Ik zat op de bank toen ik plots merkte dat mijn vader me aan het bestuderen was, alsof hij iets bij me had ontdekt dat hem nooit eerder was opgevallen. Ik vroeg of er iets was en hij zei: ‘wacht even.’ Hij verdween in de donkere gang van het huis waar hij nog steeds woont en kwam terug met een encyclopedie. Hij gaf me het zware boek opengeslagen aan: ‘kijk nou, dat ben jij.’ Ik zag het portret van Spinoza en zei resoluut: ‘echt niet!’ Ik was twaalf, hoe kon ik het eens zijn met zo’n onzin? Wat had ik nou gemeen met die man met zijn holle ogen, zijn grote neus en dat haar dat meer weg had van een pruik?
Een paar jaar later ontdekte ik wie de man was en ben ik hem gaan lezen. Toen maakte het me niets meer uit dat hij lelijk was, ik genoot er zelfs van te pas en te onpas te vertellen dat ik inderdaad op Baruch Spinoza leek.
Mettertijd werd me duidelijk dat de opmerking van mijn vader steek hield: Spinoza en ik hadden dezelfde oorsprong, beiden stamden we af van Portugese joden die gevlucht waren voor de inquisitie. Zijn familie vestigde zich in Amsterdam, die van mij in İzmir, waar mijn opa’s van beide kanten een huis deelden. Ze waren dikke vrienden, maar emigreerden op verschillende momenten uit Turkije en verloren elkaar uit het oog, totdat hun kinderen elkaar bij toeval ontmoetten op een bijeenkomst van linkse militanten tegen de militaire dictatuur in Brazilië.
In dat verhaal zat een roman. Hoewel ik niet precies over dit verhaal geschreven heb, ben ik er nooit ver vandaan gebleven. Mijn eerste boek gaat over de huissleutel die gevluchte Sefarden van generatie op generatie overdroegen in de hoop ooit terug te kunnen keren naar Portugal.
In de familie van mijn moeder werd niet alleen die sleutel doorgegeven, maar ook een gravure uit de zeventiende eeuw. Die gravure, van een rabbijn uit de Portugese gemeenschap van Amsterdam, tijdgenoot van Spinoza, was als erfstuk overgegaan van stamhouder naar stamhouder en zo uiteindelijk bij mijn opa terechtgekomen.
Zou ik dan, buiten het feit dat ik op hem lijk, meer met de filosoof gemeen hebben? Zou een van mijn voorouders hem gekend hebben? Misschien waren ze wel vrienden. Of vijanden. Misschien is er zelfs sprake van bloedverwantschap. En waarom is die rabbijn eigenlijk van Amsterdam naar İzmir gegaan? Had Spinoza daar iets mee te maken?
Bijna twintig jaar geleden kwam mijn moeder een afdruk van precies dezelfde gravure tegen in het Joods Historisch Museum van Amsterdam. En toen ik na de middelbare school zelf voor de eerste keer naar Europa ging, zei ze voor mijn vertrek: ‘Denk erom dat je niet vergeet naar onze voorouder te gaan kijken.’ Dat beloofde ik, maar, volledig in beslag genomen door Van Gogh, Rembrandt en de coffeeshops, stelde ik het uit tot de laatste dag. Alleen was het toen net Jom Kippoer en het museum dus gesloten. Vanuit Brugge belde ik mijn moeder om haar te vertellen dat het helaas niet gelukt was.
Twee jaar later overleed ze. Mijn opa was er inmiddels ook niet meer en het verhaal verdween in een ver verleden. Nu ik ben gaan zitten om te beginnen aan deze eerste column voor Crossing Border, komt het allemaal weer terug, scherp, helder, alsof ik de stem van mijn moeder weer hoor: ‘Denk erom…’
In mijn mail zie ik dat ik op 13 november in Amsterdam aankom, en ik vraag de organisatie of het goed is als ik pas op de 14e, de dag dat het festival begint, naar Den Haag ga. ‘Ik heb nog iets belangrijks te doen in Amsterdam’, leg ik uit. Zo gaat het altijd als ik achter de computer ga zitten: een verhaal uit het verleden fluistert in mijn oren dat het verteld wil worden, alsof het zegt: ‘Jij gaat nergens heen zonder eerst terug te keren.’