“Ja, goed. Hij zou toch maar een on-Amerikaanse president zijn, teveel medeleven met de achterlijken en de invaliden. Zijn moeder noemde hem ‘lieverd’ of ‘Teddybeertje’. ‘Hou je kop, ma!’ had hij nog nooit gezegd, maar het vermoeden dat hij dit zou moeten zeggen, groeide wel. Een volbloed viriele jongen van zestien moest zich misnoegd voelen. Waar was zijn trots? Waar! Maar hij kwam er nooit toe, en zijn mam hield toch zo veel van hem.”
Je bent een tiener, hebt een mama die van je houdt en alles lijkt gesmeerd te lopen – fantastisch. Maar in het geval van Sid Baumwell, de protagonist van Het enige wat je moet doen, is er duidelijk meer aan de hand. Onrust heerst in zijn binnenste en onontgonnen verlangens werken zich angstvallig naar het oppervlak. Sid telt de dagen op de middelbare school af en wil zo snel mogelijk dat saaie stadje verlaten, dat “voelt alsof morgen niet snel genoeg kan komen. Alsof vandaag een of andere luie lamzak is met zijn voeten op de salontafel en zonder enige intentie om ook maar een poot uit te steken.” Op dat moment leert Sid Bill Baxter kennen, een man van buiten de stad. Hun ontmoetingen hebben iets magisch moois, niet in het minst omdat ze aantonen dat wat men zich inbeeldt ook zijn uitwerking heeft op het beleefde moment en omdat ze onze identiteit even sterk beïnvloeden als wat echt gebeurd is[1].
Op schitterende wijze verkent Sarah Braunstein in haar korte verhaal de menselijke geest van zowel adolescenten als volwassenen. Een prestatie die ze moeiteloos weet te evenaren in haar debuutroman The Sweet Relief of Missing Children. Sarah wordt gerepresenteerd door The Clegg Agency in New York en Anna Jarota Agency in Parijs. Deze vertaling is tot stand gekomen met toestemming van deze organisaties.
[1] Uit het interview met Sarah Braunstein in The New Yorker, 9 maart 2015