In een eerdere kroniek schreef ik schertsend dat het niet mij valt aan te rekenen
als mijn woorden in vertaling hun kracht verliezen. Een week later las ik een
artikel over een schrijver wiens werk in het Engels zo belabberd was vertaald
dat hij de Engelse recensent, die zijn boek vernietigend had besproken, een
brief schreef waarin hij het vernietigende commentaar van de recensent volledig
onderschreef. Dat lot is mij gelukkig bespaard gebleven. De vertaalster, Rhian
Heppleston, die zich dagelijks over mijn teksten boog, heeft zich uitstekend van
haar taak gekweten. Mijn stem klinkt sterk door in de Engelse vertaling, alsof
de vertaalster in mijn hoofd is gekropen om de juiste toon te vinden. Bijzonder
was dat de vertaalster mij in een eerder stadium vertelde dat ze filmpjes en foto’s
van mij op het internet had bekeken om een juist beeld over te mij vormen. Het
bewijst maar weer eens dat vertalen geen doods en mechanisch proces is waar
alleen het gebruik van een woordenboek voor volstaat. Nee, het is mensenwerk
waarbij nuance, het vinden van de juiste toon en de juiste keuzes maken, de
belangrijkste ingrediënten zijn voor goed vertaalwerk.
De bewondering die ik koester voor goed vertaalwerk is alleen maar toegenomen.
Maar toch blijf ik bij mijn eerder standpunt dat het te veel van mij gevraagd is
om een emotionele binding aan te gaan met mijn vertaalde teksten. Ik kan het
vakwerk van een goede vertaler prijzen, maar ik zou liegen als ik zou zeggen dat
een vertaalde tekst evenveel voor mij betekent als het Nederlandse origineel. Het
Nederlands, en alleen maar het Nederlands, is de taal voor mij waarin woorden
echte betekenis voor mij krijgen.
In de zomer van 2007 was ik een van de zes Europese schrijvers die in het kader
van een essaywedstrijd een korte tournee door Duitsland maakten. We deden
verschillende Duitse steden aan waar elke avond onze teksten door een tweetal
Duitse acteurs werden voorgedragen. Ik herinner mij nog goed hoe onbewogen ik
bleef als mijn tekst werd voorgelezen, alsof het door een vreemde was geschreven,
terwijl het een essay was waaraan ik met volle overgave had gewerkt en
waarin ik onderwerpen aansneed waarmee ik me zeer nauw betrokken voel.
Luisterend naar de Duitse tekst, die ik van begin tot eind kon volgen, was die
binding volledig verdwenen. Ik wist mij dan ook geen raad als ik na afloop van zo’n
voordracht door vriendelijke Duitsers werd gecomplimenteerd met mijn tekst.
Het was alsof ik complimenten in ontvangst nam voor iemand anders. Misschien
wel voor de vertaalster. Maar in ieder geval niet voor mijzelf.