvers in Nederland vaak met hun foto op de kaft van hun boeken staan. Dat vond ik grappig. Ik besefte dat mijn gezicht op de kaft van de Nederlandse uitgave van mijn boek stond. Daar moest ik ook om lachen. Op aanraden van een huismoeder die naast me in de rij stond, heb ik voor het eerst een Fristi gedronken. Het was niet echt fantastisch, maar ik zei dat ik het lekker vond.

’s Avonds heb ik passages in het Frans voorgelezen voor mensen die er niets van begrepen. Dat heb ik twee keer gedaan. Het voelde een beetje ongemakkelijk. De tweede keer zou ik ondertiteld worden, maar om een mij onduidelijke reden gebeurde dat niet. Ik heb bier gedronken uit een plastic beker. Ik heb een interview gegeven in het Engels.

Ik heb van iedereen afscheid genomen. Er hing mist en mist en nog meer mist.

Ik weet niet wat ik verder nog moet zeggen. Dus stop ik hier. Pech voor degenen die op de ontknoping zaten te wachten van het verhaal over de coole grijze trui.

Alle vertalingen van Katinka Staals
Epiloog
30-11-11

Ik weet niet hoe de balans op te maken van mijn ‘Crossing Border-ervaring’.

Moeten we van alles wat we beleven de balans opmaken?

Het was verrassend, het was geinig, het was leuk. Buiten was het koud. Mijn hotelkamer keek uit op een straat met in het midden een trambaan. Er waren een Engelsman, een Argentijnse en een Nederlander, en nog een heleboel andere mensen. Een schouwburg die het midden hield tussen rococo en modern. Underground rockbandjes.

Overdag wandelde ik door de straten en keek ik naar MTV. Op een dag ben ik een winkelcentrum binnengegaan. Ik heb een pet en een T-shirt gekocht. Ik heb ook een coole trui gekocht. Een grijze, heel zachte, met daarop de afbeelding van een paars met blauw strand. Sinds ik terug ben draag ik niks anders meer… Deze informatie is cruciaal voor het vervolg van mijn epiloog…

Ik ben een boekwinkel binnengegaan. Het viel me op dat schrijvers in Nederland vaak met hun foto op de kaft van hun boeken staan. Dat vond ik grappig. Ik besefte dat mijn gezicht op de kaft van de Nederlandse uitgave van mijn boek stond. Daar moest ik ook om lachen. Op aanraden van een huismoeder die naast me in de rij stond, heb ik voor het eerst een Fristi gedronken. Het was niet echt fantastisch, maar ik zei dat ik het lekker vond.

’s Avonds heb ik passages in het Frans voorgelezen voor mensen die er niets van begrepen. Dat heb ik twee keer gedaan. Het voelde een beetje ongemakkelijk. De tweede keer zou ik ondertiteld worden, maar om een mij onduidelijke reden gebeurde dat niet. Ik heb bier gedronken uit een plastic beker. Ik heb een interview gegeven in het Engels.

Ik heb van iedereen afscheid genomen. Er hing mist en mist en nog meer mist.

Ik weet niet wat ik verder nog moet zeggen. Dus stop ik hier. Pech voor degenen die op de ontknoping zaten te wachten van het verhaal over de coole grijze trui.

