Het festival verplaatste zich naar België en wij zijn er na vijf flinke uren slaap achteraan gereisd. Het landschap op weg naar Antwerpen was hypnotisch monotoon. Ik bekeek de geometrie van de Nederlandse bossen: vreemde, schaakbordachtige bossen, iemand moest de bomen langs een liniaal hebben gepland. We kwamen langs een enorme, verlichte kas, die eruit zag als een incubator voor een of ander gigantisch buitenaards wezen. Aan de horizon tekende zich de structuren af van hijskranen in de haven. Alles uitgelopen in mist, en in de regendruppels op het raam van de bus.
Ik legde Wiam uit, hoe je het Tsjechische woord ‘řeřicha’ uitspreekt, dat – zo bleek – onuitspreekbaar is. Ik ben enkele onuitspreekbare Arabische woorden te weten gekomen en daarna zijn we het maar liever over stilte gaan hebben. Over mensen volgens wie we tegenwoordig besmet zijn met geluid, die de stilte vastleggen, verzamelen en proberen het stiekem terug te planten in de wereld als een of andere zeldzame plant. Over John Cage die een partituur schreef voor vier en een halve minuut stilte.
We hadden het over mensen die de tijd proberen te vertragen. Ooit las ik een gesprek met de voorzitter van de ‘vereniging van tijdsvertraging’: hij raadde een ieder aan om zichzelf dagelijks ten minste een uur verveling voor te schrijven, want zodra je je verveelt, begin je het verstrijken van de tijd bijna fysiek te voelen. We hadden het over mensen die proberen het donker te behoeden als een bedreigd soort lichtspectrum, proberen de lichtvervuiling van de planeet tegen te gaan, het licht te beperken van grote steden, waarin het donker helemaal is uitgestorven en is vervangen door een grijsoranje nevel, die ‘s nachts de straten omhult.
Al deze mensen overschrijden grenzen in de tegenovergestelde richting dan dat de huidige wereld zich ontwikkelt. We zouden in hun poging voor ze moeten duimen. Ook ik mis soms het donker, waardoor de sterren echt te zien zijn. De bossen, die er niet uitzien als een wiskundig vraagstuk, die gevaarlijk zijn en waarbij je bang bent het in te gaan. De stilte, waarin je je eigen adem en hartslag hoort. Soms heb ik heimwee naar kinderlijke verveling, naar de tijd dat dagen minimaal zo lang waren als nu de weken zijn en de wereld van tijd tot tijd stopte te bewegen, op z’n plek bleef staan, bevroren in het duizelingwekkende heden.
Wiam zei dat dit juist is wat we missen: het heden. Iemand zou de “vereniging tot het behoud van het heden” op moeten richten. We leven in ons verleden en onze toekomst, maar het heden ontgaat ons. Al lange tijd kunnen we met het heden niet omgaan, terwijl het in onze kindertijd de normaalste zaak van de wereld was. Ik werd wakker in Den Haag, val in slaap in Antwerpen, ontwaak in Praag. Alles als lichtflitsen, wanneer er een filmrol stuk loopt. Een vreemde wereld.