Op de terugweg naar het hotel
19-11-11

Op de terugweg naar het hotel, na het laatste concert, is de mist teruggekeerd in de rustige straten van Den Haag. Alles wordt erdoor omhuld, als in een spookstad uit een roman van Allan Poe. Eerder op de avond heb ik uit mijn werk voorgelezen. Een gek moment. Er waren veel mensen. De uitbundige sfeer van het festival. En nu is er alleen nog maar de mist en de stilte. Ik heb zin om de stad te bekijken. Er is niemand op straat. Het gevoel de enige toeschouwer te zijn in een bioscoopzaal. Op een groot, modern plein achter mijn hotel zijn skaters bezig. Een groepje dat zich heeft verzameld ondanks de kou, ondanks de nacht. Ik luister naar het geluid van de wieltjes, het geluid van het vallen. De silhouetten tekenen zich af tegen de donkere stenen. Spillebenen in rechte spijkerbroeken en sportschoenen in alle kleuren. De skateboards lijken te glijden, de zware schoenen zweven door de lucht. De jonge gasten voeren hun gevaarlijke salto’s uit, hun suïcidale tricks. Telkens wanneer één van hen valt, voel ik me net een nanny bij een zandbak. Ze wagen zich aan de moeilijkste figuren, die vaak mislukken. Ze lijken me kwetsbaar, een ogenblik denk ik dat het helemaal mis zal gaan, en dat het mijn plicht is een oogje op ze te houden. Uiteindelijk gebeurt er niets. Ze vertrekken allemaal tegelijk. Ik voel me een beetje dom, besluit dus door te lopen. Ik ben niet ver van het hotel vandaan. Ik ga braafjes terug… Maar aan de andere kant van de straat wordt mijn aandacht door iets getrokken. Een winkeltje, of eerder een bazaar. Zo’n plek die tot laat open blijft, waar het naar amber en schoonmaakmiddelen ruikt. Ik loop er dus naar toe. Een beetje licht en daar ben ik al, meer is er niet voor nodig. In de etalage liggen allerlei spullen die eruitzien alsof ze zo uit een vrachtwagen zijn gevallen. Te midden van deze afzichtelijke troep prijkt een reusachtig televisietoestel. Ik blijf even verrast staan kijken naar dit enorme gevaarte. Het doet me denken aan de televisies uit de jaren negentig. Die lompe toestellen met een bult aan de achterkant. In de zaak wordt hard meegezongen met de laatste tonen van een lied. Wat me intrigeerde toen ik langs de bazaar liep, was in de eerste plaats dit scherm uit een ander tijdperk, maar ook het beeld op het scherm. Het begin van Knight Rider. Midden in de nacht kijk ik naar een auto die een spoor van stof trekt door de purperkleurige woestijn. Op het scherm ontwijkt Michael Knight (de held) alle obstakels. Om op te trekken schakelt hij de turbo boost in, en de wagen scheurt weg met meer dan 480 km/uur onder donderend geraas. Ik ben gebiologeerd door de Pontiac Firebird. Ik herinner me dat diezelfde wagen nog niet zo heel lang geleden mijn jongensfantasieën beheerste. Die droomwagen, dat droombeeld uit mijn jeugd, vind ik hier terug, in het holst van de nacht, in deze bazaar in Den Haag. Overal bevinden zich deeltjes van ons, echo’s waar je geen weet van had. Soms moet je ver van huis gaan om jezelf terug te vinden. Heel even, ik weet niet hoe lang, midden op deze mistige straat, ben ik acht jaar. Dan begint de aflevering, en ben ik geen acht jaar meer, en is het steenkoud. Zonder dat ik het in de gaten had, is het winter. Ik ben altijd als laatste op de hoogte.

Column 2
18-11-11

Het duurde even voor ik erachter kwam dat ik mijn koffer was vergeten. En om één of andere mysterieuze reden durfde ik niet meteen aan de taxichauffeur te vragen rechtsomkeert te maken. Hoe verder ik van huis verwijderd raakte, hoe belachelijker de situatie werd. Dus raapte ik al mijn moed bij elkaar en biechtte alles op aan de chauffeur. Tien minuten later was ik onderweg naar het Crossing Border festival. Op de buitenspiegel van de taxi stond te lezen: Objects in the mirror are closer than they appear. Daar moest ik een beetje om lachen en voor ik er erg in had was ik op het vliegveld aangekomen. Ik ben altijd al een ramp in reizen. Niet in staat een mededelingenbord fatsoenlijk te lezen. De jongen die op het perron een sigaret staat te roken terwijl de trein weer vertrekt, de jongen bij wie de detectiepoortjes afgaan, de jongen die toch zeker wist dat hij zijn paspoort had meegenomen. Tja, dat ben ik.

Op het vliegveld hoor ik over de mist. Overal hangt mist. In Parijs, in Amsterdam. Door de vochtige atmosfeer kunnen de ijzeren monsters niet opstijgen. Zwaargewicht tegen vedergewicht. Op het vliegveld heerst paniek. Iedereen moet ergens naartoe. Niemand heeft tijd om te wachten. Uiteindelijk verlaat mijn vliegtuig Frankrijk. Boven de wolken staat de zon als een kogelinslag. Het bloed stroomt langs de horizon. Achter de nevel loopt de dag ten einde.

De landing, wij danken u met onze maatschappij te hebben gevlogen. Ik ben al eerder in Amsterdam geweest. Ik ken de Nederlandse gastvrijheid. De vlag is zoals de Franse, maar dan omgekeerd. Niet al te veel ontheemd, maar toch een beetje. Het is al donker. Ik kijk ernaar uit om de andere schrijvers te ontmoeten, om mijn entree op het terrein te maken. En dan kom ik ze tegen, in een straat van een mij onbekende stad. Ik ben blij te zien dat ze jong zijn. Andere levens, andere landen, andere bestemmingen, en toch, dezelfde drang als ik. Dat betekent dat er nog anderen zijn, dat ik niet alleen ben. Wat het minder eng maakt. Ik weet niet of zij dat ook denken. Wederzijds respect, we maken deel uit van hetzelfde team. De paden die we bewandelen zullen verschillend zijn, maar ik weet zeker dat we iets met elkaar gemeen hebben. Je schrijft niet zomaar. Je moet een beetje gek zijn, een beetje eenzaam, een beetje dromerig, een beetje van dat alles. Hoe dan ook, ze komen sympathiek over.

Met de anderen op weg naar het concert, begin ik het principe van het Crossing Border festival te begrijpen. Er zijn de grenzen die ik vanochtend met het vliegtuig ben overgestoken (de Franse, de Belgische…). Ik had het niet in de gaten. Tegenwoordig heb je niet meer in de gaten dat je een grens passeert. Het gaat snel. Boven de wolken ben je je nergens van bewust. En dan zijn er nog die andere grenzen. Tussen talen, tussen kunstuitingen… En die zijn veel moeilijker te passeren. Maar gisteren, ergens in Den Haag, op weg naar het concert, hebben we gelachen, gepraat. Gisteravond hebben onze paden elkaar geraakt en vergaten we allemaal dat er borders bestaan. Er was alleen nog het festival.

Proloog
07-11-11

Ik moet een proloog schrijven. Een stukje over de reis naar Nederland die ik binnenkort ga maken. Maar wat blijkt, korte stukjes zijn soms het moeilijkst om te schrijven. Dus zijn er enkele basisregels om in acht te nemen: je moet het eenvoudig houden, het over de opwinding hebben, over bezorgdheid, blijdschap. Oprecht over proberen te komen, een beetje talentvol, en leuk, natuurlijk, want het mag niet somber worden. Wat ik ervan begrepen heb, is dat dit stukje zal worden vertaald en daarna in mijn bijzijn aan een publiek zal worden voorgelezen. En nu, achter mijn bureau, geloof ik dat ik niets te melden heb. Ik geloof ook dat er weinig is waaraan ik een grotere hekel heb dan aan een schrijver die het over zijn onvermogen om te schrijven heeft en die dan noodgedwongen toch wat op papier krijgt. Dat is een trucje dat nog sleetser is dan de kunststof stoelbekleding in de Thalys. En dat is precies wat ik aan het doen ben. Maar de praktijk dwingt me hiertoe. Goed. Dit gezegd hebbende, komt er nog steeds niets in me op. Mijn stukje zal toch zeker niet uit alleen maar afdwalingen bestaan. Uiteindelijk val je dan altijd door de mand. Binnenkort zit ik op een toneel, of ergens anders, iemand leest die woorden voor en ik zal er niets van begrijpen. Dan zal ik terugdenken aan de momenten dat ik achter mijn bureau zat en meende dat de inspiratie het zou laten afweten. Zelfs in een taal die je niet machtig bent, blijven afdwalingen gewichtigdoenerij. En dat komt niet zo serieus over. Dus ga ik er nu eens goed voor zitten. Nu zal me wel iets te binnen schieten. Nou… eens kijken… kom op, zo moeilijk is dat toch niet! Schrijven, dat is een makkie! Je hoeft niets te verzinnen. De woorden zijn er al, ze bestaan langer dan wijzelf. Je hoeft ze alleen maar smaakvol te schikken. Zoals je met een bos bloemen doet. Je moet de woorden vinden en daarna moet je ze recht doen. Als je ze ruw behandelt, verraden ze je. Dus vals spelen is er niet bij. En ik heb geluk, de woorden zijn me altijd te hulp geschoten wanneer ik ze nodig had. Ze hebben me als een schaduwleger vergezeld. Ze hebben vorm gegeven aan mijn verlangens, mijn angsten, mijn dromen. Ze hebben me veel verder gebracht dan ik had kunnen denken en weidse perspectieven geopend waar ik een gesloten horizon zag. Ze hebben me de mogelijkheid geboden de schoonheid van de Seine, van Parijs in zwart-wit vast te leggen. Ze hebben me geleidelijk aan, zonder dat ik het doorhad, gevormd… Nu zijn de woorden mijn paspoort geworden. Ze vergezellen me nog steeds, van grens tot grens. En daarover zou ik het misschien moeten hebben. Over de buitengewone kans die ik heb gekregen mijn boek te zien reizen, van gedaante te zien veranderen. Dat kleine verhaal waaraan ik in mijn eentje in de geborgenheid van mijn tienerkamer heb gesleuteld met de toewijding van een monteur aan zijn motor. Mijn boek, mijn eerste boek. En dat verhaal, dat van mij alleen was, staat vandaag de dag geschreven in talen die ik niet versta. En dat is ongelooflijk, als ik er zo over nadenk.